Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Loonsverhoging ?

Er komf tekening inde toestand. Na veel voorbereidend overleg heeft de Stichting van de Arbeid op 25 Nov. ineen persbericht bekendgemaakt, dat de Raad van Vakcentralen complete compensatie-voorstellen bij haar had ingediend. Inmiddels zijn deze voorstellen zelf ook publiek geworden. 1. &en loonsverhoging van 5 %, met een minimum van ƒ 2.50 per week voor volwassen werknemers. 2. Een evenredige verhoging van de kinderbijslag. 3. Verhoging van de loongrens voor de sociale wetgeving van ƒ 3750. tot ƒ 6000. per jaar. 4. Evenredige verhoging van de uitkering krachtens de Noodwet Ouderdomsvoorziening. 5. Op enigerlei, wijze moet dat deel van de ondernemerswinst dat hef gevolg is van een verhoging der arbeidsproductiviteit mede aan de werknemers ten goede komen. tn het persbericht van de Stichting van de Arbeid lazen we

0.m., dat de werkgeversorganisaties bijzondere waardering hadden voor dein het schrijven van de Raad van Vakcentralen uitgedrukte bereidverklaring op constructieve wijze mede te werken aan het in evenwicht brengen van de betalingsbalans, het nastreven van volledige werkgelegenheid en het opvoeren der productie. Over de concrete voorstellen zelf stelden de werkgevers prijs op het oordeel van de regering alvorens tot een definitieve conclusie te komen. Enige dagen na de ontvangst van deze voorstellen heeft de regering daarover het overleg met de Stichting van de Arbeid geopend. Het resultaat daarvan is ons bij het ter perse gaan van dit nummer nog niet bekend. In de dagbladen van Zaterdag 3 Dec. konden we echter een bericht lezen van ongeveer deze inhoud: „dat de regering, onder bepaalde voorwaarden, niet afwijzend staat tegenover enige loonsverhoging met ingang van T Jan. 1950, waarbij dan evenwel de subsidiepolitiek opnieuw zal dienen te worden bezien”.

Met spanning wachten we op het verdere verloop. inmiddels heeft het N.V.V., verlangend als het is zo spoedig mogelijk opéning van zaken te geven, een congres uitgeschreven, dat op 17 Dec. a.s. in het N.V.-Huis te Utrecht gehouden wordt. Na dit congres, dat door ongeveer 1000 vertegenwoordigers, onder wie 225 van onze organisatie, zal worden bezocht, zullen er nog een aantal districts- en provinciale vergaderingen volgen. Op ai deze bijeenkomsten zal het N.V.V., ten overstaan van het uitgebreide kader van onze gehele algemene vakbeweging, zijn loon- en prijsbeleid verklaren en verdedigen, en positie kiezen voor de naaste toekomst. We zijn er trots op dat de leden van onze vakbeweging, ondanks de van regeringswege gemaakte grote psychologische blunders, zibh zo beheerst gedragen. Daarom verheugt het ons nog meer dat het N.V.V. thans eindelijk met deze buitengewoon moeilijke zaak inde openbaarheid kan treden.

★ BESTEK Op 31 Mei 1947 zijn we geteld, dat weet u misschien nog wel. Bij die volkstelling is ook . gevraagd of u een beroep uitoefende en zo ia, waar. Nu de resultaten van die telling zo langzamerhand bekend zijn, blijkt, dat op 31 Mei 1947 meer dan 3.800.000 personen in Nederland een beroep uitoefenden. Daarvan werkten er toen tijdelijk ongeveer 250.000 niet. Dat waren degenen die op wachtgeld stonden, werk zochten, hun militaire dienstplicht vervulden ot gevangen dan wel geïnterneerd waren. Van die 3,8 millioen oefenden 1,4 millioen personen een beroep uit inde industrie, hetgeen ongeveer 37 pet uitmaakt. Dat cijfer viel eigenlijk een beetje tegen, want in 1930 werkte bijna 39 pet van onze beroepsbevolking inde industrie. Terwijl we dachten dat onze industrie een belangrijker plaatswas gaan innemen dan in 1930, wees de telling het tegendeel uit De metaalindustrie is inde loop van die 17 jaar een belangrijker plao.ts in het economische leven van ons land gaan innemen. Het aantal personen dat inde metaalindustrie een beroep uitoefende, is sinds 1930 van 237.000 tot 370.000 gestegen. Bijna 10 pet. van onze beroepsbevolking vindt werkgelegenheid inde metaalindustrie. Het ziet er overigens niet naar uit dat de metaalindustrie nu het eindpunt van haar ontwikkeling heeft bereikt. Als de industrialisatie-plannen werkelijkheid worden, zullen er eind 1952 nog 75.000 meer personen inde metaalindustrie werkgelegenheid vinden. Onze Bond zal niet naar werk behoeven te zoeken. SIC.

Pensioenzwendel? Ook deze kluif de E.V.C. weer ontglipt!

(S.) Toen in Augustus 1947 de beschikking van het College van Rijksbemiddelaars was afgekomen waarbij. de werkgevers, waarvoor de C.A.O. voor de Metaalnijverheid of de R.A.M. van toepassing was, verplicht werden ƒ I. per week van het loon hunner werknemers van 18 t/m 64 jaar af te houden (de rechtens geldende lonen waren in verband hiermede eerst met 2 centen per uur verhoogd) en deze ƒ 1 •—, vermeerderd met ƒ I. te betalen door de werkgever, af te dragen aan de Stichting: „Fonds tol voorbereiding van pensioenvoorzieningen inde Metaalnijverheid", is van de zijde van de E.V.C. alles op haren en snaren gezet om de werknemers te bewegen daartegen in verzet te komen. Dit streven had hier en daar succes; meer speciaal in die ondernemingen waar boven het rechtens geldende loon werd betaald en dientengevolge de 2 centen loonsverhoging niet gegeven mocht worden. In die bedrijven zouden de arbeiders inderdaad met ƒ I. minder loon naar huis gaan. De E.V.C. is in dit stadium zelfs zover gegaan te adviseren: reeds gestorte premies terug te vorderen. Dit is echter op niets uitgelopen. De kantonrechter heeft een dergelijke eis ais niet ontvankelijk verklaard en daarmede was voorlopig voor de E.V.C. de kous af, tot in Mei 1948 ineen publicatie van de Vakraad voor de Metaalnijverheid „Mededeling no. 4" de rechten van de deelnemers werden bekend ‘gemaakt. Dit was het sein voor de E.V.C. om opnieuw te trachten onrust te stichten rondom het bedrijfspensioenfonds. Ook dit liep op niets uit, want de arbeiders inde metaalnijverheid zijn gaar genoeg om te begrijpen, dat men voor een totaal premie van ƒ 2. per week per arbeider geen rechten kan verkrijgen die niets te wensen overlaten. Het is te begrijpen dat het bestuur van het Fonds er rekening mede moest houden, dat hier en daar het betalen van premie gesaboteerd werd en dat het geen rechten kon toekennen aan arbeiders die geen premie betaalden. Daarmede moest dus bij de samenstelling van de statuten en het pensioenreglement rekening worden gehouden en werd bepaald, dat de bedragen der toe te kennen pensioenen afhangen van het aantal weken waarover de verschuldigde premiën aan het Fonds zijn voldaan en geacht worden te zijn voldaan. Dit laatste slaat op het feit, dat gedurende ten hoogste 52 achtereenvolgende weken van ongeschiktheid tot werken, als gevolg van ziekte en ongeval, geen bijdragen verschuldigd zijn. Niemand, maar dan ook niemand, ook de overheid niet, heeft daarin aanleiding gevonden te zeggen dat dit onredelijk was. Maar nu bleek inde practijk, dat tengevolge van deze bepaling arbeiders gedupeerd konden worden, nl. in die gevallen waarin de werkgever wel de pre-

mie van zijn werknemer van het loon inhield, maar noch deze noch zijn eigen premie aan het Fonds afdroeg. Daartegen moesten maatregelen getroffen worden, maar deze zouden eerst het nodige effect kunnen sorteren zo gauw het Fonds aan de hand van de Wet van 17 Maart 1949 wettelijk verplicht werd gesteld. Inde Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds is nl. in artikel 3 o.a. bepaald: „Deze naleving kan, ook wat de betaling van de premie betreft, in rechte gevorderd worden." De wettelijke verplichtsfelling is verkregen en hiermede heeft het bestuur van het Fonds nu het middel om onwillige en/ot nalatige werkgevers tof de orde te roepen. Eén van de instanties die tegen de wet-

Ontboezeming De feiten. Vorig jaar werd het subsidie-bedrag gehalveerd. De nood van de schatkist en andere omstandigheden dwongen daartoe. Na een zéér moeilijke bevalling kwam de Joekes-gulden en enige verhoging van de kinderbijslag voor de dag. Hoewel de prijsstijging tot op de halve cent was uitgekiend, bleek ai spoedig dat de arbeiders aan deze compensatie van de verhoogde prijzen toch nog te kort kwamen. Dit tekort werd verergerd door de prijsstijging van nog andere artikelen dan die door de subsidie-verlaging waren „getroffen". Oosterhuis becijferde een koopkrachtverlaging voor het gemiddelde arbeidersgezin van 3.5 %. De statistici vielen op dit cijfer aan, plozen het tot en met uit en kwamen tot de conclusie, dat het „slechts” 1.8 % zou zijn. Looncompensatie bleef uit. Toen kwam de devaluatie. Tal van prijzen gingen omhoog. En er zit nog meer in het vet. Om inde lijn te blijven, als een soort Sinterklaas-surprise, vandaag gaat de prijs van het varkensvlees met 44 ct per kg. omhoog. Hoe groot is het percentage koopkrachtverlaging middelerwijl? We lazen dat de regering niet afwijzend staat tegen enige loonsverhoging, maar de subsidies moeten hierbij betrokken worden. Wij vertalen dat zó, dat het rechtens vastgestelde loonpeil wel met misschien 5 % mag stijgen, maar dat ook de prijzen niet op het tegenwoordige reeds verhoogde peil gehandhaafd kunnen blijven. Reken dus, met andere woorden, op een voorlopig blijvende verlaging van het reële loon. Reeds een aantal maanden wordt dit trouwens de massa voorgehouden. Of de regering dit voor haar genoegen doet?

lelijke verplichtstelling van het Fonds hebben geageerd, i5.... de E.V.C. Nu heeft zich, achteraf gezien begrijpelijk, maar achterafse wijsheid is altijd gemakkelijk, bij hei bedrijf Efa Produka te Amsterdam zo'n geval voorgedaan. De directie van genoemde onderneming inde wel de premies van, haar arbeiders, maar droeg niets af en vóór het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalnijverheid wettelijk verplicht was gesteld, werd de Efa Produka failliet verklaard. Reeds daarvoor echter meldde zich uit deze onderneming een arbeider, die de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. Aan de hand van het bepaalde in artikel 6 van het pensioenreglement moest de administrateur van het Fonds deze man mededelen, dat hem geen pensioen kon worden (vervolg pagina 3 onderaan)

Natuurlijk niet. Duizendmaal neen. .De harde feiten dwingen echter. Noem maar op; Grote tekorten op de betalingsbalans, staatsschuld, de noodzaak van meer industrialisatie, de Marshall-hulp die in 1952 vervalt, Indonesië, enz. Het kader van onze vakbeweging heeft oog voor de harde werkelijkheid en geeft de feiten door aan de leden. Desniettemin, er is een hoorbare spanning in het land. Hoe groot zal het offer zijn dat de massa moet brengen? Want er staan nog meer potjes te vuur. Huurverhoging, verhoging omzefen personele belastingen, enz. Ook de reeds eerder beloofde, maar uitgestelde verlaging van de loonbelasting! De massa houdt zich echter goed. Er is nog vertrouwen tussen leden en leiding inde vakbeweging. Maar dan de ergste vijanden zouden het je hebben kunnen aandoen komt daar, uitgesproken in déze tijd, de verhoging van de salarissen der ministers en, alsof dit nog niet genoeg was, het wetsontwerp om nu ook de 2de Kamerleden een opslag te geven, variërende van ƒ 1200. tot ƒ 2400. per jaar. Wie hier iets van snapt, mag het zeggen. Zijn er dan geen goede argumenten voor deze verhogingen op te brengen? Jawel! Maar heeft een regering, die de loonstop terecht straf hanteert en in verband met ‘s lands toestand vaak verschillende overigens gerechtvaardigde wensen moet afwijzen, het morele recht tegelijkertijd met deze verhogingen te komen? Wij zeggen „neen"! Kees Woudenberg, de vroegere secretaris van de Partij van de Arbeid, schreef in „Het Vrije Volk" tot ons genoegen ten opzichte van de verhoging van de ministerssalarissen: „Het is mis". Nu er dit van de 2e Kamerleden nog bij komt, vragen wij ons af, of in psychologisch opzicht de regering „van Lotje getikt is". >

2

Sluiten