Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE METAALBEWERKER,

verdrukkers laten zien, dat wij het geloof in onze schoon 2 beweging niet verliezen, maar dat het steeds sterker wordt. Juist wordt ons geloof inde beweging sterker, omdat hij zoo mooi is, dat het niet is de strijd door of voor enkelen, maar een strijd voor heel de menschheid, een strijd waarin geen moordtuigen worden gebruikt, die ons niet anders dan op een lager peil konden brengen. Wij gebruiken voor onzen strijd onze organisatie, die nietdenkers tot denken brengt, die drinkers tot niet-drinkers maakt, onze organisatie, het liefste wat wij hebben, die ons wordt betwist door onze tegenstanders. Waarom? Omdat zij niet willen dat wij niet drinken of denken; zij zien er gevaar in voor hunne klasse, die kapitalistisch is. En juist omdat onze tegenstanders er gevaar inzien, moet het voor onze lotgenooten eene aanmoediging zijn, zich bij dat leger, dat steeds optrekt, aan te sluiten, steeds onze macht sterker te maken, tot dat zij onoverwinbaar is. Niet wil ik zeggen dat een macht der wereld ons zou kunnen verslaan, daar zijn wij reeds te sterk voor, welke tegenspoeden wij ook ondervinden, we zijn en blijven er, maar dat wij kunnen leveren een beslissenden slag die de overwinning brengt aan onze zijde. Wat heerlijk is het de gedachte te hebben, al reeds te zijn aangesloten bij dat leger dat steeds optrekt tegen de slavernij die wij dagelijks ondervinden, de een soms in erger mate dan de andere. Vele ruggen zijn nog gebogen onder dat zware juk, laten we ons oprichten en rondzien, dat leger der arbeiders komt daar aan; ook gij behoeft u met weer te buigen, ook gij behoeft niet weer terug te gaan in die slavernij mits gij maar begrijpt dat het ’t leger is van uw klasse waartoe ook gij behoort, gij zoo goed als elk ander. Hoeveel gemakkelijker zoudt gij het ons maken als gij uw plicht deedt als mensch. Het is toch ook uw zaak waar wij voor werken zoo goed als voor ons zelven; en wat is beter en heerlijker zelf zijn zaken te doen. Ook dezen dag, als gij onze vergaderingen bezoekt, zult gij weer gewezen worden op onzen grooten strijd, onze liederen zult gij hooren, zelf zult gij misschien meezingen: sluit u in drommen van duizenden aan, maar laat het niet blijven op de lippen, maar doordringen in uw binnenste. Het moet niet zijn een gewoonte de verg. op 1 Mei te bezoeken of den 1 Meidag met de georganiseerden mede te vieren, maar steeds moet de broederband, dié tusschen ons bestaat, nauwer worden aangehaald. Wij hebben allen een belang, en het is dus plicht te werken voor het belang dat wij gezamentlijk hebben. Wij hebben er belang bij dat onze werktijd wordt verkort, onze loonen worden verhoogd, enz. Daarom vrienden breekt met uwe onverschilligheid, laat zien dat gij niet het 1 Meifeest uit gewoonte viert, maar dat gij van plan zijt met ons op te trekken voor verovering van den Arbeid. Utrecht. R[Wegens plaatsgebrek in het Meinummer, werd het in dit nummer geplaatst. Red.] De toestand op heden. Als wij onze medearbeiders spreken over organisatie, dan zijn zij het gewoonlijk met ons eens. Maar wanneer wij hen dan vragen om toetreding als lid van hunne organisatie, dan is het, het geeft toch niets, als zij het allemaal deden, maar met zoo’n paar menschen geeft het immers niet. Een ander zegt, het is altijd zoo geweest en het zal altijd wel zoo blijven ; weer een ander is bang als je met hem op de fabriek staat te praten, vooral als je een zoogenaamde rooie bent, hij is dan bang ook voor rood uitgemaakt te worden. Zoo ondervond ik het nog beter toen wij aan een zekere fabriek met onze Meibladen stonden om ze te verkoopen, men kon ze aanzien die arbeiders dat zij er gaarne kennis mede wilden maken, maar zij dorsten niet, bang als zij waren dat hun baas of opzichter het zag. Zoo is het met het gros van de arbeiders gesteld, bang, en waarvoor? Ja, zal men zeggen, bang voor ontslag, en dat beteekent voor hen geen brood. Dit nu is de toestand op heden onder de arbeiders. Onder de arbeiders, de nuttigste menschen, onder hen, door wie alles in stand wordt gehouden, onder hen die alles produceeren, die alles vervaardigen niet alleen voor zichzelf maar ook voor hun medemenschen. En ook .. . voor hun patroon, hun uitzuiger, ook voor hem werken zij. En dan is men nog bang voor zoo iemand, wat een toestand als men dat goed indenkt. En niemand zal toch zeggen dat het onwaar is hetgeen ik hierboven schreef. Hoe geheel anders kon het toch zijn wanneer de arbeider zijn positie als arbeider begreep, dat hij begreep wat hij is en wat hij kan door samenwerking; met zijn medearbeiders, om aan de roeping te voldoen die hij verplicht is als mensch te vervullen. Ik zeg, hoe geheel anders kon het zijn als men begreep wat men is en wat men kan, ik zal trachten met een paar voorbeelden u dat duidelijk te maken. Ziet eens naar het landbouwbedrijf, de een ploegt het land, de ander zaait, eén derde maait, enz. Men ziet daar dat door het vereenigd werken iets tot stand wordt gebracht, door gezamentlijk iets te doen wordt daar een geheel verkregen. Zoo is het ook met het bouwen vaneen huis, eerst de grondwerker, dan de metselaar, opperman, timmerman en schilder, ook deze te samen vormen een geheel. Dus ook door georganiseerd optreden, 'door vereenigd werken brengt men iets goeds tot stand. En gij als metaalbewerker kunt ook een mooi voorbeeld aan uw eigen vak nemen, ook bij u wordt door het vereenigd werken een geheel verkregen. Als er een stuk werk gemaakt moet worden, is het eerst de vuurwerker ■ die er zijn arbeid aan geeft, dan de bankwerker, de draaier, enz., dus door onze gezamentlijke arbeid wordt iets gemaakt, wordt iets tot stand gebracht, dat is toch duidelijk niet waar. Welnu zoo duidelijk het is dat wijdoor gezamentlijk werken iets» tot stand brengen, zoo duidelijk is het ook dat onze positie als arbeider verbeterd moet worden, want het schuw zijn voor een baas en opzichter en ook voor een zoogenaamde rooien is ook al het gevolg van den slechten toestand waarin de arbeiders leven, niet alleen de vrees voor broodeloosheid, maar ook zij die zoogenaamd vast werk hebben mopperen en brommen dat zij niet genoeg verdienen, dat zij hun arbeidskracht niet duur genoeg kunnen verkoopen. Om daar nu verandering in te brengen kan niet geschieden door enkelen, ook is daarvoor noodig dat wij evenals bij het maken vaneen stuk werk georganiseerd optreden, vereenigd werken en ieder daaraan zijn deel verricht. Wanneer dat geschiedt, wanneer wij gezamentlijk werken aan de verbetering van onze positie, wanneer wij gezamentlijk optreden om onze levensvoorwaarden te verbeteren ‘dan zal er ook iets goeds tot stand gebracht kunnen worden. Door ons gezamentlijk werken in onze vakorgenisatie kunnen wij een einde maken aan het tiranniek optreden onzer patroons, kunnen wij een beter loon vorderen, kunnen wij

een korteren arbeidsdag bedingen, kunnen wij onze medearbeiders die werkeloos zijn van de straat af helpen, kortom wij kunnen door ons vereenigd werken een geheel nieuwe toestand geboren zien worden, Wij kunnen ook door ons gezamentlijk optreden ten slotte zoover komen dat wijde arbeidsmiddelen ten dienste kunnen stellen van de arbeidersklasse in het algemen. Waarom zou dat niet kunnen, evenzoo goed als men nu georganiseerd aan een stuk werk moet werken om het klaar te krijgen, evenzoo goed kan men ook georganiseerd werken aan de verbetering van den toestand van den arbeider. Maar daar is opoffering voor noodig, daar is moed voor noodig, daar is kracht voor noodig, het is een reuzenwerk dat moet volbracht worden. Op dus allen voor. het georganiseerd optreden van den arbeid, wordt lid van den bond, van uwe organisatie, helpt mede aan het werk, want het is ook- uw werk, gij moet ook medearbeiden aan het stuk werk dat klaar gemaakt moet worden, gij ziet het dagelijks om u heen, alleen zijt gij niets, maar vereenigd alles. Laat u niet afschrikken dooreen beetje tegenspoed, niet door het gekibbel vaneen paar menschen, die meenen dat het zus of zoo moet, ook niet door uwe medearbeiders, die nog te laf en te laks zijn. Maar wanneer gij er van overtuigd zijt dat uw toestand verbeterd moet worden, treedt dan toe tot uwe vakorganisatie, wordt allen lid van uwen bond, opdat wijden toestand van heden spoedig vaarwel kunnen zeggen en er voor ons een betere toekomst geboren wordt. Ik zeg, laat u niet terug schrikken door wat dan ook, laat u ook niet verdeden in verschillende groepjes, maar sluit u in massa aan en dan wordt het werk zooveel te lichter klaar genaakt, want gij weet het, vele handen maken licht werk. Leve de vakorganisatie 1! Haarlem. M. R.

Ifta t fIBd. Weer hebben we een 1-Meidag achter den rug, een dag waarop de gansche georganiseerde arbeidersklasse, denkend en doelbewust, heeft gemanifesteerd voor een stuk recht, een stuk leven, hetwelk hen steeds is onthouden geworden door de bourgoisie, door de machthebbers, de bezitters der productiemiddelen. Weer hebben we ze gezien de arbeiders, ineen vaste massa aaneengesloten, protesteerend tegen een toestand welke er steeds toe heeft bijgedragen dat de arbeidersklasse zwakker werd, door het overmatige lange werken, een toestand welke steeds ondragelijker wordt naarmate de ontwikkeling en de ontwaking onder de arbeiders toeneemt. En wanneer we dan weer een 1 Meidag hebben, dan zien en kunnen we weer konstateeren, dat het aantal arbeiders grooter is geworden, dat opkomt voor dat stuk recht, dat de aandrang van onderen op om ook van het schoone en heerlijke der natuur, van de kunst en de wetenschappen te genieten grooter is geworden. En als we dat dan allemaal waarnemen, wanneer we dan de waardige houding der arbeiders bij hun betooging zien, een houding waar wat anders achter zit dan een dolle en opgezweepte wensch, maar een uiting vol overtuiging, overdacht en welbewust, dan mogen we ons geiust afvrageu, hoe lang nog zal ons dat stuk recht, dat stuk leven, hetwelk voor ons aan een korteren arbeidsdag verbonden is, hoe lang nog zal men ons dat onthouden. De redenen en argumenten welke vroeger en ook nu nog wel werden aangevoerd d o O r de dienaren der bezitters, als zouden de arbeiders hun verder vrijgekomen tijd zoek brengen inde kroeg, als zou de productie, welke noodig is voor het voortbestaan der maatschappij, ontoereikend worden, al die verouderde argumenten zijn hun uit de handen geslagen. Want wanneer we het rapport der S. D. S. C. over den arbeidstijd in Nederland eens opslaan, dan vinden we daar heel wat stof, -om argumenten, als zouden de arbeiders naar de kroeg loopen enz., te weerleggen. We vinden daarin onder anderen op bldz. 70 een rapport van de burgersmeden, hetwelk luidt; Onder de burgersmeden in Groningen verminderde het drankmisbruik toen de werkdag van i3*/j uur verkort werd tot 10 uur. Evenzoo bij de typografen. Deze schreven uit den Haag . het gebruik van alcohol bestaat haast niet bij de personeelen van die drukkerijen, die 8 of 9 uur per dag laten werken. En nog duidelijker komt de verhooging van het zedelijk peil der arbeiders uit bij een verkorting van den arbeidsdag ineen rapport van de sigarenmakers uit Arnhem op bldz. 69: Het drinken is inde laatste jaren merkbaar afgenomen, er zijn zelfs veel geheelonthouders onder de sigarenmakers. Ook het vereenigingsleven is er veel beter geworden. Zij zijn veel zedelijker. Van Maandag tot Zaterdag wordt er trouw gewerkt, terwijl men vroeger dikwijls’s Maandags Dinsdags en soms zelfs Woensdags niet werkte. En wat de voortbrenging betreft, de daling van de productie bij verkorting van den arbeidsdag, daartoe diene het volgende rapport van de schoenmakers : Bij de firma Schijndel te Waalwijk is een tijd lang tot 8 uur ’s avonds gewerkt ; toen werden er 600 paar laarzen geproduceerd. Dooreen kleine werkstaking in dit jaar is de tijd weer op 7 uur ’s avonds gekomen, dus een uur minder per dag en nu worden er 100 paar laarzen meer gemaakt. Dit is niet enkel het geval met de schoenmakers, maar haast alle rapporten, welke bij de S. C. zijn ingekomen, ademen een gelijkluidenden geest. Eenstemmig luiden de antwoorden, dat door verkorting van den arbeidsdag opgewekter vereenigingsleven is gekomen en de demoralisatie en het drankmisbruik zijn afgenomen. En wanneer we nu nog eens terugkomen op de vraag, hoe lang nog zal men ons 12 en 14 uren per dag laten werken, dan volgt ons ontwoord ; gij arbeidersklasse, gij hebt het zelf in uw macht daar verandering in te brengen. Gij kunt zoo gij wilt al het gewenschte, al wat gij noodig hebt voor een menschwaardig bestaan verkrijgen, maar daartoe behoort hard gewerkt te worden. Daartoe moet propaganda gemaakt worden zakelijk en kalm, onder de nog lauwe, lakse, slapende massa. Dat groote aantal onbewuste arbeiders behoort daarvoor eerst nog bewerkt te worden. Een zware taak voorwaar. Maar niet te zwaar toch voor denkende, willende en strijdende arbeiders, zooals de kern der arbeidersklasse uitmaakt inde vakvereeniging. Nooit moeten we in dagen van moeielijkheid, in dagen van reactie den moed en bet vertrouwen in onze goede zaak verliezen. Bondgenooten, laten wij nu na den 1 Meidag, na ons zakelijk en mooi congres, dat verscheidene degelijke besluiten heeft genomen, hard aan het werk gaan, laten wij nu allen trachten eens per maand 1 lid aan te brengen en onzen bond is na 1 maand verdubbeld in ledental. En wij, wij voor ons hebben de voldoening weer een arbeider te hebben wakker geschud, te hebben gehaald uit zijn winterslaap. Vooruit dan, de hand aan den ploeg en getracht nu eens alle besluiten van ons congres ten uitvoer te brengen en het volgende jaar 1 Mei

zullen wede vruchten en resultaten van ons werken mogen plukken. Chr. v.d. Bilt. lets over den toestand der arbeiders aan de Rijkswerven. Dat de toestand der arbeiders aan de Rijkswerven niet rooskleurig genoemd mag worden, blijkt uit het volgende. Om daartoe te geraken, moet men eerst eens nagaan hoe de arbeiders zich daar weren. Er bestaat dan ook een organisatie onder hen, maar van dien aard, dat door de voorzitter wordt geadviseerd om nooit naar buiten werken. Op de vergaderingen mocht nooit de pers tegenwoordig zijn en de vereeniging mocht niet rood getint zijn. Dit alles om den minister en de directie met uit hun humeur te brengen. Nu is er met al dat zachtjes aan marcheeren en nadat er een paar kamerleden door de vereeniging gemachtigd waren om hun belangen te behartigen een verbetering in loon tot stand gekomen. Blijde uitslag. Maar denk er eens over, ik zal trachten u omtrent een en ander in te lichten. Allereerst zullen wij nagaan de oude en nieuwe loonlijst. Oud. Nieuw. min. max. min. op 35 j. max. f 1.40 2.50 f 1.80 2.50 2.60 Scheepmaker. Scheepmakersvoorman. j- 32. 2.20 Scheepmaker. Klinker en Koker. Scheepsbeschieter . . f 1.40 2.30 f 1.40 2.10 2.50 Vuurwerker . . . . f 1.40 2.50 f 1.40 2.20 2.50 Voorslaander. f 1.40 1.80 f 1.40 1.90 1.90 Bankwerker . . . . f 1.40 2.50 f 1.40 2.10 2.60 Modelmaker . . . . f 1.40 2.50 f 1.60 2.20 2.50 Schilder f 1.40 2.30 f 140 2.- 2.40 Blokmaker . . . . f 1.40 2.10 f 1.40 2. 2.20 Taketaar f 1.60 2.— f 1.60 1.90 2. Gieter f 1.40 2.50 f 1.40 2.10 2.50 Werfsjouwer f 1.40 1.80 f 1.40 1.90 1.90 Schipperknecht f 1.50 2. f 1.50 1.90 2. Magazijnwerker f 1.40 1.80 f 1.50 1.90 2.90 Metselaar f 1.40 2.10 f 1.40 2. 2.20- Zeilmaker • . . . . f 1.40 2. Kuiper f 1.40 2.- 2.20 Ketelmaker f 140 2.20 2.50 Werktuigmaker .' ! . f 1.40 2.20 2.60 Zeesjouwer .... f 1-40 1.20 1.90 Uit deze loonregeling ziet men dus dat bijna alle vakken met 10 cent per dag in hun maximum verhoogd zijn. Alleen de takelaars en de schippersknechts zijn op hun oude loon blijven staan. Waarom deze menschen zijn uitgezonderd is ons een raadsel, zoo meldt onze berichtgever. Dit nu is voor ons geen raadsel. Als wij werkelijk deze loonlijst nagaan en men vergelijkt de loonen in dezelfde vakken buiten de Rijkswerf, dan komt men tot de conclusie, dat op de werf lang niet het meeste betaald werd, ja zelfs veel minder. Denk nu niet arbeiders, dat deze verhooging gekomen is door uwe organisatie of door het machtigen vaneen of meer kamerleden om voor uwe belangen op te treden. Neen, het is o. i. alleen daardoor gekomen, dat de arbeiders in het algemeen en ieder in zijn vak in het bizonder, den algemeenen loonstandaard hebben verhoogd door middel van hunne respectieve vakorganisaties. Nu ligt het toch duidelijk voor de hand dat de direktie van de Rijkswerf een beetje achteraan moet komen om niet te veel ontevredenheid te zaaien. Deed zij dat niet, dan zoudt gij al heel gauw gevoelen wat gij tekort komt, maar nu door u zoo’n klein kluitje toe te werpen houden zij u kalm. Geloof gerust, dit is geen goedheid van hen, maar zij worden gedwongen. Ik zeg gedwongen, ja, door den vooruitgang die uwe medearbeiders haar opdringen Bedenk toch dat men van patroonsstandpunt niet zoo goed is om te geven wat u toekomt, dit is door alle tijden heen nog afgedwongen moeten worden en dit zal nooit veranderen. Daarom arbeiders, is het uw plicht om niet af te wachten wat anderen voor u doen. Allen u dus aangesloten bij uwe respectieve organisatie, en gij metaalbewerkers in het bijzonder, opdat gij allen medewerk! aan uwe lotsverbetering eu ook ■ aan die van anderen. M. R. De eerste groote strijd der Metaalbewerkers. 1889 Toen de groote dokwerkersstaking van Londen, welke 30.000 man omvatte, door de werklieden was gewonnen, sloeg deze geest ook over op de Rotterdamsche bootwerkers, welke daarop verschillende verbeteringen eischten, doch welke de patroons niet eens beantwoordden. Dit kwam hen echter duur te staan, daar ze na een week staking de strijd hadden gewonnen. Hierdoor overmoedig geworden, begonnen de metaalbewerkers zich te roeren. Hun organisatie telde op dat oogenblik 2500 leden. Hoewel vaneen staking nog niits bekend was, brak deze plotseling uit, doordat aan de fabriek Feijenoord de secretaris Van Oosten werd ontslagen. Dit veroorzaakte op de fabriek zoo’n tumult, dat de politie het terrein deed ontruimen en er 200 man staakten. De stakers eischten : 1. Dat alle personen, die inde zaak Van Oosten betrokken waren, weer zouden worden aangenomen. z. Dat de werktijd zal zijn 10 uur, met behoud van hetzelfde loon wat vroeger in 12 uur werd verdiend. Voor overwerk van 6 tot 8 zal 50 %, voor nachtwerk na 8 uur 100 6/# worden betaald. Kwam op deze eischen vóór 30 November geen bevestigend antwoord, dan zou Maandag 2 December de algemeene staking in het metaalvak uitbreken. Zaterdagavond werd nogmaals vergaderd, doch slechts 700 man was op deze vergadering aanwezig, welke toch besloten om Maandag te staken. Op déze vergadering voerde de Haagsche smid Herwerden en de ontslagen Van Oosten het woord. Over het geheel werd aan de fabrieken van Wilton, Borgerhout en «de Maas« vrij goed gestaakt, maar Feijenoord, waar Van Oosten was ontslagen geworden, staakte bijna niet mede. In het geheel staakten een 900 man, hoewel de vereeniging kort te voren 2500 leden telde. De stakingwas spoedig al aan het verloopen, wat het natuurlijk gevolg was van de weinige overtuiging der leden. Ook een kas ontbrak geheel en al; de zaalhuur kon niet eens betaald worden, zoodat voortaan vergaderd moest worden in het lokaal der sociaal-demokraten aan de Binnenrotte, hoewel ze niet erg soc.-dem. gezind waren, (getuige de ontvangst van Domela Nieuwenhuis aldaar 2 jaar daarvoor). Vrijdags-

38

Sluiten