is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 21, 19-02-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan hen

die voor ’t eerst kennis maken met „Tijd en Taak” het vriendelijk verzoek: van de inhoud rustig kennis te nemen en na lezing het blad zo mogelijk door te geven aan wie ook ’n kleiner of groter aandeel pleegt te nemen in de strijd om verwezenlijking van geestelijke waarden.

Dit geldt in de eerste plaats voor bij het onderwijs betrokkenen, aan wie dit nummer ter kennismaking wordt gezonden.

Wie van hen daartoe de wens te kennen geeft, kan nog enige weken gratis een proefnummer van „Tijd en Taak” ontvangen. Wil men liever ter nadere kennismaking iets bijdragen in de kosten, dan geeft men zich op als kwartaal-abonné. Men betaalt dan negentig cent (tenzij men wacht tot de kwitantie wordt aangeboden, dan komen er 15 cent kosten bij) en ontvangt „Tijd en Taak” gedurende drie maanden. Door het schrijven van een briefkaartje is, indien men dat wil, het abonnement eventueel weer opgezegd.

Hst kan gebeuren, dat aan eenzelfde persoon in zijn verschillende functies meerdere exemplaren van dit nummer zullen worden toegezonden. Zo kan b.v. een onderwijsman of een ambtenaar lid zijn van een of meer commissies voor maatschappelijk werk, waardoor hij twee of meer nummers ontvangt. We herhalen voor dezulken hst verzoek dat hierboven reeds is gedaan: geef het blad door, zodat van deze propaganda, die geld kost, niet méér verloren gaat dan strikt nodig is. Het zou zonde en jammer zijn, als deze krant ongelezen of, nadat er vluchtig een blik is ingeslagen, in de prullemand terecht zou komen; daarom nog eens het verzoek aan de nieuweling: geef het door.

„Tijd en Taak” zal in de tweede plaats een groot aantal mensen bereiken, die het blad kennen van vroeger, toen ze abonné zijn geweest, doch cm welke reden dan ook, hebben opgehouden lezer te zijn. Zij zullen ongetwijfeld de kennismaking willen hernieuwen, tenzij de financiën dit botweg verhinderen. Mogen we hen vriendelijk verzoeken in dit geval niet afzijdig te blijven, doch ’n briefkaartje te schrijven aan het correspondentie-adres dat hieronder is vermeld?

Het Congres en „Tijd en Taak” zijn beide te zien als pogingen om de zaak van het religieussocialisme te dienen. Wie van dichtbij een kijk wil hebbsn op de inhoud en de organisatie van het religieus-socialisme, hij of zij melde zich als deelnemer aan het congres door de strook in te vullen van de circulaire, die in dit nummer is gevouwen en waarop bijzonderheden zijn vermeld.

Dit Congres is dus geen bijeenkomst van afgevaardigden, maar een openbare demonstratie van allen, „die de versterking van de geestelijke en religieuze krachten in de wereld, met name in dienst van socialisme en democratie, nocdzakelijk achten en de verhouding Christendom-Sccialisme, zoals die thans bestaat, gewijzigd willen zien in de richting van dieper begrip en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.”

Zaterdagavond 26 Februari zal dr. G. Horreüs de Haas een wijdingsavond leiden in de Vrije Gemeente.

Deze bijeenkomst is ook toegankelijk voor niet-congresbezoekers. De toegangsprijs bedraagt dan 20 cent.

Zondag 27 Februari worden de beide zittingen van het congres gehouden in Krasnapolsky. Men zie verder het in dit nummer afgedrukte programma en vrage nadere inlichtingen aan het hieronder vermelde correspondentie-adres.

De toegangsprijs voor het congres en de wijdingsavond samen bedraagt een gulden.

Correspondentie-adres voor „Tijd en Taak” en van het Bureau van het 5e Religieus-Socialistisch Congres: Stadionweg 312, Amsterdam.

N.B. We verwachten een vijfhonderd congresbezoekers van buiten Amsterdam, waarvoor gratis onderdak is toegezegd voor de nacht van Zaterdag op Zondag. Zaterdagavond na afloop van de wij ding sbijeenkomst komen de gasten. Zondagochtend na het ontbijt vertrekken ze weer. We hebben op ’t ogenblik méér vraag dan aanbod voor logies en doen ’n beroep op ieder die gelegenheid heeft iemand voor die nacht te herbergen.

De Bijbel, het boek voor ons persoonlijk en gemeenschappelijk leven

DE TIEN GEBODEN

Een mens, een volk werd verlost uit de worgende greep van een geslacht, dat in de dood de bron van vroomheid vond, de afgestorvenen verheerlijkte, vereeuwigde, maar de levenden drukte en doemde tot harde arbeidsdienst (Exodus 1 : 14); drukte met zware belastingen (Genesis 47 : 24); een land, rijk aan paarden en vechtwagens, waarin al het vertrouwen werd gesteld (Jesaja 31 : 1); waarin alleen de vorsten en priesters bevoorrechte standen waren, terwijl het volk, de ongeletterden, de leken, werd aangezet tot een rusteloos zwoegen, gebruikt als materiaal en middel voor het bouwen van machtige paleizen, graftempels, schansen en wallen, of in zware veldarbeid tot verrijking van hun machtige broodheren, terwijl het woonde in lage tochtige krotten en het nodigste aan voedsel en warmte moest ontberen.

Maar zij zijn uitgetrokken, geestdrift in hen, God in hen, heeft het juk van de al te zware arbeidsdienst gebroken; het schrijnend onrecht aan al die weerlozen begaan, werd gezien; hun geschrei en gejammer om de woedevuist van hun drijvers, hun smart en dagelijkse ellende, werd gehoord vond weerklank in door God gegrepen edele harten, die nu hun leven wijdden aan de armen en verdrukten, de weerlozen met hun enigst verweer van klacht en tranen. En dit volk werd losgerukt uit de steeds zwaarder drukkende band van loon- en heredienst, uit de siaafse staat, waarin zij niets meer telden voor hun meesters dan de ovens waarvoor zij zwoegden, niet meer dan het materiaal, dat zij tot scherp wapenstaal omsmeedden. Zij werden losgerukt met een sterke arm; Zo staat het geschreven en zo is het gebeurd; eerst na veei strijd en weerstreven werd het volk bevrijd, met geweld en ten koste van veel eerstgeboren, bloeiend leven! Maar dit is nu voorbij... lang geleden reeds en het volk heeft zijn maatschappelijke vrijheid gewonnen; het heeft stem gekregen in het koor der mensheid, al klinkt dit nu nog niet miiden harmonieus, maar vaak nog verbitterd en verbeten vanwege de benauwdheid des geestes en de harde dienstbaarheid (Exodus 6:8).

Een jarenlange zwerftocht naar het beloofde land, een goed en ruim land, een land met overvloed van voedsel en vruchten, voor elk genoeg, begon. Zij wisten het doel, het ideaal, dat hen voorzweefde, als een lichtende wolk, het brandde als een ondoofbaar vuur in hun harten; Een land te zullen vinden voor hen en hun kinderen, waar zij in vrede en vreugde voor goed zouden wonen; ongestoord en niet opgeschrikt door de krijsende stem der drijvers, van enkele geweldigen, die „hun” mensen gebruikten, misbruikten om eigen lichamelijke en geestelijke baat, en zich niet ontzagen, daarvoor het hartebloed van het volk als offer te vragen. Neen, zij zouden als één volk van makkers, broeders leven in een staat, waar rede en recht zouden heersen over roes en onrecht, waar mensen geen buit en prooi zouden zijn van mensen; zij zouden één heilig volk zijn, een priesterlijk volk, geen bezit van enkele machtswellustigen, tyrannen, die het volk als hun machines gebruikten in hun ondernemingen, maar een vrij fier volk, dat niet het hoofd buigt voor mensen, al dragen zij ook de titel van dictators of koningen, maar het eigendom zouden zijn van God, de Geest, de scheppende Oppermacht van het Leven in een iand, op een aarde, door God geschapen voor de mensenkinderen, opdat zij daar eeuwig zouden werken en wonen en in vrede zouden ieven met elkaar. (Exodus 19 : 5—6.)

Zij wisten; naar die staat waren zij op weg; zij wisten ook, dat zij daarheen gestuwd, geleid werden door één God, één Al-macht, die z:ch noemde: Ik zal zijn, die Ik zijn zal inderdaad, een vaag-omlijnde, niet concreet te omschrijven God der toekomst, die wel bestond als de hoogste, al het, bestaande dragende en bezielende Idee, maar nog tot werkelijkheid worden moest in de komende tijden. Is het te verwonderen, dat zij op hun dwaal-

en dooltochten vaak de moed verloren, aan wanhoop, verbittering en wrok ten prooi vielen, en in hun radeloosheid terugverlangden naar hun vroegere staat van knechtschap, waar zij het wel slecht hadden, maar toch waren opgenomen in een bepaalde stabiele levensorde, waarvan zij de onderste lagen vormden! Aangegrepen door een nog onbekenden God, die zich eerst in de toekomst duidelijk en definitief zou openbaren, die hen verlost had uit het diensthuis, ja, maar hen ook had overgeleverd aan een woestijn van onzekerheden, waren zij als blinden tastend naar een weg, een uitweg in hun verwildering en ontreddering; zij waren vrij, zij konden zich enigszins uitleven zoals zij wilden, en werden, eerst slaven van anderen, nu slaven van zich zelf, van hun eigen zinnendriften; uitspattingen in bandeloze begeerten, die kiemen verwekten van verpestende ziekten; hun eigen door de jaren heen in het diensthuis onderdrukte levensinstincten braken zich baan en ontaardden in een grof en bloot egoïsme, waarin ieder individu streefde naar een hoogst mogelijke vermeerdering en verrijking van het zo lang ontbeerde levensgenot, blind-kortzichtig voorbijziende aan de behoeften en belangen van anderen.

Het is duidelijk, dat dit leiden moest, na de periode van verstarring en opgeslokt-zijn in die oude cultuurstaat, waarin de doden lééfden en de levenden doden waren en gedood werden, tot een steeds verder-vretende versplintering en ontaarding; wanneer de ongebondenheid welig woekert, de splijtzwam tiert, brokkelt het samenhangend geheel af in talloze ik-delen, die elk voor zich denken en handelen alsof zij het centrum zijn waarbuiten niets bestaat! Het is op dat moment, dat Gods Geest ingrijpt, om de mens en het volk als mens-heid, voor volkomen ondergang te behoeden; Het geweten ontwaakt! het besef, de bezinning, dat we zo niet langer kunnen doorgaan, wij worden ons bewust van onze zondige staat, onze zondige drang, die uitlopen moet op de vernietiging van lichaam en ziel. Gods Geest herleeft in ons en wij horen een stem: Wanneer ge naar Mijn stem luisteren wilt, gehoorzamen zult en Mijn verbond wilt houden, dan (Exodus 19 : 5).

Wij worstelen met die goddelijke stem van het geweten, wroeging woelt in ons en opeens, een nieuw bewustzijn ontwaakt en geeft het aanzijn aan de wetten, de tien geboden, die de vorm zijn, waarin het geweten, het goddeiijk redelijk, zedelijk bewustzijn, dat al het bestaande draagt en bezielt, zich aan en in ons uitdrukt, openbaart (Exodus 20). Geboren uit onze huidige lichaams- en zielenood, die een barensnood bleek te zijn, wijzen deze Ingeschapen Goddelijke geboden mens en mensheid de weg, die leidt naar het beloofde land, het eeuwig leven;

1. Gij zult geen andere machten naast God erkennen of dienen. 2. Gij zult geen beelden maken of vormen tot gelijkenis van zon, maan en sterren, van dingen, dieren, mensen (man noch maagd), of van enige levend schepsel op aarde, in de lucht of in het water, om u daarvoor biddend te buigen in diensten.

3. Gij zult God-en-mensen niet in drift en woede vervloeken; niet in hebzucht lasteren en misbruiken. 4. Vijf dagen zult ge werken en met vreugde uw taak doen in de gemeenschap; maar daarna zult ge rusten en het leven-op-aarde heiligen en zegenen.

5. Gij zult uw vader en moeder eren, dankbaar voor het menszijn op aarde zo lang ge moogt leven in het land waar ge werkt en woont. 6. Gij zult niet doden, noch u zelf noch de evenmensen. 7. Gij zult niet begeren om kort genot de vrouw van uw evenmens; Gij zult hiervoor uw huwelijk niet ontbinden.

8. Gij zult niet stelen, niet begeren goed en bloed van uw evenmensen. 9. Gij zult uw evenmens niet beliegen, belasteren of bedriegen.

10. Heb uw evenmens lief, leeft als makkers met elkaar, want gij zljt allen mensen.

ANDREAS GLOTZBACH.