is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 36, 04-06-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jubellied om Gods zegepraal op aarde

Zingt een nieuw lied zoals in ’t nieuw seizoen de jonge vogels doen,

om God te danken voor ’t herboren leven; God die weer wond’ren heeft verricht, die met zijn heilig licht

aan de oude stam heeft nieuwe bloei gegeven.

God komt! Hij komt, en breekt onstuimig uit; verborgen stem wordt luid

in onontkoombaar, onweerstaanbaar dringen: God woelt in onze zielegrond

om met een vreugdemond

van ’t recht op rust en bloei voor elk te zingen.

Onafgebroken waakt om ons Gods Geest, die altijd is geweest

gedachtig aan zijn goedheid en zijn waarde voor vrome mensen levend naar zijn wet, en nieuw zaad heeft gezet

tot nieuwe zegen voor elk volk op aarde.

Juicht, jubelt allen! zonder rouw of rem laat ons met vreugdestem

het Leven roemen, voor het menszijn danken; laat klinken op het instrument

der snarenziel het welbekend

feestlied van lof aan God in zoete klanken.

Gaat op bazuinen ademend blazen met daverende extase

het fiere lentelied van ’s Levens zegepraal! Winden en wolken drijven mee,

bruisend en ruisend zingt de zee:

Al wat op aarde leeft spreekt eend’re taal.

Rivieren vloeien bruisend naar de kust van bergen frank in rust

gerezen in Gods licht, dat brede stromen van zeegnend, vruchtbaar leven stort over de weerld, die wordt

gerijpt voor het geluk dat nu gaat komen:

God komt! Hij komt! Dóór breekt zijn Geest, die zal op aarde, overal.

de volken richten, vaders in hun zonen.

in ’t bloeiend rijk van waarheid, vrede, vreugd, waarin geen hel meer heugt.

om in, de volken met zijn recht te wonen.

Psalm 98.

ANDREAS GLOTZBACH.

(Uit: De psalmen voor deze tijd.)

Luilak en Pinksterbloem

Pinkstertijd is in het volksleven een tijd van vreugde. De natuur heeft een half jaar geslapen en nu eindelijk kan men zingen;

Die winter is verganghen, Ic sie des meyen scijn, Ie sie die bloemkens hanghen, Des is mijn hert verblijf

De tijd van de volle bloei is begonnen. De lente zit de mensen in het bloed en de uitbundigheid is groot. Pinkstertijd is tijd van uitgaan. Fietstochten worden georganiseerd. De jeugd heeft de zomerkleren aangetrokken en moet naar buiten, de natuur in. Geestdrift straalt uit de ogen der jongeren. Laten de dominees in de lege kerken nu maar praten van heilige geestdrift, de jeugd doet het zonder dat heUige met het natuurlijke alleen wel. Zij trekt er opuit met sterk verlangen. En moeder de vrouw vindt het best, want met Pinksteren wordt het huis met bezemen gekeerd en het is nu eindelijk helemaal schoon.

Ook in de volksgebruiken komt deze vreugde tot uitdrukking. Met Pinksteren viert men de overwinning van de lente en hoont men de verdreven en overwonnen wintergeest. Het lange slapen, dat men zich in de winter aangewend heeft, nu haast de ergste zonde, en de in het wit geklede jeugd staat als symbool van het jonge leven in het centrum.

Wij zien dit duidelijk in de Luilakgewoonten en de verering van de Pinksterbloem.

Op de Zaterdag vóór Pinksteren viert men Luilak. Dat begint al reeds heel vroeg, het allervroegst wel in de bloemenstad Haarlem. Daar begint ’s nachts 12 uur de Luilakmarkt en het is gewoonte, dat vooral ook de jeugd daar bloemen koopt, om de ouders thuis te verrassen. Maar ook op andere plaatsen zijn de jongeren er vroeg bij. Zij gaan soms wel om twee, drie uur in de morgen op stap. De deuren van de woonhuizen worden versierd met de laatste herinneringen aan de nu overwonnen démon van de winter, met dode dieren, brandnetels enz. Maar ook hangt men er kransjes van veldbloemen aan, ten teken, dat de goede tijd komt. Even later gaat de schooljeugd met groot ge-

raas van „luüakslepies”, die vroeger de boze geesten moesten verdrijven, op zoek naar de Luilak, de langslaper, die vergeten heeft, dat het Luilakmorgen is. Als zij hem eindelijk gevonden heeft, wordt hij bespot. In Haarlem zingt men daarbij:

Luilak, luilak. Kermispop, staat om negen uren op, Halftien mag ik die luilak nog niet zien.

En in Genemuiden:

Luie motte (= varken), luite rotte. Op gaan staan, je moet weer naar bed toegaan.

In de laatste plaats wordt de luilak in zijn onderkleren op een versierde ladder rondgedragen en iedereen mag hem honen. Hij mag nog van geluk spreken, als hij niet ook even kopje-onder gaat. Thuis moet hij tracteren op warme bollen met stroop en radijs.

Op Luilak volgt Pinksteren en dit was oudtijds het feest van de Pinksterbloem. Ook hierdoor tmchtte men zijn vreugde over de komst van het goede jaargetijde te uiten. En ook dit was een feest van de jeugd. Een der knapste of jongste meisjes werd als Pinksterbruid gekozen en in het wit gekleed en dan met allerlei kostbare voorwerpen versierd. Zo werd ze rondgeleid op een draagberrie of onder een schort en de grote mensen mochten haar bewonderen, wanneer ze bereid waren een kleinigheid te offeren. In de huizen, waar men betaalde, werden dan, voor de stoet verder ging, een paar bloemen gestrooid. Men zong op deze tocht verschillende liederen en het op Terschelling bekende wordt nu nog als volksdanslied bewaard en is b.v. in de kringen der A.J.C. heel geliefd. Het luidt:

Hier is onze fiere Pinksterblom.

En ik wou hem zo graag wezen. Met zijn groene kransen om het hoofd En met zijn klinkende bellen.

Recht is recht, krom is krom. Belief je wat te geven voor de fiere Pinksterblom, Want de fiere Pinksterblom moet voort.

J. KALMA.

Boekbespreking i lIIIIIIIIIUIIIIIIIII = lilllllllllilUlUlll

J. Henk Hoornweg, Warenhuis. Servire, Den Haag 1938.

Onno Hollander, De mens bij de grens. Servire, Den Haag 1938.

Twee romans die wij tegelijk ontvingen; twee beginnende auteurs, die „Servire” hun kans gegeven heeft. Misschien doet een onderlinge vergelijking de eigen aard van beide nog het beste uitkomen.

Hoornweg levert ons met „Warenhuis” een roman van de Rotterdamse Bijenkorf, nu ja, al heet het dan anders, en zijn de personen verzonnen. Een week leven-en-bedrljf in het grote warenhuis, een week leven-en-bedrijf van verschillende mensen, die daar hun broodje verdienen. Hij vertelt goed: vaardig, zonder omhaal, hij kent dit slag mensen en hun gedoe, de gesprekken, die hij weergeeft zijn onversneden en ook wel eens ongezouten Rotterdams, het boek staat behoorlijk op z’n poten.

Anders het werk van Onno Hollander, waarin ons verteld wordt, hoe een zekere Erik, die erg veel aan filosofie doet, de zin des levens vindt en „zijn bestemming bereikt”; hier zitten we midden in de bespiegelingen en betogen, en is de realiteit ver. Eén ding heeft Hollander m.i. op zijn collega voor: men twijfelt geen ogenblik waaróm hij dit boek is gaan schrijven, hij moet van deze gedachten zeer vervuld zijn geweest. Hij boomt, met de naieve zelfverzekerdheid van een derde-jaarsstudent, maar hij boomt klaarblijkelijk, omdat hij het niet laten kan.

Kan Hoornweg het ook „niet laten”? Ik zoek in dit los geschreven verhaal tevergeefs naar het gezichtspunt van den schrijver; hij hoort niet tot degenen, die „het zware leven schoon prijzen”, ook niet tot hen, die het wel lollig vinden. Geen opstandigheid klinkt er uit zijn verhaal, ook geen erbarmen, dingen, die nu juist niet atfgesproken hoeven te worden, maar toch kunnen doorstralen in een boek en het zijn menselijke waarde geven. Samenvattende zou ik kunnen zeggen: Onno Hollander moet maar wat verder leven, tot hij niet meer zó zeker van zijn zaak is, en dan zijn bevindingen liever in andere dan romanvorm vastleggen; van Hoornweg hoop ik, dat hij zijn journalistieke schema’s nog leert vullen met rijker menselijke inhoud, en dan zie ik met belangstelling uit naar het vervolg. M. H. v. d. Z.