is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 33, 14-05-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kritische Kroniek

Een onderschat talent

Nine van der Schaaf: „Heerk Walling"; Wereidbibl. 1936. Idem: „De liefde van een dwaas”; Querido, A’dam 1937.

en kan wei zeggen, dat eerst na het requisitoir, door mevrouw Romein—Verschoor in „Vrouwenspiegel” uitgesproken tegen de Nederlandse romancières, de uitzonderlijke figuur van Nine van der Schaaf wat ruimer aandacht heeft gevonden. Het is rijkeiijk iaat, wanneer een raskunstenares van zwakke gezondheid de vijftig gepasseerd moet wezen om althans iets te zien van wat naar erkenning zweemt —■ terwijl links en rechts vrijwel talentloze novellenbreisters en romanhaaksters bij de verkoop van hun huisvlijtproducten voortdurend veel lof en een grote omzet boeken. In het huidige Nederland dient men ieder najaar een Sinterkiaas-surprise op de markt te brengen. Doet iemand aan een dergeiijke grootindustrie niet mee, eenvoudig omdat hij zijn begaafdheid te goed acht voor productie aan de lopende band, dan verslapt de aandacht van het publiek, dat boeken gemeenlijk niet leest maar vreet, hetgeen zonderling strijdig schijnt met het feit, dat het meestal geen gekochte, maar geiéénde lekkernijen zijn.

Het werk van Nine van der Schaaf, voorzover in boekvorm uitgegeven, valt in twee perioden uiteen: de tijd van vóór de oorlog en de tijd van na de oorlog: Santos en Lypra <1906), Amanië en Brodo (1908); en: Fries dorpsleven uit een vorige tijd (1921); herdrukt als „Heerk Walling”), De uitvinder (1932), De liefde van een dwaas (1937), benevens de gedichtenbundels „Poëzie” (1919) en „Naar het onzichtbare” (1929). Behalve deze werken vindt men in verschillende tijdschriften nog omvangrijke bijdragen, die tot nu toe helaas geen enkele uitgever tot herdruk konden bewegen. Dat ligt natuurlijk aan het publiek; maar het ligt toch óók wel aan de critici, die desnoods iedere recensie over een vrouweiijk auteur hadden kunnen beëindigen met de slagzin; „En overigens ben ik van oordeel, dat men beter zou doen met Nine van der Schaaf te lezen”.

In het werk van de eerste periode uit zich een verbeeldingskracht, die ongewoon is, en de schrijfster hanteert daartoe taalvormen, welke bevrijd zijn van veel ballast. Geen woordkunst in de zin der Tachtigers; geen psychologische roman gelijk die omstreeks het jaar 1900 hoogtij vierde. Maar een proza, geheel als zinrijke vertelling, ais verheugend wisselen van motieven en aangenaam klinken van volzinnen, een kunst van fantastische gestalten, niet bewust symbolisch, maar nog veel minder realistisch. De wereld, die Nine van der Schaaf oproept, is eenvoudig een andere wereld; het is, alsof het hier en het heden niet bestaan, slechts toevalligheden zijn; welnu, het toeval van haar talent roept een ander hier en een ander heden op, en dwingt door de verantwoorde zegging de toegewijde lezer tot erkenning van die verbeelde werkelijkheid. Tussen onszelf en de gestalten van bijv. „Amanië en Brodo” blijft een afstand. Nimmer verlaat ons het bewustzijn, dat er verschil is tussen óns bestaan en hün bestaan; maar wél verlaat ons het hoogmoedige gevoel, dat óns bestaan echt, het andere maar marionetachtig en verzonnen zou wezen. Zó overtuigend werkt deze verbeelding, dat zij ons doet geloven in een geheime heilsleer, zonder dat ook maar ergens de inhoud, de grondslagen en doeleinden van die heilsleer worden uiteengezet! Op een bepaald punt gekomen, breekt het verhaal plotseling af; waarom? Omdat alle karakters volgroeid zijn, of liever voltekend, want van groei is weinig sprake duidelijk en doorzichtig geworden, en dus gereed. Het verhaal is uit, omdat de

personen geen geheim meer hebben voor de aanschouwer, en het langzaam openbarend uitbeelden van die innerlijke geheimen het enige doel van de schrijfster was.

In de tweede periode heeft Nine van der Schaaf de verbeelding doordrongen van herinnering. Zij, het eenvoudige Friese dorpskind, hervindt in haar hart de Friese dorpsgebeurtenissen uit haar jeugd, en vooral: de sfeer rondom mensen en dingen van het Friese waterland. Even klaar en doorvoeld als haar zonderlinge maar bekoorlijke koningszoon, wordt nu een eenvoudige dorpsjongen in het centrum van haar aandacht geplaatst. Met zorgvuldige woorden beschrijft ze dit leven, en haar evenwichtig stijlgevoel verliest zich niet in stoutmoedige bravourstukjes, wanneer het verhaal haar dwingt ook andere dingen uit te beelden dan dorpsverhoudingen. Zoals de heilsleer tastbaar duidelijk werd, zónder dat iemand zeggen kan hoe of wat, zo ook suggereert Nine van der Schaaf met volmaakte directheid de wetenschappelijke talenten, ja de wetenschappelijke theorieën en vondsten van haar uitvinder, zonder dat zij daartoe één vakterm gebruikt.

In zekere zin is ~De liefde van een dwaas” aan „De uitvinder” verwant; het is geen stijging, doch ook maar nauwelijks een daling. Het karakter van den man is minder gaaf, maar de stoere vrouw Marg rijst langzaam uit de verhaalde verhoudingen op: kloek en struis, een persoonlijkheid. Met precies inzicht in haar eigen werk heeft Nine van der Schaaf de titel vastgesteid: niet de „dwaas”, de dromerige, weifelende jongen, die studeren gaat en later leraar wordt, maar zijn gevoelsverhouding tot verschillende vrouwen, en steeds weer tot de veel oudere vrouw Marg, is het wezenlijke van dit boek. De wisselende gekieurdheid van die gevoelens, die men inderdaad het beste aan kan duiden met pasteltinten, bekoort niet enkel, maar wekt stemming, maakt indruk, blijvender dan vaak van mensen uitgaat. Soms na dagen komt opeens, vaag maar doordringend, over het wakker-worden in het aanschemerend daglicht'de sfeer van enkele bladzijden van dit boek. Want lang blijft die sfeer in ons nawerken, ook nadat wij de volgorde der gebeurtenissen en de namen der hoofdpersonen vergeten zijn.

Liefst van al is mij ~Heerk Walling”. Ik ken in de gehele Nederlandse literatuur geen enkel boek, waarin de wezenlijke levenskern van Friesland, het dorpseigene, zó volkomen is weergegeven. Een verhaal kan men het nauwelijks noemen: gelijk het werkelijke leven bezit het ternauwernood begin en einde: het stroomt, zoals het leven verder stroomt door de geslachten en gestalten heen. Reëel is dit boek, zó zeer, dat men de lucht opsnuift van het avondlijke land, de boerderijen ziet wegduiken in de verre velden, en het trouwhartige groeten verklinken hoort, wanneer twee bekenden elkander voorbijgaan. Hier lééft een dorp, een gemeenschap, al wordt uit die dorpsgemeenschap ook voornamelijk de éne, Heerk Walling, in zijn ontwikkeling gevolgd. Doch het is niet: Heerk Walling met een achtergrond; het is; het dorp, en daarvan één in het bijzonder. Het dorp is geen décor, geen toevallige entourage: het is de levensgrond, de oorsprong, de moederaarde, waarin de enkeling verworteld staat. Ook hier, bij alle blijkbare weifeling, de juistheid van de titel: terwijl het verhaal eerst ~Heerk Walling” heette, verscheen de oorspronkelijke boekuitgave als „Fries dorpsleven uit een vorige tijd”, en de nieuwe druk werd opnieuw „Heerk Walling” gedoopt. Beide titels zijn juist: de waarheid is beide tezamen, onscheidbaar. „Heerk Walling” is het enige waarachtige Friese dorpsverhaal dat wij hebben, buiten de Friese literatuur zelf. Tegen de doordringendheid van déze sfeer legt zelfs „Stiefmoeder Aarde” het af.

Dit werk heeft de tijd. Het zal nog z’n kring van bewonderaars vinden o, stellig een kleine kring als de succesboeken van ieder jaar zijn terechtgekomen waar ze thuis horen: in de uitieenbibiiotheken van de derde rang. Daar zal men goddank Nine van der Schaaf nooit vragen.

G. STUIVELING.

Ben ik mijns broeders hoeder?

Het is méér dan afschuwelijk, wat onze „Christelijke” regering ons deze week weer voorgezet heeft: de formele afschaffing van het asylrecht. Politieke vluchtelingen zijn in Nederland voortaan „ongewenste” vreemdelingen. Zij zullen aan de grens worden teruggewezen. In het gulden boek van „Christelijke” daden onzer „Christelijke” regering kan, naast hèt kwartje van Romme, de erkenning van Abessynië, de poging om de gehuwde vrouw tot een horige te maken en het verbod van de vrijdenkers-omroep, worden bij geschreven:

Bloeimaand A.D. 1938: Opheffing van het asylrecht.

Er was een tijd, dat wij trots waren op het feit, dat binnen onze grenzen een zekere geestelijke vrijheid bestond en dat wie om des gewetens wille protesteerde tegen de regering van zijn land en deswege met de dood bedreigd werd, in ons land een veilige woonplaats vond. Er was een tijd, dat vreemde geleerden, die later bleken een nieuw tijdperk in het menseiijk 'denken te hebben ingeluid, slechts in ons land hun werk konden uitgeven. Er was een tijd

Maar die tijd is voorbij. Wij hebben thans een „Christelijke” regering. En het beginsel der geestelijke vrijheid is een versleten vod, dat misschien een 17-eeuws Protestantisme en de 17-eeuwse regenten paste, maar dat door een coalitie, waarin het Protestantisme zijn wezenlijke beginselen verloochent en offert op het altaar der samenwerking, schijnt te moeten worden weggetrapt. Waarachtig, wij weten wei, dat de geestelijke vrijheid Róme geen vinger waard is, vooral niet wanneer het niet gaat om de vrijheid der Roomse Kerk zelf. Wij weten wel, dat het asylrecht in Katholieke landen een ongekend instituut is en dat het ook strijdig is met de gehele mentaliteit van het Katholicisme. En wij weten nu ook, dat onze regering, nu ons Gezantschap in Madrid toch leeg is en er geen Franco-aanhangers meer te redden zijn, eveneens het asylrecht in een hoek smijt. Maar beseffen de katholieken dan niet, dat het ook om vlees van hun vlees en om bloed van hun bloed kan gaan? En zijn er dan geen Protestanten meer in Nederland? En zijn er geen ~vrijzinnigen” meer in Nederland? Zijn er dan geen Christenen meer in Nederland, die de Ka'insvraag wél bevestigend beantwoorden en voor wie het gebod der naastenliefde nog wél iets meer is dan het onderwerp van de Zondagse preek? Laat men dit alles nu maar gebeuren in Nederland?

Beseft gij eigenlijk wel, wat er gebeurt’ Gij, in uw geriefelijke huizen, gij, die in uw pluche fauteuil de krant leest, die uw kinderen rustig kunt laten spelen in de stralen van een voorjaarszon, die ter Kerke gaat en daar Godswoord kunt horen, die de makkers toespreekt en met hen samen zingt, die door dit lage land trekt en de pracht der wolkenluchten kunt indrinken, beseft gij wel, hoe onnoemelijk velen, Joden, Christenen, socialisten, democraten, daar ginds worden gehoond, gelasterd, gesard, getrapt, gemarteld, tot het einde toe? En dan, als zij er dan in slagen te ontkomen, weg te komen uit dat land, dat hun van een vaderland tot een hel werd, dan worden ze teruggewezen?!!

Wij vragen niet, dat de regering zelf alle vluchtelingen brood en onderdak zal verschaffen, ofschoon ook dat plicht der naastenliefde zou kunnen heten. Wij vragen niet om voorrechten en speciale zorg voor deze mensen, ofschoon zij deze dringend nodig hebben. Wat wij vragen is alleen maar, dat men deze mensen, vluchtelingen om der wille van hun ras of om der wille van hun overtuiging, de gelegenheid geeft eindelijk weer te ademen onder een vrije hemel. Is dat te veel gevraagd voor dit Christelijk land? Waarlijk, als dat te veel gevraagd is, zullen wij de dag vloeken, die ons dit Christendom en deze regering bracht.