is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1937, no 4, 23-10-1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat leert de Duitse jeugd van heden ons?

In een der moderne, Duitse schoolboekjes verzucht een jongen: „Als ik maar eerst groot ben, dan word ik Hitlersoldaat.” Wanneer wij zoiets lezen, beseffen wij weer, hoe men in Duitsland bezig is uit de jeugd het hechtste bolwerk van het Nazi-régime te maken. Voortdurend wordt de bewondering van de jeugd voor de huidige regering levend gehouden en dus gezorgd voor de nodige aanvulling en versterking van dit bewind. En wij voelen, dat een regering, die zich weet te doen bewonderen, die het idealisme van de jeugd weet te gebruiken, sterk is.

Afgezien nu van het doel, waarop de Duitse jeugd gericht wordt en ook afgezien van de middelen, die toegepast worden, dat alles is gruwelijk genoeg moeten wij erkennen, dat hier begrip voor de realiteit leeft. Men maakt een dankbaar gebruik van de kennis der kinderziel en voedt een jeugd op, die zin in het leven ziet, een doel heeft en ook levenslust. Het is nodig dit te begrijpen, willen wij de kracht der Hitlerbeweging, de zwakheid der eigen opvoeding en de mogelijkheden, die wij moeten aangrijpen, verstaan. Dat het hier in ons land niet mogelijk is dat een schoolboekjesschrijver een kmd mde mond geeft Als Ik maar eerst groot ben, dan word ik Colijn- of Albarda-soldaat”, mogen wy een deugd achten, dat neemt niet weg, dat in Duitsland sprake is van een binding der kinderziel, van een geloof in autoriteiten, waarzonder het kind met kan en waardoor het Duitse kind in zekere zin sterker in het leven staat dan het kind hier.

Wat het verschil is tussen de Duitse jeugd van nu en die van vroeger of, wat hetzelfde is, tussen de Duitse jeugd nu en de onze nu, wordt ons duidelijk, wanneer wij de uitingen der jeugdleiders nagaan. Een van hen schreef in „Wille und Macht” o.a. het volgende '): „Ikzelf heb een zware, treurige jeugd gehad. Ik was, ofschoon ik

‘)Aangeliaald in „Het Vaderland.” van 6 Aug. j.l.

vol razende vreugde was, vaak zeer ongelukkig. De school was voor mij een kwelling,” en verder: „Het lag aan de tijd. De leraren wisten evenmin raad met zichzelf en hun tijd als wij. Er bestond geen gemeenschappelijk punt, waarheen men zich kon richten. Alles ging uit elkander. Wij gingen alleen met onze stomme hersens naar school, hart en lichaam bleven buiten de deur.” Een andere jeugdleider gaf als zijn mening te kennen: „De wereld van een enkel begrip, het begrip van de plicht, heeft de eilandjes van betweterij overstroomd. Uit een massa van vele enkelingen is ons volk tot een front van kameraden geworden, die weten, dat elk voor zich en een voor allen zijn leveii moet op het spel zetten om het leven te winnen.” Het is hetzelfde, als wat Baldur von Schirach onlangs verklaarde: „Het derde deel van de geleerden en staatsdienaars, die aan de schrijftafel geketend zijn, is lichamelijk gebrekkig en in de rnacht van den daemon der hypochondrie. Hier zou men van hogerhand moeten ingrijpen om tenminste de komende generaties voor dergelijke ellende te bewaren.”

_ Natuurlijk, wij kunnen ons van deze afmaken, door te vragen: „En «nort of de soldaterii de onlossing wu irnnnpn blijmoedig leert brengen, de Als wij dan maar zien, dat daarmee niet zijn. leder, die nog J vervelend en hoe onvrucht_ vaak sterk de examendril heerste en inpompte, om zo mogelijk weer te vergeten, is ge- J onderschfijven. Zeker, ik weet wel hersengymnastiek en algemene ontwikkeling, die men ons toen goedgunstig leerde genieten.

En de benauwenis, het uitzichtloze, dat je toen en ook later op de universiteit, dank 4 veel grauwe theorie bekroop, het heeft ook wel zijn lichtzijde gehad, want hetl leerde je denken en deed je voortdurend beseffen, dat de Wagner-figuur: „Zwar weisz ich viel, doch mocht’ ich alles wissen” had uitgediend. Maar... hoeveel procent der nu afgestudeerden denken met vreugde terug aan die jaren van vorming en hoe weinigen zitten niet stikvol „vrome wensen?” Was het niet zo, dat „het gemeenschappelijk punt, waarheen je je kon richten”, iets was, dat de school je net niet gaf en dat het leven misschien toevallig schonk,... als dat gebeurde? En is niet een stuk van het beste in jezelf vergroeid door dit alles, zo niet verstikt? |

Duitsland kan ons weinig leren. Maar wel leert het ons begrijpen, welke reacties mogelijk zijn, ook hier. De romantiek van het grote doel, waarvoor men zich geheel geeft, moge in het buurland zijn bepaalde gevolgen hebben, die wij haten en verachten, met de uitspraak: „Nou ja, zo is de Duitser”, zijn wij er niet. Want dit verlangen zich geheel te geven en een gericht leven te kennen, de realiteit van het offer dagelijks te verstaan, dat alles leeft in iedere jongere, ook hier. En veel van het enkel maar materialistische, van het brute: Sla je er doorheen! dat zovele moderne intellectuelen kenmerkt, vindt ook zijn verklaring in de simpele richtlij nigheid, de mogelijkheid tot de volledige overgave, die men in een andere levenshouding niet heeft leren ontdekken. In zoverre zou men kunnen zeggen, dat Duitsland verder is dan wij zijn. Maar, als men het zo ziet, dringt des te sterker de plicht, het verlangen der jeugd hier anders te richten dan daar geschiedt. De jeugd hier moet een zin in het leven zien en een weg gewezen krijgen om op eigen wijze die zin te ontdekken en te verwezenlijken. De jeugd moet echter weten, dat deze zin in de geest ligt, in de dienst aan die waarden, die het leven vertrapt, in Duitsland en hier, maar die nochtans de eeuwige waarden blijven. J. KALMA.

de Jodenvervolgingen in Rusland, waar onder het Czarisme duizenden Joden naar Siberië werden verbannen of vermoord.

Er was volgens ons geen sprake van Christendom, zelfs hier in Nederland niet, waar men in de venen de gedwongen winkelnering had en een armoedige bevolking door het zogenaamde bollejagen verbetering trachtte te krijgen. In het Bildt werden de arbeiders oproerig en staakten. De woorden van Broedertrouw en hun leider Jan Stap waren op aller lippen. Was dat een Christelijke samenleving? Wij beweerden maar steevast: het Christendom moest de mensen aanvuren om tegen deze toestanden te strijden. De Kerk behoorde op te komen voor de verdrukten en de verongelijkten. Het werd een ware debating-club, die echter niet goed eindigde. Dominé beweerde dat wij ons een rad voor ogen lieten draaien door Domela Nieuwenhuis en consorten. Wij beweerden, dat het nog te bezien stond, wie ons een rad voor ogen draaide en wij hielden vast aan onze overtuiging. Wij hielden het met de opkomende volksbeweging en meenden, dat de Kerk moest staan aan de kant van de verdrukten op grond van het Christendom. Het einde van die avond was droevig. Dominéé werd kwaad, wij werden kwaad, ja ’t ging zo-ver, dat dominéé er niet meer op gesteld was om op deze manier verder met ons te catechiseren.

Toen we ’s avonds op de buurt wandelden, besloten enige mijner kameraden en ik niet weer te komen.

Dominé was niet meer op ons gesteld en wij kwamen verder dan ooit van de Kerk te staan. Wij wilden eigenlijk niet meer naar de Kerk toe. Ofschoon Moeder niet in alle opzichten met mij meeging, kreeg ze mij die winter niet weer ter catechisatie, ja begon zelfs naar onze kant over hellen. Wij, moeder en vader en kinderen, gingen langzamerhand zover, dat wij niets meer van de kerk moesten hebben... en toch... als we ’s avonds thuis zaten en moeder sprak rnet ons over het Christendom, dan waren wij het allen roerend eens: „Het Christendom is het hoogste, wat men zich denken kan”, maar de kerk laat de noden van het volk aan zich voorbijgaan; zonder iets te doen om onze samenleving zo mogelijk te verbeteren en in de richting te sturen naar een werkelijk Christelijke maatschappij. De kerk was steeds zonder critiek op de treurige toestanden, waaronder de mensen leefden. De kerk belicht niet de maatschappij onder het licht van het Christendom. Zij geeft geen richtlijnen aan, wat toch volgens ons zo bitter nodig is... Maar ik word misschien te uitvoerig en dus zal ik mij bekorten. Tenslotte ben ik toch weer dichter bij de kerk gekomen en naar ik meen niet, omdat ik van mening veranderd ben. Dat ik later weer tamelijk

geregeld naar de kerk ben gegaan, is gekomen, doordat er andere predikanten kwamen, die wel in naam van het Christendom de maatschappij aan critiek onderwierpen, die wel toornden tegen slechte toestanden en die uitgingen van het bekende woord: ~De aarde is des Heren, mitsgaders hare volheid”,

Ik bedoel die socialistische predikanten, die hun orgaan ~De Blijde Wereld dienstbaar maakten om ook de samenleving te belichten onder het Christendom. Dat verzoende mij dermate met de kerk, dat ik eindelijk lidmaat ben geworden van de kerk en aangenomen ben door een socialistischen dominé. En zolang de „Blijde Wereld heeft bestaan en nu haar arbeid onder de naam van Tijd en Taak voortzet en zelfs heeft uitgebreid heb ik steeds met grote voldoening en instemming de mooie artikels gelezen, die steeds getuigen van een Christendom, dat niet is voor de binnenkamer alleen, maar een Christendom, dat ons aanvuurt om te strijden en te vechten, ja ook naar binnen, tegen zichzelf, tegen zijn hartstochten en tegen al het slechte in ons, maar ook naar buiten critiek uitoefent, de samenleving toetst aan het Christendom, richtlijnen vaststelt en opwekt en aanvuurt tot die hoge strijd, die onze samenleving tot een werkelijk Christelijke zal moeten maken,

E. v. d. MEULEN.