is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1937, no 11, 11-12-1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE MENS IN ZIJN VRIJE TIJD

Spanningen in het Religieus-Socialisme

/V. Het orthodoxe Protestantisme B

Ook van het Orthodoxe Protestantisme kunnen wij zeggen wat wij zeiden van het Rooms-Katholicisme; het kost ons geen moeite om daariri grote en ware trekken te erkennen.

FIGUURZAGEN

Hier, bij deze zestiende-eeuwse hervormers alvast, is de kracht van een gesloten geloofsstijl, met al de hartstocht die daarin brandende is. Welk een gestalte deze Maarten Luther, die stand houdt voor keizers en pausen met zijn onsterfelijk gewetenswoord: „het is niet veilig noch raadzaam iets tegen het geweten te doen. Hier sta ik. ik kan niet anders, God helpe mij, Amen”! Of welk een macht ook in dezen Calvijn, die Genève brengt onder de tucht der gerechtigheid en die met zijn ~Institutie” het geloof van geslachten een vorm geeft, een wereldbeschouwing, een godsdienstig stelsel, een maatschappij- en staatsleer tegelijk. En als Calvinistische geloofsformulieren deze leer ronddragen onder de duizenden, dan is er diepte van godsdienstig gemoedsleven in verborgen, als in die oude Catechismus met zijn driedeling van des mensen ellende, verlossing en dankbaarheid de ellende, dat die mens voor het heilige oordeel niet kan bestaan, zijn verlossing door het Christusoffer, zijn dankbaarheid voor het ontsloten heU, die zich nu ook tonen kan en wil, zij het nog maar als een „klein beginsel van gehoorzaamheid”.

Hier is alle mensenverheerlijking ver en alle roem is uitgesloten; alle leven, historie, heil is gegrond in de absolute goddelijke almacht en het ondoorgrondelijke goddelijke raadsbesluit. En met het „Soli Deo gloria” op de lippen zijn de protestantse martelaren bereid andermaal in het vuur en de dood te gaan, wortelend in eeuwiger grond dan mensenmacht en mensenwUlekeur, sterke strijders, als in Nederlands vrijheidsworsteling, voor de onafhankelijkheid van hun geloof en van hun volksbestaan. * * *

Maar alweer, bij deze erkenning kan het niet blijven zonder meer, er zijn heel andere trekken aan het beeld van deze historische godsdienstigheid. Luther, Zwlngli, Calvijn met de hunnen waren kinderen van hun tijd, met al het betrekkelijke, gebrekkige en averechtse dat ook daarin medesprak. Hun godsdienstige opvattingen zijn gebouwd op de onderstellingen van hun dagen; hun gebrekkige natuur- en geschiedenis-kennis, hun oncritische bijbelbeschouwing.

Als Luther verneemt hoe een nieuwe natuur-

wetenschap leert dat de aarde maar een kleine planeet is die wentelt om de zon en de zon één van talloze sterren, dan noemt hij Copernicus een dwaas, die de hele ~Kunst Astronomia” omkeren wil en hij houdt zich aan de oude, geocentrische, bijbelse scheppingsleer. Voor Calvijn is alsmede het bijbelse woord beslissend en op zijn voetspoor verklaart de „Belijdenis des Geloofs”; „Alle deze boeken ontvangen wij voor heilig en kanoniek, om ons geloof daarnaar te reguleren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen. En wij geloven zonder enige twijfeling al wat daarin begrepen i 5...” In zijn duistere waan is voor dezen Calvijn heel de wereld van duivelse machten en boze geesten doorspookt en hij beveelt een zalf aan waarmee men heksen vangen kan, die dan uiteraard moeten branden.

De God van Calvijn is de willekeurige despoot, die uitverkiest en verwerpt naar zijn welbehagen, zowel ten aanzien van het hemelse heU als van het aardse; hij geeft de ene moeder volle en de andere ledige borsten; hij redt den verdwaalde uit het woud of uit de kerker of hij laat hem er in verloren gaan; hij maakt de rijke rijk en de arme arm, en zo, zegt Calvijn, leert ons dus de wijsheid Salomo’s ~dat Godt die alle mensen verlicht, niet blindt en is en vermaent also d’arme tot geduld en lijdtsaemheit”. Ook wordt voor de gelovige de hemelse uitverkiezing nog heerlijker wanneer hij zijn staat met die der eeuwig verdoemden vergelijken kan; „deze eeuwige en onverdiende genade van onze Verkiezing” aldus de Dordtse Leerregels —■ „wijst en prijst ons de H. Schrift allermeest daarmede aan, dat zij wijders getuigt, dat niet alle mensen zijn verkoren, maar sommigen niet verkoren, of m Gods eeuwige Verkiezing voorbijgegaan, namelijk die, welke God naar zijn gans vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen besloten heeft in de gemene ellende te laten, in de welke zij zichzelve door hun eigene schuld hebben gestort ” Zo zullen dan in dè eeuwige hel de bozen branden en de uitverkorenen zullen verklaart de „Belijdenis des Geloofs” „de schrikkelijke wrake zien, dié God tegen de goddelozen doen zal, die hen getiranniseerd, verdrukt en gekweld zullen hebben in deze wereld. Dewelke overwonnen zullen worden door het getuigenis hunner eigene conscientiën, en zullen onsterfelijk worden, doch in zulker voege, dat het zal zijn om gepijnigd te worden in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.”

Is het wonder dat de woordvoerders van zulk een harde verdoemenisleer harde handen gehad hebben ook op de aarde? Calvijn was niet alleen de hervormer van Genève, maar

ook de dictator en de beul voor wlen wij huiveren; ~reeds in de eerste vijf jaren van Calvijns heerschappij werden in de betrekkelijk kleine stad dertien mensen gehangen, tien onthoofd, vijf en dertig verbrand, bovendien zes en zeventig van huis en hof verjaagd, de velen niet meegerekend, die tijdig de terreur ontvluchtten”.’)

Of lees maar hoe de Calvinisten van Hollands ~Gouden Eeuw” hebben geregeerd, gevochten en gekoloniseerd; hoe de godvruchtige Coen de Banda’ers pijnigde, vierendeelde en uitroeide, God en de ~Heeren Zeventien” zijn eigen voordeel niet te vergeten —■ ter Ook „sprak dat” immers „vanzelf”; „God, die den zwarte geschapen had om voor den blanke te werken, had tussen de keerkringen ook de rotan geplant, ten einde bij de onwillige arbeider daarginds het peinzen over persoonlijke aangelegenheden, op ogenblikken dat dit geen pas gaf, tegen te gaan en hem aan zijn eigenlijke roeping te herinneren. Het leven was een ernstige zaak: dit moesten ook de negers leren gevoelen, en in het gemeen de volken welke in Oost en West onze schatplichtigen geworden waren’”). * * *

Neen, bij een Protestantisme met zulke onderstellingen en zulk een godsdienstige en zedelijke inhoud kon het niet blijven. Het is al te betrekkelijk, gebrekkig, en ten dele averechts; het is te ver van de wetenschappelijke, zedelijke, godsdienstige waarheid verwijderd. Het wereldbeeld dat er in verondersteld wordt is het middeleeuwse wereldbeeld, dat nog niet weet van de resultaten en de consequenties van een nieuwere natuurwetenschap en wijsbegeerte. De Bijbelbeschouwing waarvan het uitgaat, ofschoon niet zonder een heenwijzing ook naar het „getuigenis des Geestes” in onze harten, is de niet gerechtvaardigde opvatting dat wij aan de voorstellingen der Bijbelschrijvers het gezag van goddelijke openbaring en dus volstrekte geldigheid zouden moeten toekennen; het weet de bijbelse letterkunde nog niet te lezen met voldoende oordeel des onderscheids en critisch-bewuste blik. De Godsgedachte die het vanzelfsprekend leert heeft al te mensvormige, willekeurige trekken en de leer van de verlossing door het zoenbloed van Christus, is, hoe begrijpelijk ook van oorsprong en hoe diep van zin, daarmede nog niet gerechtvaardigd voor een evangelisch geloof en het godsdienstig nadenken.

Ook is het niet voldoende dat hier de historische voorstellingen verbleken en de grenzen vervloeien. Hier kan men niet met minder toe dan met een principieel onderzoek naar feiten en beginselen. Heel de opgave van een zelfstandige en onafhankelijke waarheidsarbeid is als roeping en nood opgelegd aan een nieuw geslacht, althans wanneer het godsdienstige waarheid zoekt en die alleen. Waarbij zulk een waarheidzoekend geslacht andermaal een noodzakelijke eis van gedachte- geloofs- en gewetensvrijheid te handhaven heeft, op kerkelijk en staatkundig gebied, tegenover de pretenties ook van een orthodox-Protestantisme. (Wordt vervolgd). G. HORREÜS DE HAAS.

') Vgl. G. Horreüs de Haas, Socialisme en Levensbeschouwing, Amsterdam 1937. Pag. 70. ") Johan van der Woude, Coen, consequent koopman. Den Haag, 1937. ’) Cd. Busken Huet, Het Land van Rembrandt. Haarlem 1901. He Dl. IVe hoofdst. pag. 14.

BOEKBESPREKING

De Wandelaar. Uitg. A. G. Schoonderbeek, Laren.

Er liggen nog twee nummers van dit maandblad te wachten op bespreking, de nummers van herfstmaand en wijnmaand, en het Novembernummer is reeds op komst. Dit tijdschrift is als een museumgids, die ons schoonheid wijst, waaraan we anders zouden voorbijgaan en die dit op prettige en duidelijke wijze doet zonder gebruik van vaktermen, die alleen voor de ingewijden zijn. Zoals men zich om zulk een gids dicht groepeert en aandachtig luistert, zo volgen ook zeer velen dezen gids, die ons rondleidt door het allerrijkste en schoonste museum, dat der schepping en die ons zo veel leert kennen en bewonderen. Ook tegenover de natuur zijn zovelen ziende blind: dit maandblad leert scherp en zuiver zien en daarbij met vreugde de schoonheid en het wonder van het natuurleven beschouwen en genieten. J. A. B.