is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 24, 12-03-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„De eerste fase van de scfioolstrijd in Nederland''

De dissertatie van dr. A. M. van der Giezen met bovenstaande titel is als deel XIII van Van Gorcums Historische Bibliotheek (prijs: ingenaaid /2.50) verschenen. De uitgave is mogelijk gemaakt door het Zeeuws Genootschap voor Wetenschappen en door het Nederlands Onderwijzersgenootschap, waardoor het boek al dadelijk een bijzondere aandacht trekt. Het Hoofdbestuur van genoemd N.O.G. wenste, zoals het meedeelt in zijn orgaan Het Schoo blad, te voorkomen, „dat deze dissertatie, als zovele andere, na de promotie zou verdwijnen in het schemerdonker der binnen- en buiteniandse bibliotheken, zonder zijn taak te hebben volbracht: klaarheid te brengen over de oorsprong van een der gewichtigste cultuurproblemen in ons vaderland, de schoolstrijd”.

Deze oorsprong ligt, zo wü dr. Van der Giezen aantonen, in onze Franse tijd, speciaal in de jaren 1795—1806, zodat de lezer achtereenvolgens kennis gaat maken met onze wetten op het lager onderwijs van 1801, 1803 en 1806. Niet alieen echter met de wetten, maar met de langdurige, slepende processen, die ze moesten voorbereiden en volgen: adviezen en contra-adviezen, beslissingen in gunstige en ongunstige zin, mislukte en geslaagde pogingen tot invoering. En het officiële en niet-off’ciële volksleven rondom deze schoolwetten wordt natuurlijk in verband gebracht met de algemene situatie van ons land in deze jaren, die vorm aannam in de grondwetten van 1798, 1801 en 1805. Machtsverhoudingen komen daarin tot uiting van elkander bestrijdende binnenlandse krachten, niet minder ook van buitenlandse en wel Franse, revolutionaire en reactionaire stromingen. Men kan eigenlijk veel beter dan in een algemeen werk, in zu'k een speciaal-studie als hier voor ons ligt, een revolutie en action beschouwen, een verloop in daden en feiten, die beter dan welke theorie of verhandeling ook, ons een omwenteling in haar ware wezen leert kennen: de aanzwelling van de stroom, de botsing tegen het oude bolwerk, de inwerking daarop door tal van gaten en kanalen heen, de weerstand der taaie kleimassa, het wijken van brokken hier en het standhouden daar, de doorbraak op sommige punten, het overstromen van het dorre land dat op zijn hoogste plekken nog droog blijft, het voortvloeien van het bevruchtend water, echter niet meer de heldere stroom van de aanvang, doch een troebel nat, dat eerst in de loop der jaren zijn goede werk zal doen.

De schrijver heeft een enorme hoeveelheid materiaal moeten dóórwerken om ons in staat te stellen deze Franse tijd (1795—1806) te leren kennen, voor zover hij kenbaar was uit onderwijsstukken; tezamen ~verscheidene kilo’s gewicht”, zoals hij in „Het Schoolblad” schrijft. Maar de aandachtige lezer het boek eist zelfs van hem nog vrij veel inspanning zal den schrijver voor zijn moeite dankbaar zijn. Hier liggen de bronnen van tal van algemene en van onderwijskundige vraagstukken, waarvan wij noemen: dat der „neutraiiteit” van het lager onderwijs, van de strijd om de school tussen kerk en staat, van de vrijheid van onderwijs, van de strijd tussen de moderne staat en oude ambachtsheerlijke rechten, van de vrijheid van den onderwijzer en zijn geestelijke en maatschappelijke positie, van de waarde der volksontwikkeling en haar gevaren voor de heersende of de begeerde maatschappelijke orde, van de geestelijke strijd tussen „Verlichting”, hand in hand met de Rede, een macht, vooral belichaamd in de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, en de leerstelligheid van orthodox Protestantisme en Katholicisme, van het nog steeds kwellend vraagstuk der standenschool. Ge ziet, lezer, het geheel tintelt van leven, voor wie het aandachtig nagaat, want niet is elk vraagstuk op zichzelf beschreven, als een geheel, maar de schrijver is historisch te werk gegaan, zodat ge een reeks van momenten krijgt, waarin deze vraagstukken zijn samengeknoopt. Ze zouden in tal van artikelen kunnen worden uiteengelegd en zo een nieuw, populair geheel weer vormen.

In een blad als Tijd en Taak, dat geen

schoolblad is, kan dit niet geschieden, en daarom heb ik mij voorgesteld, slechts een tweetal der bedoelde vraagstukken hier wat uitvoeriger weer te geven, om tenslotte de vraag te bespreken, of het boek inderdaad voor de „schoolstrijd” onzer dagen zo belangrijk is, als de schrijver het wil doen zijn. en als blijkbaar ook het Hoofdbestuur van ’t N.O.G. meent. Eerst dan over de algemene kwestie der verhouding tussen de door de Revolutie als ideaal gestelde éénheidsstaat, democratisch gedacht natuurlijk, en de aangevallen oude aristocratische bondsstaat; van de krachten der laatste echter alleen maar die van het feudalisme, verpersoonlijkt in de plattelands-ambachtsheren.

Deze hadden vóór de Franse revolutie, in ons land vóór 1795 dus, in vele streken het recht, den ~schoolmeester” te benoemen: „niet zelden vond de eigenaar ener heerlijkheid een overtollige bediende een zeer geschikte leermeester voor de dorpsjeugd”. In de Onderwijswet van 1801 vervallen, in overstemming met de eerste Grondwet van 1798, deze rechten; immers, de Franse revolutie is gericht tegen de feodale maatschannij. Maar de tweede grondwet, die van 1801 (goedgekeurd door Napoleon!) is reactionair: „weldra werden talrijke gewezen, in 1795 afgezette, regenten weer in de departementale besturen opgenomen. Het duurde niet lang, of zij voerden de boventoon”. Als dan ook deze besturen te oordelen krijgen over een voorontwerp van nieuwe wet, klinkt de stem dezer regenten, die van Holland b.v., als protest tegen de afschaffing der genoemde rechten: het zoude niet anders dan aanleiding tot verwarring en velerlei tw’sten geven, wanneer men in de wijze van aanstelling (der schoolmeesters) zo veel verandering wilde maken, een wijze, „waarop zal gesustineerd (beweerd) worden, een wettig recht verkregen te zijn.” De heren konden zo spreken, want ook ten opzichte van de ambachtsheerlijke rechten had de nieuwe grondwet een stap terug gedaan: waren ze in 1798 „voor altijd” afgeschaft, in 1801 werd de mogelijkheid tot schadevergoeding geschapen. De praktijk ging echter nog verder achterwaarts; de schrijver zegt: ~Het is evenwel de vraag, of de invloed der heren ten plattenlande wel ooit geheel verdwenen is. In elk geval werd zij bij het aanzwellen van de reactie in 1801 geheel hersteld”. Als Overijsel in 1804 dan ook bepaalt, „dat de schoolmeesters zouden worden aangesteld door degenen, die daartoe van ouds gerechtigd waren geweest”, doet het dit in strijd met de wet, want eerst na de derde grondwet, die van 1805, welke op last van Napoleon het monarchaal beginsel tot grondslag had en dus feitelijk met de Bataafse Republiek afrekende, zou het benoemingsrecht der ambachtsheren weer ingevoerd worden. Ook Zeeland saboteert de grondwet van 1801; op 9 Januari 1803 b.v. werd in het dorpje Nisse besloten... „om bij de verkiezing van een nieuwe Kerkeraad Zijn Edele weeder alles te geven, wat Zijn Edele naar het jaar 1796 ontnomen was”. Zelfs de schoólopzieners waren dermate geneigd tot het compromis, dat ze in hun officiële rapporten maar over de wetsverkrachting zwegen. En toen de derde schoolwet werd voorbereid, vervulde de geest der grondwetsherziening van 1805 zozeer de lucht, dat voor de aanstelling van schoolmeesters een formule werd gevonden, die niet veranderd behoefde te worden, als straks het herstel van het ambachtsheerlijk benoemingsrecht zou zijn geschied.

Ziehier op een bepaald gebied aangetoond, dat de onbloedige revolutie in de Franse tijd wel zeer bloedeloos is geweest in haar werking. Hiermee is niet gezegd, dat dit overal het geval is geweest, zelfs niet overal op het terrein van het lager onderwijs; integendeel, de wet van 1806 betekende, ook in haar toepassing, een zeer belangrijke vooruitgang, welke het boek van dr. Van der Giezen ons uitvoerig schetst. K. GEERTSMA.

Het polemisch, hoekje

’n Enkele weerklank die het reUgieus-socialistisch congres vond, verdient even nadere aandacht: „De Standaard", van ouds fel tegen het socialisme, en typisch hooghartig-afwijzend tegenover het religieus-socialisme, heeft een tegenstrijdigheid ontdekt tussen twee congres-sprekers, n.l. tussen Banning en Ruitenberg een tegenstrijdigheid, die niemand van de congresbezoekers heeft bemerkt, waarvan Banning en Ruitenberg zich bewust waren noch zijn, maar die het op tegenstellingen zo gescherpte Calvinistisch orgaan aanstonds bemerkte.

Ziehier dan:

Banning heeft verklaard: er is geen enkel redelijk en steekhoudend argument te vinden voor de stelling, dat een socialistische politiek niet met de Christelijke geloofsovertuiging zou kunnen samengaan. Ruitenberg meende: de socialistische beweging zal veel moeten verzakelijken, willen Christenen tot haar komen. Er mag niet van de Kerstboodschap van de S.D.A.P. gesproken worden; er is slechts één Kerstboodschap, die van het Evangelie. En waarom altijd een partij-congres op Paschen?

Wie daarin nu een tegenstelling vindt, moet toch wel héél slecht lezen. Zelfs wanneer ik in rekening breng, dat „de Standaard" een drukfout heeft overgenomen uit het verslag in „Het Volk”: Ruitenberg heeft n.l. gezegd, dat het socialisme nog meer moet v e r zak elijken, (en niet, zoals er stond: verzaken). Hij bedoelde: meer konkreet worden in sociaal en politiek program, minder levensbeschouwing en „nieuwe cultuur" leuze willen zijn. Om het aan „de Standaard" zo duidelijk mogelijk te zeggen: Wij, religieus-socialisten, wij Christenen vooral, hebben onze bezwaren wel tegen de feitelijk heersende geest in de S.D A P. Wat Ruitenberg daarvan noemde, waren slechts enkele verschijnselen. Dat wil echter niet zeggen, dat wij bezwaren hebben tegen de inhoud der socialistische politiek. Het kan ook zó zijn en zo is het in feite bij de beide sprekers van het congres dat zij de politiek tot omvorming der maatschappij zozeer juist achten, en dat zij aan de eenheid der arbeidersbeweging, waarin gelovigen en ongelovigen samenwerken, zó grote waarde hechten, dat zij op grond daarvan heenstappen over een geweldig bezwaar, dat zij hebben tegen de militaire politiek der S.D.A.P., en óok over het bezwaar, dat het socialisme als eigen levensbeschouwing wil optreden.

Wij zeggen dus niet, dat er bij ons geen bezwaren leven als wij lid zijn van een politieke partij bij wélke partij... of kerk ... zou dat niet zo zijn? Wij zeggen echter wel: dat een positief Christelijke levensovertuiging niet in strijd is met, integendeel: samen kan gaan mét een socialistische politiek. Dat hebben Ruitenberg en Banning in volledige eensgezindheid betoogd. Zij hebben beide dezelfde partijkeuze gedaan. En mét hen zeggen dat in de socialistische beweging honderden gelovige Christenen.

„De Standaard” zou aan realistische zin winnen, wanneer zij dit feit eenvoudig erkende. Zij zou ons volk een grote geestelijke dienst bewijzen bovendien, wanneer zij de betekenis daarvan kon leren inzien.

Lentegeruchten

Ver over vroege velden,

mild in het zachte morgenlicht,

komen rank op vleugelvoeten

lichtomlijnde lentestoeten

stuwen naar oneindig licht.

O, lentegeruchten,

onstuimig vluchten

in uw verwachten

mijn gedachten naar omhoog.

Gouden glanzen

z’als deinende lijnen

in dolende dans

naar de zonneboog.

CAREL KNEULMAN.