Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/f. '/ </j 'Ltsi-cn*~\. . reen t dan ü <-,' '-C c, n ati de staalrzijds n het voor 5 niet Jelen, 1949, Dciale i aan irci oeanjTspensioentonds voor de Metaalnijverheid verplicht is gesteld op grond van de Wet van 17 Maart 1949. Deze beschikking van de Minister van Sociale Zaken houdt in, dat het deelnemen in het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalnijverheid met ingang van 15 November 1949 verplicht gesteld is overeenkomstig de begrippen omschreven inde Statuten van dat Fonds. Deze statuten zijn afgestemd op de beslissing van het College van Rijksbemiddelaars dd. 29 Juli 1947, Ned. Staatscourant van 7 Augustus 1947 no. 151, zodat nu de verplichting tot deelneming van 1 Augustus 1947 af wettelijk is bekrachtigd. Alhoewel de materiële inhoud van de vastgestelde pensioenregeling niet is veranderd, daaraan wordt bij de thans lopende onderhandelingen voor de vernieuwing van de C.A.O. de nodige aandacht geschonken, moesten er toch een aantal wijzigingen in Statuten en Pensioenreglement ter aanpassing aan de Wet worden aangebracht. Ook kan nu begonnen worden met het afhandelen van de verzoeken om dispensatie der betaling aan het Fonds voor die ondernemingen waar reeds op 1 Augustus 1947 een ondernemingsfonds bestond en op voortbestaan daarvan prijsstelien. Wanneer deze aangelegenheid eenmaal zijn beslag heeft gekregen, dan zullen wij dienaangaande nadere mededelingen verstrekken. Het zal onze leden, die met belangstelling de ontwikkeling van de gang van zaken hebben gevolgd, duidelijk zijn, dat deze ontwikkeling een andere is geweest dan die van het Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw. Toen dit Fonds in werking trad, werden kort daarna de eerste pensioenen met enig officieel vertoon door de Minister van Landbouw uitgekeerd. Het Bedrijfspensioenfonds inde Metaalnijverheid is zijn uitkeringen reeds aangevangen, toen het nog een fonds was tot voorbereiding van pensioenvoorzieningen inde metaalnijverheid. De eerste negen weduwen- en wezenpensioenen werden reeds in Augustus 1948 toegekend. Weliswaar waren toen de statuten en het pensioenreglement nog niet zover dat ze gepubliceerd konden worden, maarde materiële basis van het Fonds was toen voldoende duidelijk om de rechten, waarop de deelnemers en hun nabestaanden aanspraak zouden kunnen maken, vast te stellen. Sindsdien heeft het Fonds zijn definitieve vorm gekregen en door middel van een speciaal aan het Fonds gewijde brochure „Naar een zonniger levensavond" zijn onze leden omtrent de opbouw van hef Fonds volledig ingelicht. Het toekennen van pensioenen heeft steeds voortgang gevonden en op 15 November 1949 was het aantal toegekende pensioenen gestegen tot 557. Hiervan hadden betrekking op: Ouderdomspensioenen 327 Weduwen- en wezenpensioenen . . 230 557 fn de practijk is gebleken, dat er ook nog werkgevers zijn, die ondanks de hun opgelegde verplichting door de beschikking van het College van Rijksbemiddelaars van 29 Juli 1947, wel de pensioenpremiën van dein hun dienst zijnde arbeiders hebben ingehouden, maar noch deze premiën noch die zij zelf moesten betalen aan het Fonds hebben afgedragen. In sommige gevallen hield dit verband met pogingen van enkele Levensverzekeringsmaatschappijen om alsnog die werkgevers te bewegen tot het instellen vaneen ondernemingspensioenregeiing, ja zelfs om te trachten regionale pensioenfond-

[ls voor de metaalnijverheid verplicht gesteld Reeds 557 uitkeringen

sen te stichten. Maar er zijn ook gevallen, waarbij achteraf bleek, dat financiële moeilijkheden de oorzaak zijn geweest, dat niet werd afgedragen. Dat de betreffende arbeiders hiervan niet de dupe mogen worden, ligt o.i. voor de hand en dif vraagstuk zal dan ook tof een oplossing gebracht moeten worden. De Wet betreffende verplichte deelneming ineen bedrijfspensioenfonds van 17 Maart 1949 opent de mogelijkheid om op een meer eenvoudige en afdoende wijze nalatige werkgevers tot de orde te roepen, terwijl anderzijds maatregelen getroffen zullen moeten worden om het Fonds dus de deelnemers – fe beschermen tegen al te zware risico's en te voorkomen dat onwelwillende werkgevers hierin een vrijbrief zullen vinden om de premiën maar niet at te dragen. De E.V.C., gesteund door „De Waarheid", die van het begin at getracht heeft hef Fonds bij de arbeiders in discrediet te brengen, heeft een geval, dat zich bij een één dezer dagen failliet verklaarde onderneming te Amsterdam, de Efa Produka, aangegrepen om een hetze tegen het Bedrijfspensioenfonds fe ontketenen. En hoe zou het anders kunnen, de Uniebestuurders, o.a. schrijver dezes, hebben het natuurlijk gedaan. Zij hebben de arbeiders misleid, hun plicht verzaakt, enz. enz. Flef eerste woord van protest van de zijde van de E.V.C. en „De Waarheid" ten opzichte van de directie van genoemde onderneming, die in feite de ingehouden premiën der arbeiders heeft verduisterd, moeten wij nog onder ogen krijgen. Uit hef hele optreden van die zijde, blijkt weer eens overduidelijk, dat het hun niet te doen is om de belangen van de arbeiders te dienen, maar dat ook dit geval weer wordt aangegrepen om wantrouwen tegenover de Unie-bonden en de bestuurders daarvan te zaaien. Deze 10l gunnen wijde heren van harte en hun optreden zal ons niet weerhouden onze plicht fe doen en krachtig mede te werken om ook dit euvel, dat wij beschouwen als behorende tot de kinderziekten van het Fonds, uit de wereld te helpen. Wij vertrouwen, dat ook onze leden zich niet van de kook zullen laten brengen, maar integendeel de leden van de E.V.C. op het minderwaardig optreden van hun organisatie, onder aanvoering van de communisten en hun orgaan „De Waarheid", zullen wijzen. DUITSLAND Of we hef leuk vinden of niet, we krijgen weer in toenemende mate met Duitsland ie maken. De bezettende mogendheden laten Duitsland meer speelruimte en te verwachten valt, dat binnen niet al ie lange tijd Duitsland, althans West-Duitsland, weer inde rij der volken wordt opgenomen. Wij erkennen dat het niet anders kan. Ook in ons belang moet het probleem Duitsland worden opgelost. Wanneer we het niet hopeloos achten dat Duitsland een echte democratie wordt, zullen wede Duitsers niet moeten blijven isoleren en negeren, maar helpen en in het onderling verkeer opnemen. Wanneer we daarbij iets in ons zelf moeten beheersen, Is dat een voordeel. Misschien blijven we daardoor waakzaam en critisch. Laten we ons niet overdonderen door Duits organisatie-talent en grote cijfers en letten we meer op de geest die er achter dit alleszit, want democratie is niet een zaak van grote getallen, doch van gezindheid. De contacten met West-Duitsland worden dus geleidelijk aan veelvuldiger en gewoner. Op economisch terrein gaat het weer een rol spelen. Krachtens de jongste besluiten van de regeringen van Amerika, Engeland en Frankrijk zal het demontage-proces worden vertraagd- en o.m. aan de scheepvaart en scheepsbouw groter armslag worden gegeven. We moeten ons met het feit vertrouwd maken, dat Duitsland op de wereldmarkt weer wordt moet worden een geduchte mededinger. *) Mede met het oog hierop zijn we wel verplicht, naast de andere meer ideële overwegingen, wat Herfstdag 1 De tuinders werkten inde bruine hoven, | De wereld was verlaten van gerucht, j En het oneindig najaar spande erboven \ De paarlen sfeer vaneen gelaten lucht. \ \ Zoo was het hiér, zoo moest het elders wezen; ! i Herfst, land en menschen ineen stil verband, ; Waarboven, in berusting uitgerezen, | I Een overal gelijke hemel spant. ï Wat dan te doen, grijs landschap, grijze luchten, | 1 Uit de oudste droomen van de ziel gemaakt, \ Wat met dit hart te doen, welks diepste zuchten i Al haast niet meer naar deze dingen haakt? [ J. C. BLOEM. \

★ BESTEK Er wordt ons een opstand van de deskundigen aangekondigd. Met die deskundigen worden dan bedoeld vooraanstaande economen uit velerlei kringen, die menen dat nu het moment is gekomen dat wij, alvorens nieuwe sociale maatregelen te beramen, laat staan te nemen, ons moeten beraden of het economisch mogelijk is. Ja, het is zelfs mogelijk, dat het noodzakelijk is op sociaal terrein (hier rekenen wij dan als vanouds de lonen onder) een deel van het veroverde terrein prijs te geven. Wij kennen dit gebied. Reeds jaren wordt ons tegemoet gevoerd, dat men bij het streven naar het sociaal wenselijke rekening moet houden met het economisch mogelijke. Nu is het altijd veel gemakkelijker geweest vast te stellen wat sociaal wenselijk dan vjat economisch mogelijk ivas. Trouwens, het is vele malen voorgekomen, dat een sociale maatregel van werkgeverszijde werd begroet met beweringen, dat het de dood inde pot betekende voor de ondernemingen, terwijl achteraf bleek, dat deze zo gezond bleven als een vis. Nu wordt voor en na aangetoond, dat we meer opmaken (d.w.z. echt opeten, maar ook machines kopen, fabrieken en huizen bouioen) dan we zelf produceren. Tot nu toe betaalt Oom Sam een deel van onze rekening. Wij kunnen drie dingen doen: a. meer produceren; b. minder gebruiken; c. minder fabrieken en huizen bouwen en machines kopen. Als ice de productie snel zouden kunnen opvoeren (en de productie ook konden verkopen), zou het eerste het beste zijn. Nu twijfelen die opstandige deskundigen eraan of dit zo snel zal gaan, dat we in 1952, als Oom Sam niet meer betaalt, de zaak kunnen redden. Minder fabrieken bouwen en machines kopen, kan niet, want onze industrie moet icerkgelegenheid scheppen voor onze toenemende bevolking. Minder huizen houwen? Zeg het zelf maar, gezien uw eigen ervaringen in uw naaste omgeving. Dus, zo is de conclusie van onze deskundigen, blijft er geen andere weg dan minder verbruiken. Maar aangenomen dat iedereen moet verminderen, zal dit ook betekenen loonsverlaging dan wel inde vorm van minder geld of prijsverhogingen, waartegenover geen loonsverhogingen staan. Wij horen iets knarsen. Of het de tanden zijn, die van woede in actie komen of de hersenen die door het vorenstaande tot nadenken zijn gebracht, kunnen we nog niet opmaken. SIC. V J

meer belangstelling op te brengen voor de waarde en het werk van de Duitse vakbeweging. Merkwaardig is dan inde eerste plaats, dat na de oorlog in Duitsland een zgn. eenheidsorganisatie Is ontstaan en dat, zowel bij de oprichting als bij haar verdere ontwikkeling, tal van leidinggevende persoonlijkheden uit alle delen en richtingen der vóór 1933 gesplitste Duitse vakbeweging, een belangrijke rol vervulden en thans nog spelen! Van ernstige tegenwerking van de zijde der R.K. en Prot. kerken en geestelijkheid is blijkbaar geen sprake. Dèt is hier, voor wat de R.K. en Geref.-kerken betreft, wel iets anders! We hebben inde bladen van de confessionele zusterorganisaties in ons land vaak gelezen, dat deze eenheidsorganisatie in Duitsland onder de druk van de geallieerde bezetting is tot stand gekomen en dat ze dan ook niet duurzaam zal zijn. De Duitsers en daaronder niet inde laatste plaats de vroegere bestuurders van de Duitse Chr. vakbeweging en de bezettingsautoriteiten ontkenden dit echter steeds hardnekkig. De praktijk zei wel spoedig uitwijzen wie het meeste gelijk aan zijn- kant had. Voorlopig staat dit echter al wel vast, dat, hoezeer de bezettingsbanden ook losser zijn geworden, er nog geen sprake is van de terugkeer van de vroegere interconfessionele (R.K. en Prot. samen) vakbeweging. We zien wel wat anders, nl. een ontwikkeling inde richting van meer samenvoeging en consolidatie. Op een groot congres, dat van 12 tot 14 October werd gehouden, is het Vakverbond voor de Bondsrepubliek Duitsland, vroeger West-Dultsland, gesticht. Daardoor is er een einde gekomen aan de naar de verschillende zone's gescheiden organisaties. Het ledental van de tot hem toegetreden 16 bedrijfs- en vakbonden bedraagt bijna 5 millioen. De bedrijfsbond inde metaalindustrie neemt met zijn 1| mi'llioen leden, dat is een kwart van het totaal, in dit Vakverbond een belangrijke plaats in. De grondslag van deze Deutsche Gewerkschaftbund is democratisch en partij-politiek en kerkelijk onafhankelijk. Het zal zich aansluiten bij de nieuwe vrije democratische vakverenigingsinternationale, welke in het tijdvak van 28 November tot 7 December a.S; in Londen zal worden gesticht. De Bedrijfsbond inde metaalindustrie is reeds enige tijd aangesloten bij onze Internationale Metaalbewerkersbond. Ten slotte nog enige interessante cijfers. Bij de organisaties van het Duitse Vakverbond zijn samen 660.600 vrouwelijke leden (13,3 % van het totaal), 339.200 jeugdleden onder 21 jaar (6,8 %) en 457.700 beambten (9,2 %) verenigd. Voor de Bedrijfsbond inde Metaalindustrie zijn deze cijfers afzonderlijk 103.200 vrouwelijke leden (8,5 % van het totaal), 339.200 jeugdleden (9,2 %) en 76.300 beambten (6,3 %). *) Een artikel over de arbeidsvoorwaarden inde scheepsbouw, in aansluiting op dat van 29 October, moet tot het volgende nummer overstaan.

2

Sluiten