is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 28, 09-04-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Het Germaanse volksrijk der Duitse natie

„De politiek van den Duitsen dictator tegenover Oostenrijk is een uitbarsting van de gekrenkte jeugdgevoelens van één enkelen man”. Konrad Heiden.

Sedert 1933 heeft het Oostenrijkse complex van Hitler als een dreigend spook boven Oostenrijk en boven geheel Europa gezweefd. Elke misslag in de Oostenrijkse politiek heeft bij Hitler uitbarstingen van een abnormale razernij tengevolge gehad. leder, die hem in deze persoonlijkste kwestie tegenwerkte, kon vroeg of laat op ongenade of verbanning rekenen. Zelfs in trouwe partijkringen heeft men jarenlang een „ongeluk”, een te vroegtijdige uitbarsting van de oorlog wegens Oostenrijk gevreesd.

De behandeling der Oostenrijkse kwesties werd dan ook van de aanvang af aan het ministerie van Buitenlandse Zaken ontnomen. Nieuwjaarsdag 1934 verklaarde Von Neurath tot den Oostenrijksen gezant Von Kaunitz: „De rijkskanselier heeft zich alle beslissingen in de Oostenrijkse kwestie voorbehouden...”

Daarmee staat vast, dat voor alle gewelddaden en voor heel het optreden van de Oostenrijkse nazi’s, voor alle ellende, die Oostenrijk de laatste jaren te verduren heeft gehad, Hitler persoonlijk groter verantwoordelijkheid draagt dan voor enig ander optreden van het Derde Rijk. En zo is ook de „Anschluss”, die in werkelijkheid de annexatie van een zelfstandige staat betekent, het persoonlijke werk van Hitler, en dat in een veel concreter zin dan men wel aanneemt.

Want toen de hoogste staf in Berlijn nog niets wist, mobiliseerde de enige vertrouwde ~nazi-generaal”, Von Reichenau, zijn troepen reeds aan de Oostenrijkse grens. Wat Hitler in Juli 1934 van Von Blomberg zelf nog niet gedaan kon krijgen, heeft hij thans de nieuwe miiitaire machthebbers, die weliswaar gewilliger, maar geenszins willoze werktuigen zijn, door intriges afgeperst. Het Duitse „Militar” veroverde voor Hitler Oostenrijk.

Op deze wijze heeft Hitler het woord uit „Mein Kampf” ingelost: „De arme jongen had zichzelf beloofd, niet eerder naar het geliefde ouderlijke dorp terug te keren, dan dat hij iets geworden was.” Wederom heeft de Duitse dictator de wereld het bewijs geleverd: dat hij, ondanks alle verdraaiingen en verdragsschendingen zichzelf en zijn idealen, hoezeer deze ook met complexen geladen zijn, trouw blijft.

Pv e kwestie van Oostenrijk’s aansluiting bij het Duitse rijk bestaat sinds Napoleon het Heilige Roomse Rijk van de Duitse natie ontbond, waardoor Wenen, eeuwenlang het hart van Duitsland, hoofdstad werd van een overwegend niet-Duits rijk. De hele nationale beweging der 19e eeuw in Duitsland heeft hartsr tochelijk een Groot-Duits rijk verlangd. In 1848, het revolutiejaar, mislukte de vereniging tengevolge van het verzet der vorsten in Berlijn en Wenen, die op hun legermacht konden steunen. Bismarck paste in de zestiger jaren wel op, met deze gevaarlijke kwestie te spelen. Hij begreep, dat de Europese mogendheden een vereniging der Duitse landen in zijn tijd niet zouden dulden. Daarbij was voor het protestantse Pruisen ook een punt van overweging, of de „Anschluss” de katholieke invloed in Duitsland niet al te sterk zou maken.

In 1918 stuitte de „Anschluss” op het neen van al te hardvochtige overwinnaars. Zelfs een Briand heeft in 1931 met voor hem ongewoon heftige woorden de toenaderingspoging van Duitsland en Oostenrijk in de vorm van een

tolunie gegeseld. In 1918 was de „Anschluss” zonder ernstige schokken voor Europa mogelijk geweest, thans heeft de annexatie vrijwel alle hoop op een vreedzame ontknoping der Europese verwikkelingen de bodem ingeslagen. Thans is hij afgedwongen door een dictator, die meer dan iemand ooit tevoren de verpersoonlijking van een overspannen Pangermanisme is en die door zijn optreden het Europese evenwicht ernstig heeft verstoord. Het Germaanse volksrijk van de Duitse natie, voor de omringende landen, Nederland inbegrepen, een nachtmerrie, heeft volgens dezen dictator een „door God gewild recht” op de heerschappij in geheel Europa.

In een geheel nieuwe vorm en in een totaal veranderde wereld zijn de eisen der Middeleeuwse Duitse keizers herrezen. Oostenrij k’s annexatie is de eerste stap tot hun verwerkelijking. En men vraagt zich bezorgd af, of de uitschakeling van Tsjechoslowakije, in welke vorm dan ook, niet de tweede zal zijn. Heeft het Fan-germanisme niet vanouds zich vrije baan gezocht naar het zuiden, tot Bagdad toe? Voor Hitler zou de verovering van het mensen-, levensmiddelen- en grondstoffenreservoir van Zuid-Oost-Europa slechts de noodzakelijke voorwaarde zijn voor de beslissende strijd om de leiding in Europa.

|_J et is niet alleen politieke machtsbegeerte, waardoor Hitler gedreven wordt. Daarmee gaat een verlangen, dat op religieuze en philosophische grondslagen berust, gepaard: het is de mythe van de verlossing van het Germaanse ras van alle Joods-christelijke besmetting.

Het is in verband met de Oostenrijkse kwestie belangwekkend, wanneer men zich er rekenschap van geeft, dat Hitler’s hele ideologie, tn het bijzonder zijn anti-Marxisme, zijn „rassisme” en zijn Jodenhaat, van Oostenrijkse herkomst zijn, practisch en theoretisch, als ervaring en als ideeënproduct. Zijn op het ras gebaseerd élite-beginsel is de ideologische uitdrukking en versluiering van de machtsaanspraken van het „kolonisten-Duitsland” —• te dien aanzien komt Hitler in oorspronkelijke bepaaldheid overeen met een man als Rosenberg, den Duitsen „kolonist” uit de Oostzee-provincies; den Baltischen Duitser”. Persoonlijke ervaringen in zijn jeugdjaren verklaren zijn fanatieke Jodenhaat, waarmee zich, vrucht van de beweging tegen Rome, die Oostenrijk in de 19e eeuw doormaakte, bij Hitler anti-cristelijke neigingen en weldra ook bewust antichristelijke doelstellingen verbonden. Het Oostenrijk van na de wereldoorlog, vooral het officiële Oostenrijk van Seipel, Dollfuss en Schuschnigg, vormde een scherp contrast met Hitler’s ideologie. Deze bewust „Oostenrijkse” en katholieke staat koos zich de pauselijke encycliek Quadrageshno Anno tot richtsnoer in de politiek. Oostenrijk bood de katholieke kerk een uitstralingscentrum voor heel Midden-Europa.

In het bijzonder in Zuid-Duitsland was de invloed van dit katholieke centrum zeer goed merkbaar. Vanaf het begin van de Hitlerdictatuur is de belangstelling van de katholieke bevolking, vooral in Zuid-Beieren, voor Oostenrijk voortdurend gegroeid. In sommige kringen rijpte zelfs de gedachte van een aaneensluiting van Oostenrijk en Zuid-Duitsland. Op deze wijze botste de „anti-christ” Hitler in Oostenrijk op de „christelijke” staat van Europa. In dit verband krijgt het „en heil Hitler” van kardinaal Innitzer pas zijn volledige verbijsterende betekenis.

Het spreekt vanzelf, dat er vele goede, maar vooruitziende katholieken ook in Oostenrijk waren, die het „katholieke experiment” in dat land met wantrouwen gadesloegen. Velen hunner zijn van mening, dat Hitler, zij het ongewild, de katholieke kerk voor een groot verlies aan prestige heeft behoed. Maar de kardinaal-aartsbisschop van Wenen trad in de dagen van het zelfstandige Oostenrijk meer dan iemand anders als vertegenwoordiger van

dit katholieke Oostenrijk op de voorgrond. Hij stond vooraan in de strijd tegen het opdringende heidense nationaal-socialisme. Hij behoorde tot de intiemste raadgevers van Schuschnigg. Deze hoge kerkvorst heeft zijn naam door een lafhartig verraad bezoedeld; dat valt niet weg te redeneren. Hij heeft zijn politieke en godsdienstige medestrijders in de steek gelaten en hij heeft zichzelf onmogelijk gemaakt. Het feit, dat het Vaticaan zijn optreden heeft verloochend, spreekt in dit opzicht duidelijk genoeg. Maar geen verklaring van autoritaire kerkelijke zijde kan de slag volkomen ongedaan maken, die de zaak van de strijdende katholieken in Duitsland en Oostenrijk is toegediend.

Want men zal voor de katholieke bevolking in het „Groot-Duitse rijk” stellig tot na de verkiezingen de verklaring van het Vaticaan, geheim weten te houden. Kardinaal Innitzer had de Oostenrijkse Niemöller, de katholieke Niemöller kunnen worden, en voor de toekomst van de katholieke kerk had hij dat moeten worden. Thans heeft hij zijn kerk grote schade toegebracht en is hij zijn strijdende geloofsgenoten in de rug aangevallen.

Er is echter een mogelijkheid, dat op de verklaring van het Vaticaan een opzegging van het concordaat door Duitsland volgen zal. En dan kon althans dit goede uit de hele Oostenrijkse misère overblijven, dat het antikerkelijke en anti-christelijke karakter van de Hitlerstaat nog officiëler werd geopenbaard en dat de tijd van het tactisch gemanoeuvreer der pauselijke Curie voorbij zou zijn. Want vast staat wel, dat dit gemanoeuvreer zwaar op bepaalde katholieke kringen in Duitsland, vooral onder de jeugdige geestelijkheid, heeft gedrukt en bovendien voor de wereld de werkelijke toestand verborgen heeft gehouden.

En dan heeft het lot van de Oostenrijkse staat de katholieken in de wereld ook iets over de verhouding tot de socialisten te zeggen. De treurige en bloedige onderdrukking van de Oostenrijkse socialisten in Februari 1934 heeft niet alleen een algemeen menselijke kant, zij heeft ook een politieke zijde. Deze moordpartij op vrijheidslievende en antifascistische arbeiders betekende een politieke zelfmoord tegenover het nationaal-socialistische gevaar. Men kan zich niet aan de gedachte onttrekken, dat, wanneer Dollfuss en Schuschnigg, zoals Seipel in zijn tijd, in de dagen van de crisis van de Oostenrijkse staat in 1934 en in 1938 ook maar één persoonlijken vriend onder de socialisten hadden bezeten, de „Anschluss” wellicht tot nè, Hitler zou zijn uitgesteld. Papilio.

BOEKBESPREKING Just Havelaar: De religie der ziel. Derde druk, 1938. Van Loghum Slaterus’ Uitg., Arnhem. 160 blz. ƒ 1.50 geb.

Je bent even stil, als je het pakje hebt losgewikkeld, en daaruit de derde druk van wat Havelaar zelf zijn persoonlijkst getuigenis vond, te voorschijn komt... Er komen herinneringen op aan dezen nobelen mens, in wiens zonnige sterke en toch zo milde vroomheid wij ons hebben mogen koesteren... Ik hoor en zie hem weer met z’n jongenskop zwaaiend uitzeggen de wijsheid die het leven hem leerde... Hoe lang was het ook weer? Dit boekje verscheen in ’24; Havelaar stierf in 1930. Nu een goedkope, eenvoudig-voorname herdruk. Ik blader, en ben telkens weer, als vroeger, geboeid. En toch... de afstand tussen de geestelijke wereld van Havelaar en die welke de toon aangeeft, is wèl vergroot in tien jaar! Zal een jonger geslacht, dat nog geen afstand deed van het geloof in de suprematie van de geest, dat nog op zoek is naar menselijke waardigheid, en de droom van gerechtigheid en broederlijke gemeenschap niet wil verraden... zal dat jonger geslacht nog ontroerd luisteren naar deze innige, universele, .diep bewogen stem? Laat ons in elk geval de uitgeefster danken voor deze herdruk, die een daad is van dankbaarheid èn moed. Ons hoofdartikel is uit dit boekje genomen: het moge zijn werk doen! W. B.