is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1937, no 8, 20-11-1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vrouw en het aardse

O-Lan, jij bent de aarde”; met dit ietwat irreemde slot eindigt de zeer bijzondere film ~De goede aarde”.

O-Lan is de vrouw van een Chinesen boer, die haar gehele leven heeft meegezwoegd op het land, dat hun voedsel of hongersnood gaf, maar dat toch de goede aarde voor hen is gebleven. Dank zij de vrouw, die er in tijden van bittere nood hetzij door het lichaam, hetzij door de ziel geleden —• steeds op bleef aandringen bij de aarde te blijven of naar het land terug te keren. Het is dus, zo gezien, niet verwonderlijk dat haar man na het ogenblik waarop hij haar in dit leven verloren heeft, uitroept: „O-Lan, jij bent de aarde.” Want voor hem is zij de eenvoudige, de zuivere geweest, die wist dat hij alleen als eenvoudige boer zijn bestemming kon volgen en niet als een rijke nagemaakte heer, die zijn pleziertjes zoekt.

Toch heeft, naar ik meen, de scenarioschrijver meer bedoeld met deze slotzin. Zeer waarschijnlijk is voor hem, als voor zovele mannen, de vrouw inderdaad de verpersoonlijking, het symbool van de aarde, van het aardse. Dat behoeft in het geheel niet met het lagere vereenzelvigd te worden. Integendeel, wie ooit het prachtige ebbenhouten beeld van Hildo Krop zag, dat deze zelfde gedachte uit wil beelden, weet wel beter. Het zijn juist de idealistische mannen en niet alleen de goede onder de nat.-socialisten die zo denken. Het zijn de mannen, die de vrouw vereren als de verpersoonlijking van het natuurlijke, het vruchtbare.

Nu leven ongetwijfeld de meeste vrouwen onbewust nog dichter bij de natuur dan de man. Geen wonder, waar het eeuwen lang hun taak was en is om het jonge leven in natuurlijke zin te hoeden.

Maar is het nu ook juist om dit te idealiseren, om dit als de allerhoogste bestemming van de vrouw te zien? Is het b.v. waar, dat O-Lan daardoor haar man redde toen hij op het hellend vlak was en dreigde geheel naar omlaag te storten?

Voor mijn gevoel wordt hier een grote fout gemaakt door van valse vooronderstellingen in plaats van Van nauwkeurige waarneming uit te gaan. Laten we bij de dappere en grote Chinese vrouw blijven. Waardoor kon zij het grote leed dragen, dat de natuur haar en haar gezin te dragen gaf? Wat gaf haar de kracht het onnoemelijke leed te torsen niet alleen, maar ook te verwerken, dat haar man haar aandeed toen hij een tweede vrouw in huis haalde? Dat was in het geheel niet de aarde in haar.

Want volgens de natuur in de vrouw had ze in het laatste geval opstandig moeten worden; ze zou de vrouw niet op deze wijze in huis hebben kunnen dulden en ze zou haar man voor zich hebben trachten terug te winnen met alle kleine, maar sterke middelen die een vrouw daartoe ter beschikking staan. Dat zij zichzelf

kon blijven, de waardige eenvoudige vrouw, dat dankte zij niet aan de aarde in haar, maar aan de hemel zo u wilt.

Niet de natuurlijke kracht hield haar staande, maar de geestelijke; de kracht van de gelouterde ziel. Omdat zij werkelijk liefhad, wist ze wat overgave betekende. Maar omdat ze misschien door hetgeen ze als slaaf in het „Grote Huis” had ondervonden tot persoonlijkheid was uitgegroeid, was ze tot meer dan gewone overgave, was ze tot zelfverloochening in staat. Niet in dienst van haar man zonder meer, maar in dienst van zijn hogere bestemming. Daarom was ze hem tot een wezenlijke hulp. Want de bestemming van de man, zoioel als van de vrouv/, de bestemming van de mens is om boven de aarde uit te groeien, terwijl men toch met haar verbonden blijft.

De mensslijke bestemming is immers om tot de ontdekking te komen, dat er meer is dan het aardse; ja, dat het aardse leven slechts zin heeft als dienst aan het andere, het geestelijke, het Goddelijke. Dit Goddelijke kan men niet door de aarde leren kennen, tenzij als haar tegendeel. Want het Goddelijke is het volstrekt andere dan het aardse. Daarom is de vrouw evenals de man meer dan een symbool van het aardse. Als mens zijn beiden ook een symbool van het Goddelijke. Man én vrouw schiep Hij ze, naar Zijn beeld.

W. H. KUIN—HARTTORFF.

Herfstmorgen

Zilver glanst Segtemberhemel boven het druk gewemel der mensen met hun zorgen. Zilver strooit de nieuwe morgen over de wereld.

Zilversluiers doorweven de lucht, hangen te beven tussen de najaarsbomen, boven de velden, de stromen, boven de wereld.

Zilver wordt mijn ziel en glanzend, ’k Ga door de morgen dansend. Lichter wordt het al lichter. Dichter nadert mij al dichter ’t Hart van de wereld.

God, ik moest mij voor u schamen, dat er zoveel klachten kwamen van mijn liggen, dat ik zolang door uw wereld doolde, bang in mijn kleine wereld.

Ach, vergeef mij ’t zwak vertrouwen, van mijn harte het benauwen. Gij, Gij waart mij zeer nabij. God, ik dank u, ’k ben zo blij met uw schone wereld.

L. G. VAN DOORN.

Spanningen in het Religieus-Socialisme

/. Het Rooms-KathoUcisme A

Religieus-socialisme is de verzamelnaam voor verschillende overtuigingen, die hierin één zijn, dat zij het het religieuze en het socialistische beginsel tot levende harmonie willen verbinden. Voorlopig werk genoeg; ook eenheid genoeg voor onderlinge verstandhouding en, zoveel mogelijk samenwerking. Maar dan toch ook weer een betrekkelijke en gedeeltelijke samenwerking; dan toch een eenheid niet zonder spanningen en tegenstellingen.

Wij religieuze socialisten, immers denken niet gelijk; noch over de inhoud en de methoden van het socialistische streven, noch over de inhoud van de religieuze waarheid. Blijven wij niet staan bij de algemene zin van onze gemeenschappelijke denkwijze, maar komen wij tot nadere karakteristiek en inhoudsbepaling, dan vinden wij diepe insnijdingen die ons verdelen misschien verborgen in meerdere of mindere mate, maar onverbiddelijk tot toenemende openbaarwording bestemd.

Ik denk met name aan drieërlei godsdienstige overtuiging die in het religieuze socialisme te onderscheiden valt, zij het met vloeiende grenzen en meer of minder nadrukkelijk vertegenwoordigd in actuele organisaties. Men kan het godsdienstige gevatten in de zin van het Rooms-Katholic sme, men kan het bedoelen als Orthodox-Protestantisme; men kan'het verstaan als Vrijzinnig Protestantisme of religieus humanisme. Wie, als schrijver dezes, zich tot de laatste dezer drie groepen rekent, moet de beide andere afwijzen en ook voor een deel bestrijden, zij het niet zonder instemming voor een ander deel en bereidheid om, waar mogelijk, de eenheid niet te kort te doen. Over een en ander te schrijven heeft een ietwat hachelijke kant, maar het moge verstaan worden als een poging om de klaarheid te bewaren en rekenschap te geven.

De vraag naar de verhouding tussen Roomskatholicisme en socialisme is een moeilijk vraagstuk op zichzelf. De scherpe tegenstelling die in ~Rerum Novarum” dror paus Leo XIII tussen beiden werd gemaakt is in de encycliek „Quadagesimo Anno” van paus Pius XI althans gematigder voorgesteld. Men heeft.

zegt deze laatste paus, een zekere overeenkomst te erkennen in de christelijke eisen van rechtvaardigheid en liefde en het socialistische gemeenschapsstreven .Ook heeft „het socialisme inderdaad grote veranderingen ondergaan”; het is, althans in zijn democratische vormen minder gewelddadig en behoedzamer van aard geworden. Toch, vergis u niet;

„al houdt het socialisme, zoals alle dwalingen, enige waarheid in... toch steunt het op een leer van de menselijke maatschappij, haar eigen en in strijd met het ware Christendom. Religieus-socialisme, christelijk-socialisrr.e is innerlijke tegenspraak; niemand kan tegelijk een goed katholiek zijn en tevens een waar socialist.”

Dat het bij zulke pauselijke uitspraken voor den rooms-katholiek moeilijk is zich bij een socialistisch streven aan te sluiten is duidelijk. Intussen weten wij hoe de termen „goed katholiek” en „waar socialist” voor verschillende uitleg ruimte laten; wij weten ook hoe vele gezaghebbende woordvoerders en trouwe aanhangers van de rooms-katholieke kerk nadrukkelijk hunne socialistische overtuiging hebben uitgesproken. Een religieus-socialisme in rooms-katholieke zin is dus denkbaar en ook bestaande, terwijl de voortgaande ontmoetingen van katholieken en socialisten dwingen tot het zich rekenschap geven van elkanders overtuigingsinhoud in ons land in toenemende mate naarmate de „uiterste noodzaak” nader in zicht zou komen.

Wij staan dus voor de vraag, wat wij te denken hebben van de godsdienstige gedachte in rooms-katholieke zin. De vraag dus allereerst wat die gedachte inhoudt; wat de inhoud is van het rooms-katholieke geloof. Een zo veel omvattende vraag, kan men zeggen, dat het haast onbehoorlijk mag heten om daarop het antwoord te willen geven in enkele regels. Hier immers betreft het een groot geloof s-, leer- en kerksysteem; een groeisel en bouwsel der eeuwen, dat men niet benaderen kan zonder kennis van de historie en van de geestesinhoud van zovele geloofsgetuigen en denkers, die hun bijdragen gaven aan dit machtige geheel.

Maar juist ook omdat het hier geldt een systeem, een dogmatisch en kerkelijk systeem, waarin de religie een vorm kreeg, is het mo-

Louise Rainer in de film „De goede aarde”.