is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 20, 12-02-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kritische kroniek

MULTATULIANA

J. Saks: „Eduard Douwes Dekker”; Brusse, Rotterdam 1937.

e verhouding van de oudere generatie van marxistische socialisten tot Multatuli, die nog hun tijdgenoot was, heeft voor latere beschouwers iets buitengemeen merkwaardigs. Het spel van bewondering en kritiek, door het grUlige karakter van Multatuli toch reeds gecompliceerd bij iedere beoordelaar, die niet verblind pro of stompzinnig contra is, wordt bij Marxisten nog méér verwikkeld, doordat Multatuli’s invloed op het Nederlandse socialisme onmiskenbaar groot is geweest, en tegelijk zijn politieke opvattingen meer op verlicht despotisme gelijken, dan op democratie. Doch ook het feit, dat men deze geniale schrijver wil verklaren uit zijn periode, en telkens weer naar maatschappelijke factoren zoekt, die deze mens hebben bepaald, heeft zijn gevolgen. Onbedoeld verkleint men gemakkelijk de dingen, die men verklaard acht. Wie Multatuli „begrijpt” uit verschillende omstandigheden, is hem te boven. Alleen reeds uit de herhaaldelijkheid, waarmee Multatuli zijn verklaarders dwong hem telkens opnieuw te „verklaren”, blijkt echter, hoe zeer in zijn persoonlijkheid en zijn kunstenaarschap een onverklaarbare rest schuilt, die we eenvoudig hebben te aanvaarden als het geniale.

Het boek van Saks, een verzameling opstellen, ontstaan tussen 1920 en 1937 het eeuwjaar van de geboorte, het halve-eeuw-jaar van de dood heeft in wijze van behandeiing en literaire stijl die onverantwoorde toon van lichte superioriteit, welke mij op sommige ogenblikken nameioos irriteert, Saks, voortreffelijk maar ietwat verouderd stylist uit de school van Busken Huet, schrijft soms vrij moeilijke maar meestal heldere, overzichtelijke en haast wiskundig gebouwde betogen. Hij geeft niet toe aan het principe, dat beweren beter zou zijn dan bewijzen; integendeel. Met veel toewijding groepeert hij de gegevens; met talent reconstrueert hij de omstandigheden; met volstrekte logica trekt hij zijn conclusies. Evenwel: wat logisch behoorlijk sluit, kan psychologisch wel een dwaasheid zijn. Men behoeft niet véél van Multatuli te kennen, om zeker te zijn van diens eigen typering: een vat vol tegenstrijdigheden. Voor Saks bestaan echter tegenstrijdigheden alleen om ze te vereffenen. Twee gegevens, die elkander weerspreken, zijn voor hem geen bewijs voor de waarachtige excentriciteit van Douwes Dekker, maar uitsluitend een reden om één van beide gegevens voor onjuist, verdicht of misvormd, te houden.

Met name in de laatste afdeling van zijn boek, waar hij zich geheel bezighoudt met de kernkwestie: het ontslag te Lebak in het voorjaar van 1856, wordt dit logische redeneren

een voortdurende belemmering voor het zien van de wérkelijke innerlijke zowel als openlijke conflicten. Wie niet vast houdt aan het officieel door een later onderzoek bevestigde feit, dat de adsistent-resident Douwes Dekker gehéél gelijk had, en voorts aan het even onbetwistbare feit, dat Dekker een nerveus en impulsief man was, is buiten staat ook maar iets te begrijpen van Lebak. De uiterst beheerste, uitnemend gedocumenteerde, strikt verstandelijk betogende wijze van beschouwing moge in staat zijn voortreffelijke resultaten op te leveren bij figuren als Potgieter of Brest van Kempen. Ten aanzien van den eruptieven en onevenwichtigen, maar tenslotte ook nog genialen Multatuli schiet deze trant beslissend tekort, hoeveel voortreffelijks er ook in bijzaken te waarderen overblijft.

E. du Perron: „De man van Lebak”; Querido, Amsterdam 1937.

Het is het voorrecht van later levenden, de geschiedenis te kunnen zien met ogen als van een god: kennende de afloop. Het is voor een objectieve beoordeling nodig van dit voorrecht slechts een beperkt gebruik te maken, want de motieven der vroegere mensen konden slechts rekening houden met verwachtingen, waar wij zekerheden, met losse feiten, waar wij symptomatische verschijnselen zien. Maar anderzijds is het zinloos het genoemde voorrecht prijs te geven: immers juist de afloop verstrekt ons de gegevens, nodig om in het voorgaande belangrijk van onbelangrijk te scheiden. Het drama van Lebak is belangrijk, omdat het de aanvang was van het proza van Multatuli. Zich bezig te houden met Dekker’s gedragingen gedurende zijn zeventien Indische dienstjaren, is niet een studie in de historie van de ambtenarij in Indonesië, maar een poging tot verklaring van den lateren schrijver.

Het is duidelijk, dat men hier staat voor de wezenlijke moeilijkheid van alle historische wetenschap: zoekende naar de factoren die het verdere verloop hebben bepaald, tegelijk eerlijk te blijven tegenover de personen en opvattingen die historisch ongelijk hebben gekregen, maar dit tijdens hun leven onmogelijk konden voorzien. Voor den resident Brest van Kempen was de adsistent-resident Douwes Dekker een ondergeschikt ambtenaar; wat zou hij anders kunnen zijn? Voor ons is Brest van Kempen een te verwaarlozen raadje in de bestuursmachine, en Dekker een scheppend kunstenaar van onovertroffen begaafdheid. Ónmogelijk kan daarom het oordeel van den tijdgenoot overeenstemmen met het inzicht van het nageslacht. En stellig is het een bewijs van een ongewone persoonlijkheid, wanneer iemand ook bij het nageslacht de opvattingen onderling strijdig iaat blijven. Van de grote Nederlanders verheugen zich enkel Erasmus, Multatuli en Gorter in zulk een eerbiedwekkende omstredenheid.

Het buitengewone van Du Perron’s boek ligt in de hoge mate, waarin hij kans heeft gezien het standpunt van den tijdgenoot en zijn eigen moderne standpunt te combineren. Met volkomen kennis van de haast onafzienbare rij Multatuli-studies en met absolute beheersing van de argurfienten pro en contra, heeft Du Perron het leven van den ambtenaar Dekker beschreven, nimmer vergetend dat dit leven uitliep op het grandioze schrijverschap, maar ook zelden vergetend dat zijn mede-ambtenaren dit niet konden weten.

Doch wat dit studieuze boek vooral zo aantrekkelijk maakt, vooral wanneer men door het toeval van een gelijktijdige publicatie het leest na de opstellen van Saks, is de milde psychologie van het paradoxale, die hier werkt als een bevrijdende waarheid. Du Perron dwingt zijn held niet in een keurslijf van logische overwegingen, maar gunt hem een hoge mate van tegenstrijdige gedachten en daden. De waarheid omtrent Multatuli moet paradoxaal zijn: dit te hebben uitgesproken en bewezen zou reeds een waarde zijn. Doch dit voelbaar te maken in sfeer en betoogtrant, zodat de lezer een overigens met citaten en bewijzen volgepropt pleidooi leest als een boeiende roman, is een waarde te meer.

Toch voel ik zelfs bij dit boek, dat, ik voor het begrip van onzen grootsten prozaschrijver voortaan onmisbaar acht, nog een ernstige lacune, die ik bij de vele andere publicaties

uiteraard nog sterker heb gevoeld. De schulden van Douwes Dekker, zijn slordigheid in de administratie, zijn omgang met vrouwen, zijn verwaarlozing van naastbijliggende plichten, enzovoort, vormen bewijsbare feiten.

De „deurwaarders”, zoals Du Perron de talloze afstammelingen van Droogstoppel noemt, die vooral na Multatuli’s sterven zijn leven hebben afgekeurd, beschouwen deze feiten als gronden voor een moreel doodvonnis, dat zij dan bovendien gaarne tot een artistiek doodvonnis willen uitbreiden. De Multatulianen, indien zij niet de feiten verdoezelden, waren toch grif bereid aan het bewonderde genie wel een aantal buitenissigheden te vergeven.

Maar waarom is nimmer nagegaan, in welke mate de fouten van Douwes Dekker als ambtenaar in zijn tijd vrij algemeen, althans niet uitzonderlijk waren?

Klopte bij alle anderen de kas altijd? Verzocht nooit een andere verlofganger om een voorschot? Waren alle overige adsistent-residenten onberispelijk in alle opzichten? Er zijn spaarzame gegevens, die het tegendeel doen vermoeden. Wanneer dit waarlijk het geval zou zijn, ontvalt meteen aan drie kwart van al wat zo moeizaam door snuffelaars is samengezocht de overdreven bewijskracht.

Het zal toch nog nodig wezen, eens vast te stellen in welke graad de excentriciteiten van den ambtenaar die Douwes Dekker was, kunnen gelden als excentriciteiten van den negentiende-eeuwsen indischen ambtenaar als zodanig. Eerst daarna wordt het mogelijk ook de vóór-multatuliaanse tijd van Dekker te zien met de objectiviteit, die hem begrijpt, zónder hem te verkleinen.

G. STUIVELING.

(Vervolg van pagina 5)

van wrok, wraak, hoon en haat, zullen wij ons weer nieuw moeten bezinnen op de waarheid en waarden, ook thans nog levend voor ons in die Oud-Testamentische kern, en hieruit, evenals Christus dat deed, bezieling, levensstimulans moeten putten voor heden en toekomst.

Tot de wet en de getuigenis! Anders zal er voor ons mensen geen dageraad, geen toekomst zijn! Ja, Jesaja, wij willen naar uw machtige stem, die over de eeuwen heen tot ons klinkt, tot ons verstokt en verstard in stelsels van ideologie en vormendienst, weer eerbiedig luisteren; wij zullen weer teruggaan tot wat in de oud-testamentische schriftuur aan onvergankelijke waarheid en waarde voor ons besloten leeft, om ons hiermede weer een fundament te scheppen voor het heden, waarop in de toekomst een nieuwe waarlijk levende Christelijke, Evangelische mensengemeenschap kan worden gebouwd, tot heil van ons zelf, ons volk en alle volken der aarde.

ANDREAS GLOTZBACH.

Ingezonden

In de besprekingen over de vraag naar de betekenis der religie voor de komst ener nieuwe samenleving, uitgelokt door Bart de Ligt met zijn artikel in „Bevrijding” naar aanleiding van mijn boekje „Christus nochtans”, komen enige malle misverstanden ten opzichte van mijn persoon voor. Het onderwerp is belangrijk genoeg anders had De Ligt zijn artikel niet als eerste in zijn blad laten verschijnen doch het persoonlijke erin betreur ik. Het vertroebelt. En hoewel ik gewoonlijk niet inga op wat mij persoonlijk raakt, moet ik terwille van het beginsel, dat ik verdedig, die misverstanden even aanduiden. De redactie heeft voor dit „ingezonden” wel een plaatsje.

Allereerst ben ik weer als anarcho-communist gestempeld. Ik weet niet of ermee bedoeld wordt, dat ik vóór wapengeweld zou zijn. In elk geval moet ik mij juist de laatste tijd er weer telkens tegen verdedigen, dat ik een gewelds-commumst zou zijn. Misschien kan ik aan dit misverstand langs deze weg voorgoed een eind maken. Inderdaad heb ik mij met mijn geestverwanten enige jaren zo genoemd, maar dan steeds met de toevoeging „religieus”.

Toen echter Rusland zijn m.i. verkeerde draai begon te nemen, liet ik de naam varen en aanvaardde die van anarcho-socialist. Het anarchisme is voor mij aanduiding van de vrije persoonlijkheid, die het laatste en hoogste gezag vindt in zichzelf.

’t Liefst zou ik mij vrij-socialist noemen, om een zo algemeen mogelijke naam te hebben voor de aanduiding ener samenleving op de nieuwe grondslag van vrijheid en menselijkheid: deze naam wordt echter door een bepaalde groep gevoerd, met welke ik slechts zeer ten dele sympathiseer en die het geweld niet principieel uitschakelt, Sociaal-democraat was mij van mijn studententijd af teveel aanduiding van een parlementaire richting, die nu eenmaal niet bij mij past. Veel blijft er niet over. Mits vergezeld van een duidelijke uitlegging, kan ik mij anarchosocialist noemen. Doch sinds 1914 ben ik altijd voorstander geweest van boven-gewelddadige middelen. Welk fatum mij altijd weer het odium opdrukt van een „geweldscommunlst” te zijn, weet ik niet.

De revival-bewegingen, waarin ik mijn eerste bevrijding uit kleinburgerlijk-dogmatische benepenheid heb gevoirden, heb ik van het begin af veel critischer gezien, dan De Ligt mij toedicht. Bovendien was alle contact uit, toen ik socialist werd, wat men daar niet verdroeg. En „Oxford” heeft mij zó geirritoerd, dat ik, die gaarne ook elders geestesverwantschap ontdek ik ben nu eenmaal sterk synthetisch ingesteld een boekje uitgaf in de stijl van Oxford, waarin ik gefingeerde „onuitgesproken” Oxfordgetuigenissen opnam, die voor den goeden verstaander een ernstige critiek op de Oxford-beweging inhielden. Vanaf mijn studententijd geloof ik in een eenheid van rechts en links, boven de verdeeldheid dus uit van de richtingen.