is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 28, 09-04-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

De eisen tot toelating voor H.B.S.

H et examen moge een noodzakeiijk kwaad zijn, een kwaad is het zeker. Er worden nog voortdurend nieuwe examens ingesteid en voor vele examens zijn de laatste jaren de eisen zwaarder geworden. Het leertempo is in vele scholen opgejaagd door de zweep der vrees voor het examen. Dat de schooi te veel kennisfabriek is, pompstation, waar jonge hoofden zoveel mogelijk met leerstof gevuld worden, is grotendeels daarvan het gevolg. De school richt zich meer op het examen, dan op het leven. Men klaagt over de uitbreiding der leerstof, over de moeilijke exameneisen, over het huiswerk, dat in menig geval een plaag is voor het gehele gezin, over het eenzijdig verstandelijke karakter van het onderwijs en er is alle reden voor die klachten.

Het examen werkt bovendien ais zeef, die geschiktheid en bekwaamheid van ongeschiktheid en onbekwaamheid moet scheiden, dikwijls slecht. De gladjakker en de brutale heeft een voorsprong boven de verlegene en onhandige. Ook is een examen in zeker opzicht een loterij. Men kan met de opgaven en vragen boffen en wanboffen. Het zenuwgestel speelt ook een rol. Zij, die onder alle omstandigheden hun kalmte bewaren en zich goed beheersen, hebben meer kans, door een examen te komen dan zij, die spoedig verslagen zijn en wier hersenwerking stop staat bij het zien van een examencommissie en die zich verloren gevoelen in een examenzaal.

Het is wellicht nog groter kunst, om examen af te nemen, dan om een examen af te leggen. Ais men nog meer nieuwe examens gaat instellen, moet men er ook een verordenen voor geschiktheid en bekwaamheid, om te examineren.

De bezuiniging op het onderwijs heeft de toegang tot het middelbaar onderwijs voor de kinderen der mingestelden moeilijker gemaakt. De minister heeft de toelatingseisen voor de H.B.S. verzwaard, zeker ook In verband met de werkloosheid van veie intellectuelen. Daardoor zal er nog groter kloof komen tussen het lager en het middelbaar onderwijs en deze nog moeilijker te overbruggen worden. De huiswerkplaats zal nog erger worden, het magazijn van het geheugen zal zo’gevuld moeten worden, dat de zolders ervan kraken. Kinderen van 12, 13 jaar moeten niet alleen kennis bezitten van verschillende vakken, maar ook tonen inzicht daarvan te bezitten. Inzicht krijgt men pas door veeljarige studie en veel nadenken en dan nog is het gebrekkig. Ook zal een onderzoek naar de geschiktheid, om het middelbaar onderwijs te volgen, worden ingesteld. In theorie is daarvoor veel te zeggen. Er zijn kinderen, aan wie het gelukt over de muur der exameneisen te komen, maar die niet geschikt zijn, om de lange en moeilijke weg van het middelbaar onderwijs af te leggen. Het aantal van hen, die op jacht naar het einddiploma achterraken en zelfs geheel uitvallen, is niet gering. Men moet een kind echter persoonlijk goed kennen, om vast te stellen, of het voor het middelbaar onderwijs geschikt is. In de jaren kan er ook in een kind een grote kentering ten goede en ook ten kwade komen. Alleen ouders en onderwijzers, die het kind het best kunnen beoordelen, zullen met een vrij grote mate van waarschijnlijkheid zijn geschiktheid of ongeschiktheid vaststellen. Die leert men echter niet in een examenuurtje kennen; daartoe moet men jarenlang met het kind hebben omgegaan. De klasseonderwijzer is wel het meest bevoegd, om over deze geschiktheid te oordeien. Beter in menig geval dan de ouders, die allicht voldoende geschiktheid zien, omdat zij die wensen. Een verklaring van geschiktheid, gegeven door den kiasseonderwijzer, zou daarom mede nodig zijn, om tot het middelbaar onderwijs toegelaten te worden.

De minister wil in de examencommissies, die het toelatingsexamen afnemen, behalve de leraren der H.B.S. ook minstens vier hoofden of onderwijzers van lagere scholen opnemen. Dat geeft echter nog geen zekerheid, dat over de geschiktheid van den candidaat geoordeeld zai worden door den man, die daartoe het meest bevoegd is, dat is de onderwijzer, wiens leerling hij althans het laatste leerjaar is geweest. De minister geeft echter aan deze vier buitengewone leden der commissie voor het toelatingsexamen alleen maar een raadgevende en geen beslissende stem. Zij, die in deze aangewezen zijn, om te beslissen, moeten de beslissing aan de andere leden der commissie overiaten.

Bij het bepalen der geschiktheid zal niet opzettelijk aan de kinderen der min-gegoeden onrecht gedaan worden, maar allicht maken de kinderen uit de wereld der meergegoeden en ontwikkelden eer de indruk van geschiktheid dan de eersten, een schijn, die bedriegelijk kan zijn. In geen geval gaat het besluit van den minister over de nieuwe toelatingseisen tot de H.B.S. in de richting van het schone ideaal der democratie: Gelijke ontwikkeiingsvoorwaarden en kansen voor de jeugd. Ten koste van het leven zal het onderwijs der H.B.S. nog meer het examen tot doel krijgen.

Onzedelijkheid en Rome

E en zedenschandaal in een fabriek te Oss, het Nederlandse Chicago, met een onderwereld, die tot in de bovenwereld, de fabrieksdirectie blijkt te reiken, heeft bij het publiek walging en verontwaardiging,gewekt. Misbruik van macht heeft hier plaats gehad tegenover het afhankelijke vrouwelijke personeel. De feiten van die aard zijn moeilijk te bewijzen; er wordt allicht uit vrees voor ontslag gezwegen. Er gaan geruchten, maar daarbij blijft het vaak jarenlang. Het is als een diepgelegen zweer, waarvan de etter verborgen blijft. De geestelijkheid heeft er van geweten en reeds enige jaren geleden heeft een priester van een Kath. Jeugdvereniging erover gesproken; toen werden meer klachten geuit over misbruiken van leidende mannen in fabrieken. Volgens Monseigneur Frencken waren de onzedeiijke verhoudingen op de fabrieken te Oss allang bekend en bovendien waren er gegevens van tal van bedrijven uit geheel het land verzameld.

Maar nu vraagt men toch, waarom de overheid door haar orgaan, de justitie, niet eerder ingegrepen, althans een streng onderzoek heeft ingesteld naar aanleiding van deze klachten, die door het R.K. Centr. Bur. voor Onderwijs en Opvoeding ontvangen waren en waarom de geestelijkheid, die immers voor eer en deugd strijdt, niet het mes diep in deze boze zweer gezet heeft? Ais de bisschoppen in hun vastenbrieven, hun open brieven vol waarschuwingen en vermaningen tegen allerlei zonden, noden en gevaren, op dit schandelijke kwaad gewezen hadden, zou het onder de aandacht van heel ons volk gekomen zijn en zou het heftig bestreden zijn en niet in stilte hebben kunnen voortwoekeren. Dat de gruwelijke schande van Oss algemeen en even erg in andere bedrijven over het gehele land zou zijn, betwijfelen wij zeer.

De N. R. Crt. nam als hoofdartikel een merkwaardige beschouwing op over de onzedelijkheid en Rome. Daarin wijst de schrijver op het feit, dat Roomse en geen Protestantse meisjes en vrouwen in het schandaal betrok-

ken zijn. Hij geeft Rome daarvan niet de schuid. Deze ijvert zeker ernstig naar reine zeden ook op sexueel gebied en de priesters zulien zeker ook de biechtstoel gebruiken, om het kwaad te bestraffen en van het kwaad te weerhouden. Maar de bewoners van de Zuideiijke provincies zijn luchthartig en nemen het niet zo nauw. Met zekere gewiiiigheid hebben de meisjes te Oss zich iaten lenen voor wat men haar vroeg. Men neemt het met de biecht ook zo nauw niet. Dan komt er een streep door de rekening en is men van de zonde af. Is de biechtvader te streng, dan gaat men naar een ander. De ieer over de biecht is ook niet ai te streng. Er is een onvolmaakt berouw, dat hoofdzakelijk voortkomt uit vrees voor God, die ons om de zonden straffen zai. Voor een goede biecht heet het onvoimaakt berouw voldoende.

Bijzonder merkwaardig vinden we de opmerking van den schrijver in de N. R. Crt., dat de kerk van Rome haar leden te veel leert, zich te bukken voor het gezag; hij meent, dat dit de hoofdoorzaak is van de misstanden te Oss. Men went de mensen eraan, eigen oordeel op zij te zetten; ze leren zich te makkelijk schikken in de dingen, die de „meerdere” van hen eist. De kerk leert haar leerlingen te weinig, om neen te zeggen tegen „meerderen”. Daardoor ontstaat of blijft bestaan een eigenaardige feodale mentaliteit, dat is dus de middeleeuwse slaafsheid en onderworpenheid der horigen tegenover de heren.

Wij zijn dan ook overtuigd, dat de „meerderen” in een fabriek niet zo makkelijk of in het geheel niet socialistische vrouwen ertoe zullen kunnen brengen, zich voor hun vuile lusten te laten gebruiken. Zij voelen zich daartoe te fier en te sterk; zij zuilen gehoorzamen maar niet verder dan de grens, die hun gevoel van vrouwelijke waardigheid hun stelt. Ze heten daarom lastig en opstandig, maar het is een edele kracht, die hen meer dan hun Roomse zusters hun eer en deugd doet stellen boven het gezag der „meerderen”.

De kerk van Rome bestrijdt in bijzonder de „onweivoegeiijke” kleding ter bescherming van eer en deugd. In de kerkportalen hangen de voorschriften, waaraan de vrouwelijke kleding moet beantwoorden naar de eisen van eer en deugd, ook als voorwaarde, om in de kerk te worden toegeiaten. Terwijl ieder vol is van het zedenschandaal te Oss, waarschuwen de Ged. St. van Noord-Brabant de gemeentebesturen in die provincie tegen de onwelvoegeiijkheid in kleding en wijzen op het grote belang deze tegen te gaan. De gemeentebesturen moeten waken, dat geen personen zich in het openbaar vertonen in „een kledij, welke de toets ener gematigde critiek op het punt van weivoegelijkheid niet zou kunnen doorstaan”.

De onreinheid zit echter niet in de kleding. Ais allen zich onwelvoegeiijk, naar Brabantse opvattingen wel te verstaan, kleden, is er geen onwelvoegeiijkheid meer. Niemand ziet meer naar kuiten, als alle vrouwen de kousen uittrekken; niemand vindt het ook meer gek, dat een jongen of een man blootshoofds gaat, nu het petten- en hoedenvolk een minderheid gaat vormen. Maria, voor de Roomsen het toonbeeld van vrouweiijke kuisheid, heeft zich zeker verre beneden de tegenwoordige kerkelijke eisen van wel voegelijkheid gekleed.

Het gevaar is groot, wanneer men in allerlei uiterlijke dingen van weinig betekenis zonden gaat zien, dat het diepere zondebesef daarbij schade lijdt en de grens tussen eerbaarheid en oneerbaarheid verflauwt. De muggenzifters zwolgen vanouds de kemel door! Ook dit verklaart mede, waarom juist in Roomse omgeving zedenschandalen, als nu van Oss bekend zijn geworden, meer voorkomen dan elders.

J. A. BRUINS.