is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 17, 22-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONS GESPREK

God in de Natuur?

Een van onze lezers voelt zich toch niet tevreden gesteld met wat tot nog toe in het midden is gebracht:

Graag zou ik mij ook willen mengen in uw „gesprek” met de jongeren.

U denkt, dat u en de ander misschien langs elkaar heen praat, en ik kan mij zo goed indenken, dat dit zo is. Ik kan mij voorstellen, dat zowel die eerste jongere ais die van het laatste gesprek, het anders bedoelen dan u het in hoofdzaak begrepen hebt. Misschien is oorzaak, dat de eerste de naam Darwin noemde. U hebt daaruit afgeleid, dat hij ~de natuurwetenschap bedoelt” en „de natuurwet tot enige wet verklaart” en „de wetenschap beschouwt ais grond van geloof” ook (zoals u in het laatste gesprek zegt) dat hij „de mensenwereld uit de natuur wil verklaren”.

Ik kan mij voorstellen, dat zij beiden iets geheel anders bedoelen, en dat de eerste Darwin allen heeft genoemd ais één, die een bepaalde ontwikkelingsgang heeft trachten te verklaren. Maar het lijkt mij, dat niet de wetenschap ais „geloofsgrond” is bedoeld, maar het „gegrepen zijn door het Wonder, dat zich in de natuur openbaart”.

Da primitieve instincten van het dier (ook in de mens aanwezig) zijn een bepaald aspect, dat ons toont, hoe volgens ons mensaiijk oordeel levende wezens niet volmaakt zijn het Wonder wordt er niet minder Wonder door.

U zelf hebt dit ~gegrepen zijn” zo dikwijls heel precies onder woorden gebracht, b.v. in „Wat dunkt u van de mens?” op biz. 114— 135—139.

Alleen vraag ik mij bij blz. 135 af: „Zijn het werkelijk de eenvoudige, kinderlijke harten die zo door innerlijke intuïtie verlicht worden?” Ik meen, dat dit niet zo is. Een enkel voorbeeld is b.v. Henriëtte Roland Holst, die toch niet eenvoudig en kinderlijk is, maar een zeldzaam veelzijdig, denkend en zich verantwoordelijk voelend wezen en bij wie deze innerlijke Intuïtie altijd door tot vernieuwing leidt. En al is die intuïtie in sommige tijden veel sterker dan in andere tijden, het „gegrepen zijn” niet altijd evenzeer dóórdringend tot het bewustzijn, het „weten ervan” is toch eigenlijk nooit afwezig, voor wie dit gevoel eenmaal kent, zoals Verwey het heeft uitgedrukt: „Maar mijn gepeins is in me als ’t brongeruisch in diepen grond van bergen, rusteloos onvindbaar, toch aanwezig, en een noot van frischheid, sterk door alle stilte en hoorbaar door al ’t geluid dat nacht of dag doorstijgt.” Er is één zin in „Wat dunkt u van de mens?”, die ik altijd met grote verbazing herlees, n.l. op blz. 114—115: „Ik verwacht geen tegenspraak tegen de stelling, dat ieder normaal mens de cosmische ontroering kent.” Eigenlijk zou ik die stelling juist met de grootste overtuiging willen tegenspreken.

Het schijnt mij, dat het helaas slechts weinigen gegeven is, de cosmische ontroering te kennen. Zoals ik het begrijp, zou er veel meer „levend geloof” zijn als de cosmische ontroering méér algemeen gekend werd en een vermenselijking en daardoor (voor mijn gevoel) ontwijding van het Godsbegrip, als nu b.v. in de Oxford-beweging, zou dan niet bij zo velen mogelijk zijn.

Er heeft jaren geleden een verhaaltje in de studenten-almanak gestaan, waarin ik een grote waarheid vond uitgesproken. Het heette „Het Wonder” en was de geschiedenis van een wijze, die zijn volk, dat de Grote Verwondering niet kent, doet beseffen, dat er een Wonder is.

Hij brengt de mensen naar de zee en de kinderen vragen hun ouders: ~Is dit het Wonder?”, maar de ouders, die weten dat de zee daar altijd is, zeggen: „Welneen, dat is de zee.” Zij zien de zon ondergaan en de kinderen vragen: „Is dit het Wonder?” De ouders zeggen: „Welneen”, want zij weten, dat de zon elke avond ondergaat. Dan, na de samen in het donker doorwaakte nacht, zien zij het

dag worden. Nu zijn zij ontvankeiijk. geworden en ieren het Wonder beseffen, leren de Grote Verwondering.

Hetzelfde zegt Gezeile ook zo prachtig in „Het ruischen van het ranke riet”. Ik herinner mij, dat u eens, sprekend voor de V.P.R.O. vertelde, hoe een dominé, die u in een heel moeilijke tijd wilde helpen, u raadde: „Kijk naar die mooie bloem”. U zei daarbij met grote overtuiging: „Maar het is niet waar, dat de schoonheid van een bloem de vertwijfelende mens kan troosten.”

Die uiting lokt in mij tegenspraak uit. Ik weet door eigen ervaring en ook door die van anderen met zekerheid, welk een geweldige troost en vernieuwing er kan uitgaan van de schoonheid, b.v. van een bloem vooral om iets in ons, wat op die schoonheid reageert, eigenlijk juist dat, wat u noemt „innerlijk verlicht worden” en „langs de weg der intuïtie God zien”.

Vooral wanneer het een leed is, niet door mensen aangedaan, is deze troost en vernieuwing soms onuitsprekelijk. Bij acuut lijden door mensenschuid is het anders.

Ik kan mij niet voorstellen, dat in de oorlog de schoonheid van een bloem zou kunnen herstellen, wat in ons wordt bedreigd: ons geloof in de mens. Dat geloof zuilen wij dan (meen ik) alleen in onszelf kunnen redden door te denken aan hoogste mensen-uitingen en mensen-daden, bovenal aan dat voor mijn gevoel allerhoogste woord: „Vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen.” Met dit laatste zeg ik al, dat voor mij het Wonder van de onuitputtelijke natuur en de Grote Verwondering daarover niet de enige en ook niet de diepste Geloofsgrond is maar wei schijnt het mij dikwijls, dat bij de meeste geiovenden die Grote Verwondering niet bestaat en dus ook niet erkend kan worden als grond van Geloof.

Die Verwondering hoeft niet te blijven bij dat, wat wij met onze zintuigen (of liever: door onze zintuigen heen) leren kennen. Hoe meer zij óók wordt gewekt door innerlijk, geestelijk leven, des te dieper en heiliger wordt zij, des te meer wordt zij tot Geloof: niet alléén meer in het Levens-Wonder en het Schoonheids-Wonder, maar ook (om met uw eigen woorden te spreken) in „het hoogste goed, het heil dat ons leven vol maakt van een onbreekbare vreugde, de liefde die haar onuitputtelijke geheimen openvouwt in de harten, die zij begenadigt, de geest der waarheid, die steeds vernieuwend menselijke verdwazing doorbreekt.” („Wat dunkt u van de mens?”, blz. 118 en 119). Maar u knoopt daar de gedachte aan vast, dat dit alles is: „van een andere orde en aard dan die des mensen”. Precies de tegenovergestelde gedachte is ook mogelijk: „dit alles wordt ons in onszelf geopenbaard wij zijn dus nog heel iets anders dan ons schijnbare, van buiten-af waarneembare zelf en onverbrekelijk aan de Eeuwige Liefde, de Eeuwige Waarheid, de Al-ziel verbonden.”

Ditzelfde haalt u op blz. 131 ook aan uit de Oepanishads, en daarna het prachtig beeld: „zoals vonken uit een laaiend vuur.” Wie het zó zich voorstelt, begrijpt begrip-

pen als „ik” „zelf” „leven” (enz.) eigenlijk als dubbele begrippen; het éne spreekt van het schijnbare „ik”, „zelf”, „leven”, zoals het binnen ons bewust waarnemingsvermogen ligt: het andere begrip bedoelt het eigenlijke „ik” (enz.), dat wij erkennen als voor een heel klein deel binnen onze gezichtskring en verder voor onszelf onkenbaar, ondoorgrondelijk, onbegrensd niet te scheiden van de grond van alle Leven.

Uit: Een winter aan zee Eens zag schoonheid haar kans schoon: jubel en verrukking ontvlamden trans na trans der stad. Dood niet, doch leven doofde ’t, behoedzaam schikking treffend met heil. Met haar voortaan zich af te geven beteekent doodsgevaar. A. ROLAND HOLST.

Moeder

Moeder, of ik wat regels wijd, Aan bloemen of aan eeuwigheid, ’i Verlost niet van de last.

Die uwe rug gebogen houdt. Nu gij, zo uitgebrand en oud, Niet meer in ’t leven past.

Al wordt mijn naam in druk verspreid. Al win ik mij onsterflijkheid, U zwoegde, wijl ik zong. Daarom schrijf ik nu, grijs op grijs, De boodschap van de hoge prijs. Die ik van U bedong.

JAC. VAN DER STER.

5e Religieus Socialistisch Congres te Amsterdam op 26 en 27 Februari a.s.

Goed voorbeeld ter navolging

Ons verzoek om goede wenken ten aanzien van goedkoop vervoer naar Amsterdam en terug is o.a. beantwoord door een lezer uit Wassenaar op de volgende wijze:

„Wellicht zijn er onder ons, die in ’t bezit van een auto zijn. Wanneer nu diegenen hun Vrij e plaatsen beschikbaar stelden, zouden, dunkt mij, op deze wijze velen gratis vervoerd kunnen worden. Ik bied twee plaatsen aan.”

PROBLEEM. Het is ons bekend, dat in enkele R.S.G.’s de mogelijkheid bestaat om per gezelschapsauto nog goedkoper te reizen dan per spoor tegen het sterk verlaagde tarief. Als niet een voldoend aantal mensen zich aanmeiden, dan zou aan do voorwaarden voor een overeenkomst voor dit sterk verlaagd tarief voor vervoer per spoor door ons niet zijn te voldoen. Wie met minstens tien man komt, zou dan nog ’n gezelsehapsbiljct kunnen nemen, maar de verspreide leden worden dan het slachtoffer en dat mag niet. Hoe lossen wij dit probleem op? Daartoe eerst even ’n ander punt.

KAARTVERKOOP. We zullen voor dit vijfde Congres een voorverkoop der toegangskaarten moeten regelen. De congreszaal kan slechts 900 mensen bevatten en we zien wel aankomen, dat er meer liefhebbers zijn. Eerlijkheidshalve zullen we daarom dc 900 toeganeskaarten moeten verdelen over de bestaande R.S.G.’s met dien verstande, dat ook de verspreide, niet bij een R.S.G. aangesloten, congresgangers een kaart zullen kunnen bemachtigen.

We komen echter, w.at de organisatie betreft, niet uit door 900 kaarten te laten drukken en die te verdelen, want de mogelijkheid blijft bestaan, dat de R.S.G. te A. z’n kaarten kwijt is en nee moet verkopen, terwijl er in 8., waar minder intensief gewerkt is, nog grote voorraad is en ook Amsterdam niet kan helpen.

Het bureau te Amsterdam moet dus regelmatig op de hoogte blijven van de verkoop om de nodige aanwijzingen te kunnen geven.

De secretarissen zullen dan ook wekelijks een bericht moeten insturen. Ze krijgen daartoe een formuliertje toegezonden.

De kaarten zullen vermoedelijk wel al in het bezit zijn van de secretariaten der R.S.G.’s en anders komen ze morgen of overmorgen. Er blijven dan vijf weken om te werken aan de voorverkoop. We verwachten dat ieder z’n plicht doet.

En nu de oplossing van het vervoerprobleem voor dc verspreide leden:

In dit nummer is een circulaire gevouwen met invulstrook voor deelname.

Allen die per spoor denken te komen dus niet alleen de verspreide leden maar allen moeten ons door inzending van de ingevulde strook zo spoedig mogelijk een indruk geven van het totaal aantal te verwachten bezoekers per trein.

We kunnen dan toch nog een regeling treffen waarin het minstens mogelijk zal zijn, ook voor de verspreide mensen het tarief van gezelschapsbiljetten te bedingen. Daarom: niet dralen met toezending der strook.

Correspon.dentie-adres: Stadionweg 312, Amsterdam. Giro-nummer van het Congres: 318 7 3 7.