is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 32, 07-05-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEMONSTRATIE

Hoog hoven ’t beweeg van een massademonstratie Staat zwart een drukke spreker tegen ’t grijze doek. De massa golft en deint mee met zijn peroratie,

En is vol moed of huivert onder zijn verdoemingsvloek.

De massa klompt tesamen als één grauw en schonkig beest, En alle wezens lijken saamgegroeid. De daden

Van allen smelten tot één daad. De geest

Van allen vloeit in brede boog langs zelfde paden.

Er is voorbijgegaan een tijd van eenzaam woelen In mensenleed en mensgeluk, en ieder stond alleen.

Een drang tot vreugd’ met velen, gelijkgericht gevoelen Brak uit in ’t mensenhart door ’t eenzaam zoeken heen.

Hoog staat een spreker met veel drukdoende gebaren En strooit zijn leuzen over gelijkdeinende lijven.

Zal dié saamhorigheid de nieuwe mensheid baren Of zal de massa eeuwig „massa” blijven?

Zal de nieuwe tijdgeest het kenmerk der massa in zich zuigen En daaruit vormen van ’t komend tijdperk de figuur?

Of zal de massa zich tot gave geestesgaven buigen En groot zijn met de groten en zelve zijn: Cultuur?

EM. VAN LOGGEM.

Parabel der rechtse en linkse ledematen

Een menselijk lichaam, dat vele beroeringen meemaakte, zoals veroorzaakt worden door groei, arbeid, ziekte en vooral door een onrustige inwonende geest, bezat van de geboorte af weliswaar één hart, maar twee ogen, twee oren, twee armen en twee benen. Deze paren schenen onderling aan elkander gelijk voor een oppervlakkigen beschouwer en van op afstand. En zij waren ook in de diepte van hun wezen gelijk, immers gevoed door hetzelfde bloed. Maar niettemin was er in de practijk van hun bestaan groot onderscheid en zij waren zich tegenover elkander daarvan tenvolle bewust. Het minst mocht dit gelden voor de benen en voeten, maar die speelden dan ook in letterlijke en figuurlijke zin een ondergeschikte, een dienende rol. Zij werkten aan evenwijdige taken en trokken zich daarbij niet zo heel veel van elkander aan. Meestal liepen zij elkaar onachtzaam voorbij. In de regel gedroegen zij zich als practische kameraden, die de kameraadschap zo natuurlijk vonden, dat ze er geen ophef van maakten. Zij hadden ook wel eens een eigenmachtige en overmoedige bui; dan waren ze overtuigd, dat er geen voortgang was dan die aan hen juist te danken was en die de ander alleen maar begeleidde of misschien zelfs imiteerde.

Anders stond het reeds met armen en handen. Hun bewegingen en functies waren veelvoudiger en zelfstandiger; zij mochten zich tegenover de benen waarachtig als krachtdadige en persoonlijke individuen beschouwen. Er waren acties, die het lichaam bij voorkeur aan de een, dan wel aan de ander toevertrouwde. Evenwijdig tezamen werken zag men ze wel, kameraadschappelijk, in dagelijkse arbeid, maar bij voorkeur als er iets te veroveren viel of afgeweerd moest worden, bij het eten der spijzen b.v. of het wegduwen van een bedreiging. Maar als de inwonende geest het lichaam tot schrijven dreef, dan achtte de rechterhand het heel gewoon, dat zij schreef en de linker geduldigvolgend het schrijfblok vasthield. Zo ook hield de sterke linker de boog gespannen, maar de bewegelijke rechter plaatste en richtte de pijl. En het werd tussen die twee wel eens een twistgesprek. De rechter zeide dan trots; ik ben de meerdere en de eigenlijke; waarom zou de geest anders steeds een enkele uitzondering er buiten gelaten mij het schrijven opdragen? Maar de linker lachte slim en stelde de wedervraag: En als wij vioolspelen, wie doet dan het eigenlijke, gij, die in oneindige eentonig-

heid op en neder strijkt, of ik, die de teerste en grilligste grepen volvoer? Een heel enkele maal werkten zij op zeer bijzondere wijze samen; zij ontmoetten elkander en vouwden zich ineen. Dit geschiedde b.v. als geest en lichaam tijdelijk of misschien voorgoed in slaap of droom verzonken. Dit geschiedde ook in het gebed; er kon dan zijn een trillend stijgen, een wringen om elkander, maar men zou zonder voorkennis niet geweten hebben, dat ze twee plachten te zijn

Dan waren er de twee ogen. Zij waren bij waken in voortdurende, levendige actie vlak naast elkaar. Maar zij zagen elkander nooit, of men moest ze een spiegel voorhouden. Zij waren dan ook de fijnbesnaarden, de denkers en dromers, de critici! Nochtans wisten zij zeer goed van elkanders bestaan af. Zij beschouwden en beoordeelden, ja, zij schiepen en vervormden als het ware de werkelijkheid van hun eigen kant uit en gaven hun visie aan de geest door. En deze want hij is één in zichzelve vormde moeizaam, maar niet zonder humor, uit hun deelvisies de totale. Maar hij was ook wel eens vermoeid of speels gestemd en dan liet hij de beide ogen maar wat twisten. • Zij beschouwden b.v. juist een boom, die aan de rechterzij door de zon overglansd lag, maar links donker stond van schaduw. En de een hield dan vol, dat de boom licht was met, nu ja, een donker randje in een onbelangrijke hoek, doch de ander zeide, dat hij zwart stond en dit te meer door de tegenstelling met een eenzijdige lichte omlijsting. Zo twistten zij over kleuren, over de richting der lijnen; de een zag de bergtop en de ander het dal, de een een kruis, en de ander een zwaard. Voor de geest echter golden hun visies, die zij in gezonde toestand trouw als hun bijdrage aan een groter geheel doorgaven, niet anders dan als voorlopigheden.

Tenslotte waren daar de twee oren. Deze behoorden toch wel tot een ander type. Zij waren vooral passief van aanleg en in zichzelf besloten; zij hadden zowaar iets mystieks over zich. De buitenwereld achtten ook zij belangrijk genoeg; zij hadden zich zelfs een grote schelp gebouwd, waarin deze werkelijkheid resoneerde. eigenlijke werkzaamheid was toch van Innerlijke aard; zij wachtten daar in hun diepte om de opgevangen resonnances zo zuiver mogelijk samengevat aan de geest te bieden. Zij waren naar de uiterlijkheid ver van elkander verwijderd. Wisten zij eikaars bestaan eigenlijk anders dan van horen zeggen? Toch wel; er was een contact en een kennen binnen door en dit stelde hen in staat, bij alle wisseling van kwaliteit de een was wel eens verdoofd of afgeleid en de ander wel eens onwillig tot een onverstoorbaar vertrouwen

in de samenwerking. En het was maar met een zucht soms, dat het rechter van het linker of het linker van het rechter constateerde, dat de ander onzuivere arbeid verrichtte

Nu gebeurde het op een kwade dag, dat er grote onenigheid ontstond. Of het lichaam ziek, dan wel de geest ingeslapen was, laat ik in het midden; in ieder geval, de rechter en linker organen geraakten in een twist, zó hevig, dat zelfs de oren er niet helemaal buiten bleven. Een tijdlang bestond de twistzaak daarin, dat allen nog wel erkenden door de natuurlijke lichaamsband bijeen te horen, maar dat telkens de ene helft van de genoemde paren voor zich het gelijkhebben en de leiding opeiste; de ander had zich daarnaar te verbeteren en te schikken. In een andere phase van de twist léék de onenigheid minder bedenkelijk, maar was ze inderdaad erger; men praatte niet meer over bloedsverbondenheid. men zei elkander eenvoudig de samenwerking op! Die linkervoet moest dan maar zien, hoe hij op zijn wijze het lichaam ter bestemder plaatse bracht, hij, de rechter, deed niet meer mee, ging zijn eigen weg. Dat rechter oog mocht zich dan zijn eigen wereld construeren; het linker maakte de geest duidelijk, dat voor zijn terrein dusgenaamde aanvullingen of correcties van de overzij slechts op dwaalsporen konden leiden. De handen wilden elkaar niet meer steunen door taakverdeling of samengaan; ieder kon elk onderdeel immers beter en zuiverder dan de ander! En zelfs de oren raakten het inwendig contact telkens bijster en waren daarmee danig ongelukkig.

Moet ik u al de consequenties dezer tweedracht opsommen? Ge kunt ze uzelf voorstellen als legio. Slechts een enkele greep: het rechter been of was het het linker? begon alleen het lichaam vooruit te bewegen, het ging! Hij vierde zelfs een zekere apotheose der eenzijdigheid: hij begon zowaar te huppelen! Maar hij werd al gauw danig vermoeid en het duurde niet lang of hij verstuikte zich en liet het lichaam struikelen. De linker en de rechter hand namen alle acties zelfstandig van elkaar over en meenden ze te corrigeren, maar de linker krabbelde hanepoten op het schrijfblad en de rechter tokkelde zonder strijkstok en helaas vals op de viool. Erger: een vijand nam de een een kostbare ring af, omdat de ander niet mee bereid was te verdedigen. Nóg erger: zij wisten elkander niet meer te vinden in gevouwen-zijn en verleerden uit louter halsstarrigheid het gebed. En de ogen? Zij sneden de wereld tot fantastische wanvormen, waarmee de geest geen raad wist en welker waarachtigheid zij elkander op hoge toon betwistten. In hun zucht de ander daadwerkelijk op diens terrein zijn ongelijk te bewijzen, verwrongen zij hun pupillen tot pijnlijke scheelheid. De oren tenslotte sloten hun deuren voor de wereld, die een chaos geworden was en een kakophonie en zij gaven waarachtig elkander de schuld.

Toen heeft de geest, die niet tot anti-geest verkeren wilde, het twistende lichaam verlaten en een pasgeboren kind tot woning verkozen. Maar de linksen en rechtsen teerden temidden hunner dwaze vereenzaming, die henzelf zo levenssterk scheen, in versterving weg.

Maar deze parabel heeft ook een ander slot; zie zelve toe, lezer, welk het juiste is. Aldus: nadat de geest met verdriet maar ook met humor het krakelen een tijdlang had aangezien, constateerde hij, dat aller bestaan op het spel stond. Dan greep hij in en nam zelf het regiment in handen van de kameren der oren tot aan de spieren der voeten. En hij leerde allen de waarheid, die werkelijker was dan hun eigen waarheden en een nieuw geluk.

P. MINDERAA.

Noot. Wij mochten deze parabel horen van den schrijver op de Barchemse ledencursus, waar het ging over de vraag of links en rechts elkaar nodig hebben. Nu de gelijkenis los gemaakt is van het verdere betoog, dat Minderaa in Barchem gaf, zou het kunnen zijn, dat allerlei lieden (van links of rechts) haar gingen toepassen op de dnderen. De schrijver waarschuwt daartegen; hij wU zijn parabel ook niet beschouwd zien als allegorie, waarin elk detaü betekenis heeft, het gaat alleen om de gedachte dat men elkaar nodig heeft.