is toegevoegd aan uw favorieten.

De metaalbewerker; orgaan van de Metaalbewerkersbond in Nederland, jrg 12, 1905, no 17, 12-08-1905

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

d 4 De ÏDetaalbewerher

©rgaan van ben Hlgemeenen /Ifcetaalbewerbersbonb in ifieberlanb, tevens pubicatieorgaan voor ben 3Bonb van /Ksacbinisten en Stobers.

i2e Jaargang.

12 AUGUSTUS 1905.

No. 17.

Evonfc. ’t Is avond. Allesrust en zwijgt Stille. Stil is de vogel en nijgt Tot slapen, zijn kopje gestoken In veeren; en diep weggedoken In gras, rust uit van zijn kweelen De krekel. Kinderen moe van het spelen, Zij slapen en rusten zoo zacht. Van d’akker keert de landman weer, Zijn dagtaak is volbracht. ’t Moe hoofd zonk op zijn borst terneer Hij denkt aan wat hem wacht, Als eens zijn zon ter kimme daalt, En zijn verzwakte hand In ’t werk vereelt, dan bevend faalt Bij ’t sloven op ’t land. Wat baat hem stargeflonker, maneschijn? Wat stille rust? Hij denkt aan arme vrouw en kindekijn Noch onbewust Van ’s levens zorg en last. Het hemelblauw Zoo helder zacht, Hij ’t niet en ziet; slechts d’aard, vaal, dof en grauw. Die nimmer lacht. Tot d’ arme ontmoet zijn blik. Slechts als de dood Die rust hem , biedt, Zijn eerste rust vanaf de wieg, hem in haar schoot Verbergt, dan ziet Hem d’ aarde lachend aan, als spottend met zijn leed. Dan lonkte de zon Hem lieflijk toe, zooals ze nimmer vroeger deed. . X. Zomer-vacantie. We zitten midden inden zomer. Alles gaat of is met vacantie: de Tweede Kamer, de schoolkinderen, de onderwijzers, de kleine en groote ambtenaar, de burgerman ook niet te vergeten. Deze gaat met acht, gene met veertien dagen- en sommigen met vier weken de stad uit. Ze ontvlieden de stad met zijn benauwende atmosfeer, met zijn zenuwachtige drukte. Aan de stations heerscht een drukte van belang. Hand- en zakdoekengewuif, vermaningen aan Jan en Piet, complimenten aan opa en grootma, pakjes voor oom en tante enz. enz., een tot weerzien, goede reis en da-a-a-ag, dat is de prettige drukte die we daar bemerken. Daartusschen in doet de conducteur en het overige treinpersoneel, als gewoon, hun plicht; dat beteekent in dezen tijd met die drukte een stapje harder, een paar zweetdruppels meer. Voor hen geen uitgaan, geen rust. Heet, puffend heet is het, en de mensch is geheel slap; inde schaduw is het nog niet om uitte houden. Mensch en dier voelt de drukkende zwoelte. De groote rijke familiën zijn sedert weken al de stad uit. Hun villa staat leeg en verlaten, daar ze zijn vertrokken naar de bergen, naar de baden Ems, Wiesbaden, Baden-Baden, Karlsbad, Mariënbad, Zwitserland, Tirol, Oostenrijk enz. enz. Daar, daarginds inde baden of op de bergen rusten ze uit van hunne vermoeienissen. Ze blijven er zoo lang het weer gunstig blijft. Hun koffers, die schatten aan costuums en sieraden bergen, worden voortgesjouwd door het dienstpersoneel naar de plaatsen van bestemming. De spoorwegarbeiders bezwijken in deze hitte bijna onder die reusachtige koffers, die zich als bergen opstapelen; en het moet gauw gaan. De aansluiting moest eens gemist worden, ’t Zou verschrikkelijk zijn. Het zijnde bovenste tienduizend, die van het volle heerlijke leven genieten. Voor hen een hemel op aarde. Nooit springt beter in ’t oog de voorrechten van hen, als in deze zomerda gen. Dan bemerken we eerst dubbel hun geluk, hun vreugde en zonneschijn. Geen wonder dat ze dit voor alle eeuwigheid wenschen te behouden. Ja! zij weten het wel wat ze doen. Zij spannen uit van hun denken, ze weten wel dat hun voorrecht alleen bestaan kan ten koste van die groote zwoegende massa. De gezamenlijke kosten van hun reizen, van hun genieten daar inden vreemde, is voor de arbeidende klasse. De onbetaalde arbeid van de proletariërs wordt thans met bankjes van 1000 op de rijkvoorziene tafels inde groote hotels verteerd en uitgegeven. Niettegenstaande dat hoopen zich toch de rijkdommen op en worden duizenden eiken dag gewonnen en inde brandkast opgeborgen, zoodat de rijkdom van hen,

die daarginds op de bergen ineen dolce far niente *) de wereld aan hunne voeten zien, vermeerderd wordt. Als loon daarvoor brengt hij dan als „broodheer” die zorgzaam als vader van zijn groote fabriekskinderen, wellicht een nieuw uniform-loontarief mee. De arbeiders mogen in deze hitte niet genieten van de natuur. Voor hen is geen vacantie weggelegd. De metaalbewerker mag bij dat al voor ’t heete vuur der smidse staan; de klinker mag per dag duizenden slagen maken, om toch maar aan zijn daggeld te komen. De tiran „honger” houdt hen in ’t gareel. Onze arme kameraden, die juist inde zomerdagen inde vunzige stoffige werkplaatsen de tering opliepen, ze mogen zich verheugen om vanuit het voorraam (twee, drie en vier hoog) ineen leunstoel de lieve zon, die tegen iedereen lacht, zooal poëtisch den dichter zingt, te aanschouwen. Enfin, misschien knapt hij daardoor nog wat op, al is het dan voor korten tijc. De zomertud brengt hem dan toch eenige beterschap. Volledige gezondheid, evenals zijn patroon, die voor herstel van gezondheid elk jaar de baden bezoekt, vindt hij niet. Duizenden en nog eens duizenden worden door de rijken der aarde uitgegeven, ook door de metaalbaronnen. Doch als de werklieden vragen, hoe of het zit met de periodieke loonsverhooging, worden ze reeds voor brutaal uitgemaakt. Komen ze om één cent meer per uur, dan wordt hemel en aarde bewogen, ’t Kan er niet af, die concurrentie, weet je, we moeten nu ook alweer zooveel voor dc belasting ...Lr. vooi de ongevallenwet, voor risico enz. Menig arbeider laat zich dan nog inde luren leggen. Gebeurt het, dat de werklieden die om loonsverhooging of om procentengeld voor avond-, Zondag- en nachtarbeid vragen, ook een vereeniging hebben, die dan den oorlog verklaard, dan kost een luttele cent per uur soms weken strijd, Zie eens om u heen, en vooral inde metaalnijverheid. Er is overal strijd, strijd en nog eens strijd. In Zweden staan 17000 man al eenige weken op straat; in Beieren stond de arbeid stil van 25000 onzer vakgenooten; in Hongarije is een groote strijd achter den rug;'in Oostenrijk zijn verschillende conflicten. Al deze stakingen en evenzoo die Eer te lande geweest zijn, onverschillig in welke branche, kosten wel het 10 dubbele vaneen veertiendaagsche vacantie met behoud van loon. Men spreekt van temperen van den klassenstrijd, en meer nog, van harmonie tusschen kapitaal en arbeid en de feiten zeggen ons dat het leugen is. Voor den zwoeger is het werken, tot hij er bij neervalt. Arbeidsvleesch is goedkoop. Hij is slechts geboren om te werken. Hij is geboren met den zadel en den rijke met de sporen. Den arbeider wordt voorgehouden en voorgepreekt, dat in eene andere wereld hem een beter lot wacht, maar intusschen zorgen de preekers dat zij de vetste brokken der aarde binnenpalmen. Voor de reformatie had men ongeveer 100 feestdagen van de 365. De reformatie bracht daarin eene vermindering tot ongeveer ’n goede zestig. Inde middeleeuwen hadden de arbeiders dus veel meer dagen dat er niet gewerkt werd dan thans. Daarom is het best mogelijk eiken arbeider inden zomer veertien dagen vacantie te geven. Dat hij dan ook eens genieten kan, al is* het dan ook maar in ’t Gooi of op de vrije weide, of in het ruischend groen. Dan zou ook hij eens kunnen uitademen, om daarna met nieuwen frisschen moed aan het werk te gaan. Kollega’s, helpt ons in deze richting werkzaam zijn. Blijf niet van verre als een rustig toeschouwer met de armen gekruist over elkaar staan. Komt bij ons, opdat we tezamen toonen, de kracht der organisatie. Gij stoere ridders van den arbeid, gij kunt tezamen dat verkrijgen. Een georganiseerde massa, met energie, met zelfvertrouwen, steunend op elkaar, kan alles verkrijgen. Wat hindert het ons, of de bovenste tienduizend niet terugkeeren en blijven waar ze zijn. Gij arbeidende klasse, gij kunt daarom wel bestaan, veel beter zelfs. Het omgekeerde is echter niet zoo. Als gij werkers den arbeid neerlegt, is de patroonsklasse tot toegeven te brengen. Daarom dan nog eens; sluit u aan. Leve de organisatie! *) Zalig nietsdoen. Vaderlijke zorg en Christelijke weldadigheid, Als men zoo geregeld «De Metaalbewerker leest, dan komt men nog zoo het een en ander aan de weet, hoe het

gesteld is op verschillende fabrieken en werkplaatsen, aan den een mankeert dit, aan den ander dat, maar nog nooit heb ik iets gelezen hoe het nu eigenlijk gaat op of in verschillende gestichten, b.v. gestichten of inrichtingen waar tevens een korps werklieden aan verbonden is, voor onderhoud daarvan. Zouden die werklieden het daar zoo naar hun zin hebben, of is het de slechte organisatiegeest die daar heerscht, die alle wanklanken naar binnen smoort? Het laatste moet helaas waarheid zijn, want de menschen lijden nog meer armoede dan de eigenlijke fabrieksarbeiders, en zullen wij eens een voorbeeld nemen. Aan het krankzinnigengesticht Meerenberg, een gesticht waar geregeld een dertienhonderd patiënten verpleegd worden, daar is natuurlijk een uifgebreid personeel voor noodig, dokters, verplegers (sters), timmerlui, schilders, metselaars, schoenmakers, bakkers, machinisten en ook metaalbewerkers, waarover dan weer bazen gesteld zijn, die toezicht houden over de werken die gebeuren moeten en uitgevoerd worden. De werktijd voor de werklieden is daar ’s winters van ’s morg. 7 tot ’s avonds 7 uur, ’s zomers van 6—-7, dus een uur langer per dag. De loonen zijn te beginnen met f ii- per week en kan men opklimmen tot f 12.—, altijd als er een die fl2.— verdient weggaat of gepensioneerd wordt kan een andere die f 11.— verdient daaivoor inde plaats komen, dit geldt voor het vaste personeel, de losse werklieden hebben allen f 12.— per week. Nu moet men nagaan dat daar in het geheel niets bijkomt, noch voor vaste, noch voor losse werklieden, want er wordt algemeen beweerd dat men vrij wonen heeft of iets dergelijks aan dat gesticht, maar daar is niets van aan, wel wordt bij ziekte of ongeval het volle loon uitgekeerd en wordt men op een gevorderden leeftijd gepensioneerd, maar dat gaat zoo gemakkelijk niet, want er zijn nog werklieden die haast met meer voort kunnen van ouderdom en toch maar doorwerken, is dat geen christelijke weldadigheid ? Nu heb ik eigenlijk het onderwerp op z’n kop gezet door het laatste het eerst te behandelen, want nu moet ik het nog hebben over de vaderlijke zorg die het bestuur van het gesticht aan den dag legt bij het aannemen van werklieden voor den vasten dienst. Bijv. er is een plaats voor een bankwerker open, iemand heeft er op geschreven of komt in persoon zich aanmelden aan het gesticht, vraagt den baas te spreken, wordt welwillend toegelaten, neemt een stoel en gaat zitten, daar wordt dan den bankwerker in wording het eerst de biecht afgenomen, welke bestaat in het afvragen waar de bankwerker alzoo gewerkt heeft, van zijn schooljaren af, wat dan allemaal opgeschreven wordt, als dat gedaan is, wordt gevravgd welk geloof men toegedaan is, en als men bijv. protestant is, of het bestuur van het gesticht dan informatie kan krijgen bij een dominee wat voor een persoon je eigenlijk bent, of wat voor familie je bezit, en omgekeerd R. K. vragen zij naar een pastoor of kapelaan, ook andere personèn zijn goed, bijv. een hoog geplaatste oome uit den soldatenstand, en heeft men per ongeluk niet een van die heeren op de hand, dan beginnen ze niet eens met je. dan kan je wel gaan, maar noem je maar zoo’n vrijer op, dnt wordt natuurlijk opgeschreven, dan moet men maar even wachten, men wacht dan in het portaal en heeft meteen gelegenheid om het een en ander gade te slaan en te lezen ook, want het gesticht hangt vol met prachtige mooie spreuken uit den Bijbel, al ben je nog zoo ongeloovig, je hart gaat er toch van open, tenminste bij het zien van zooveel ongelukkigen om je heen. Maar ter zake. Als men dan een half uur gewacht heeft of soms nog langer, dan moet men bij een klerk komen, die alles weer van voor af aan weten moet hetgeen men opgebiecht heeft bij den baas, wat ineen groot boek opgeschreven wordt. Van dien klerk gaat men maar weer naar het portaal om te wachten tot men voorgesteld wordt aan den geneesheer-directeur van het gesticht, wat natuurlijk ook een popsje duurt, (maar voor zoo’n beste betrekking moet men wat over hebben). Eindelijk krijgt men de boodschap om bij den directeur te komen, men gaat zitten, en dan wordt de biecht uit het groote boek voorgelezen en vraagt de directeur of dat allemaal waarheid is, vraagt dan of je wel inde kerk komt ja, ja, ze zijn bezorgd voor die arme werklui – nu, zegt dan de directeur we zullen eens informeeren en dan zal je er wel van hooren. En dan gaat men welgemoed naar huis en wacht de dingen af die komen zullen, maar wacht er niet op, want het gebeurt ook wel dat je geen taal of teeken meer hoort en is al je moeite voor niemendal geweest. Nü vraag ik hier, is het niet schandelijk, dat op zoo’n inrichting zulke lage loonen betaald worden? Is het niet aan te nemen, dat de werklieden daar allen tevreden zijn? Het is een wonder dat men daar niet hoort van het toeëigenen door zulke werklieden met zulk laag loon om toch maar door de wereld te komen. Of blijft dat soms achter de muren van dat gesticht? Zeker, het bestuur van Meerenberg wil nette, degelijke menschen in het gesticht laten werken, en dat vind ik ook goed gezien, maar dan ook gemaakt dat die menschen netjes kunnen blijven, want het bestuur kan toch wel begrijpen, dat een huisgezin, stel maar voor van vader, moeder en 3 kinderen dat is niet zoo erg groot gezin, van f 11.— per week niet fatsoenlijk en netjes kan leven. Of zou bet aar de werklieden zelf liggen, dat zij nooit getracht hebben hun toestand te verbeteren, als dat het geval is, wordt het toch hoog tijd