is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 45, 13-08-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/1 ; > Het polemisch hoekje K y

Een merkwaardig artikel in het ~Gereformeerd Mannenblad” van Aug. 1938 over het religieus-socialisme merkwaardig om zijn onbelangrijkheid, om de stumperige methode, om het gebrek aan kennis dat er uit spreekt.

Ziehier kort weergegeven, de gedachtengang (dat is een vriendelijke uitdrukking, want er zit iveinig gang en geen enkele eigen gedachte in het stuk): Het socialisme is materialistisch, naturalistisch, evolutienistisch, antikerkelijk en antichristelijk, Vroeger hebben de sociaal-democraten de religieus-socialisten verdragen en geduld, Maar het getij is ongunstig aan het oude orthodoxe socialisme, men verliest sympathie, en is dus geneigd om de religieussocialistische groep zover mogelijk ter wille te zijn en geeft aan haar voormannen een plaats tot in het hoofdbestuur der S.D.A.P. Het orgaan van de rel.-soc. is de Blijde Wereld; wie wil weten wat ze zijn en wat ze willen, neme een jaargang van dat blad ter hand, en hij komt zonder diepgaande onderzoekingen als vanzelf op de hoogte met de gehele denkwereld der rel.-soc. (Wat ’n kostelijk zinnetje, dit laatste: je leest een jaargang van een blad, dat zes jaar geleden overging in een ander blad, en dan gaat het „zonder diepgaande onderzoekingen”, „als vanzelf” en kom je „op de hoogte”!) Natuurlijk wordt dan het religieus-socialisme afgewezen: het is in strijd met de Heilige Schrift, het is humanisme... En om dan te tonen hoe „bij” de schrijver is: „uit de opleving van de antimaterialistische gedachte kwam ook voort het Rel.-Soc. Verbond, dat ook weer een splitsing beleefde, de Meyer-groep, die zichzelf sierde met de naam: de nieuwe gedachte”

Er spreekt reeds uit deze verkorte weergave, maar nog sterker uit de vermelde literatuur, een gebrek aan kennis en een luiheid van geest, die wel karakteristiek is: de schrijver weet niets van wat er in de laatste 10 jaar in het rel.-soc. is gebeurd; hij weet niet, hoe het rel.-soc. orgaan tegenwoordig heet („zonder diepgaande onderzoekingen” had hij daarvan overigens

00/c Qn dg hoogte” hunnen komen); hij weet ”niet, dat de Nieuwe Gedachte nooit 7 rt o+ /7-M rjn-h TTooc i\/fPiiPT rel.-soc. is geweest, en dat Kees Meyer reeds een paar jaar ts overleden, en met hem de Nieuwe Gedachte, hij weet niets Arbeiders Gemeenschap der Woodhrookers, kortom hij is volkomen niet op fiQogte. Dat is voor ernstige schrijvers behalve misschien voor het dezen Gereformeerden man.

Niet alleen dat hij de feiten niet kent, hem ontbreekt ook alle inzicht; hij verraadt nergens een poging om tot waarlijk inzicht te komen. Men lette op de redenering inzake de gewijzigde houding tegenover de rel.-soc. in de S.D.A.P.: het getij is ongunstig, men verspeelt sympathie en dus... Dat is steeds de methode van Jan Rap, de Roddelmethode. Enig besef van de geweldige sociale en geestelijke verschuivingen in onze maatschappij na 1918 ontbreekt; enig inzicht in de diepgaande nood der samenleving, die sinds 1929 overal schreeuwt om ordening en om gerechtigheid, ook voor andere dan proletarische groepen, is nergens aanwezig. Kortom: dat de veranderingen in het socialisme veroorzaakt zouden kunnen worden door wat er in de wereld sedert 1918 gebeurt, dus door objectieve oorzaken (b.v. óók door de Duitse kerkstrijd, óók door de Russische godsdienstvervolging), het komt in het brein van dezen man niet op. De verklaring van de veranderingen in het socialisme uit angst is „zonder diepgaand onderzoek” voor iemand die „als vanzelf” „op de hoogte” kwam, ook veel eenvoudiger.

Want zijn oordeel stond immers reeds vast, vóór hij het „onderzoek” begon. Zijn gereformeerd oordeel (of het gereformeerde oordeel van degenen, die hij napraat) luidt:

het socialisme is materialisme het religieus-socialisme is humanisme beide zijn met de Heilige Schrift in strijd, dus zijn beide te verwerpen.

Dat was in 1900 zo; dat was in 1928 zo; dat is natuurlijk in 1938 nog zo, en zal in 1958 precies zo zijn. Wat maak je je dan nog druk om feiten en inzicht?

Het is alles even triest als beklemmend... Hoe zullen deze Gereformeerde mannen óóit leren begrijpen wat er in de wereld gebeurt?

De oorzaak der overproductie (I)

De kern van de kritiek, die Bellamy en zijn aanhangers uitoefenen op de huidige economische verhoudingen, betreft de productie om winst. Niet alleen achten zij het op zichzelf verkeerd, dat het gehele economische raderwerk wordt gedreven door de begeerte naar winst, maar zij zien er ook de diepste oorzaak in van alle storingen. De redenering is zo: de fabrikanten keren de arbeiders slechts een deel uit van de waarde die zij voortbrengen; het andere deel is de winst. Hetzelfde doen de handelaars tegenover de boeren, en in ’t algemeen tegenover de producenten als groep. Deze groep omvat echter verreweg het grootste deel van alle verbruikers. Doordat zij minder uitgekeerd krijgen dan zij produceren, kunnen zij nooit de gehele productie kopen. Daardoor betekent het winststelsel onvermijdelijk overproductie, hapering in de afzet, crisis en werkloosheid.

Deze redenering bevat een kern van waarheid, maar zij is in de eenvoudige vorm, waarin Bellamy haar geeft, oppervlakkig en daardoor gemakkelijk vatbaar voor kritiek.

Waarin schuilt nu de fout? Wij komen die op het spoor, wanneer wij nagaan wat de winstmakers doen met hun geld. Zij potten dat niet op, maar geven het ook weer uit. Ten dele natuurlijk voor hun eigen levens-

onderhoud. Dat ontkent Bellamy niet; het gevaar schuilt echter, zegt hij, in datgene wat de winstmakers niet verteren. Maar als Bellamy de voorstelling wekt, alsof dat aan het verkeer wordt onttrokken, is hij er naast. De overschotten gaan voor het grootste gedeelte naar de banken. Die trekken er in de eerste plaats hun kosten af, waarvan zij het personeel betalen. Dat bedrag komt dus als koopkracht op de markt. Van het restant worden bijvoorbeeld effecten gekocht. Maar wat betekent: effecten kopen? Geld doen toekomen aan bedrijven of openbare lichamen, die dat nodig hebben om bepaalde uitgaven te bekostigen. Zij geven daarvoor schuldbewijzen ai, die men obligaties noemt. Of wel, zij nodigen de beleggers uit om een aandeel In het bedrijf te nemen, d.w.z. geld te geven tegen het recht van deelneming in de winst. De gelden, waarmede men deze aandelen en obligaties koopt, worden dus gebruikt: voor het bouwen van fabrieken, voor het vervaardigen van machines, voor het aanleggen van wegen en bruggen enz. Dat betekent dat zij worden uitgegeven, voor het allergrootste deel aan de producenten van deze zaken, aan de arbeiders in ruime zin, die er mede aan de markt komen als kopers van verbruiksgoederen. Wel komt een deel van het belegde (uit

winst ontstane) vermogen via degenen, die het lenen, weer bij andere kapitalisten terecht wanneer het namelijk door de leners wordt gebruikt voor het aflossen van schulden, het betalen van rente of het maken van eigen winst. Maar dat is slechts uitstel van executie, want uiteindelijk staat achter elke lening het doel, waarvoor zij werd aangegaan: het doen van uitgaven, productief of improductief, maar altijd neerkomend op het doorgeven van koopkracht aan mensen, die daarmee optreden als verbruikers.

Dit is de ideale toestand, en wij weten wel, dat de huidige werkelijkheid daarvan nogal wat afwijkt. Alvorens daarop in te gaan willen wij echter in de eerste plaats vaststellen, dat het beleggen van overtollig geld door degenen, die winst maken, op zichzelf geen overproductie behoeft te veroorzaken, omdat alle belegde gelden toch weer in het verkeer kunnen komen. In de tweede plaats willen wij er op wijzen, dat dit beleggen van gelden wel degelijk nuttig en nodig kan zijn. Een Robinson, die iedere dag geheel verteert wat hij voortbrengt, kan nooit een boot bouwen, of een ploeg, of iets overhouden voor kwade dagen. Het niet verteren van inkomen is sparen, en dit sparen stelt zowel Robinson als de gehele samenleving in staat de de economische uitrusting te verbeteren en opgewassen te zijn tegen de noodzaak van zware verteringen ineens Degene die spaart, ziet af van direct verbruik. In plaats van ƒ 1000.— verteert hij dit jaar maar ƒ35.— (bij 3i% rente), en een volgend jaar weer ƒ 35.—, en misschien pas over 20 jaar de volle ƒ 1000.— In die tussentijd heeft de gemeenschap met deze ƒ 1000.— grond kunnen verbeteren of machines kunnen bouwen, waardoor het totale productievermogen stijgt en het geleende bedrag na 20 jaar uit het inkomen kan worden af gelost. (Af gezien nog van de mogelijkheid, dat zich voor deze eerste spaarder dan weer een opvolger komt aanbieden, die ook ƒ 1000.— wil sparen voor zijn oude dag).

Bellamy heeft dus ongelijk, als hij tracht aan te tonen, dat het nlet-verteren van Inkomen door degenen die winst maken onder alle omstandigheden tot overproductie leidt en maatschappelijk schadelijk Is. Men mag hieruit echter In geen geval aflelden, dat de huidige toestand dan maar gehandhaafd moet worden. Maatschappelijk sparen kan evengoed door de overheid als door Individuen geschieden. Zelfs beter, en met minder gevaren voor de gemeenschap. Want de huidige toestand, waarbij het aanbod van spaargelden in de handen van particulieren Is, geeft aan deze particulieren een ongehoorde machtspositie. Daartegenover kan de particuliere vraag naar spaargelden behalve op successen ook op vele mislukkingen wijzen. Een socialistische overheid, die de productie en de consumptie beheerst, moet noodzakelijkerwijs een deel van het beschikbaar komende Inkomen sparen teneinde het productie-apparaat op peil te houden en te vergroten. Zij kan dat doen door een deel van de arbeiders te laten werken aan de vervaardiging van productiemiddelen en hen te onderhouden met de verbrulksgoederen, die de anderen vóórtbrengen. De productie van deze ~afgezonderde” groep van arbeiders vormt dan de jaarlijkse besparing.

Hetzelfde gebeurt In beginsel in de kapitalistische maatschappij, wanneer particulieren (winstmakers) een deel van hun Inkomen niet verteren, maar het via de belegglngsmarkt doen toekomen aan het bedrijfsleven of aan de staat. Met dat deel van hun Inkomen onderhouden zij In hoofdzaak de arbeiders, die werken aan de uitbreiding van het productle-apparaat en die daardoor de grondslag leggen voor een groter gezamenlljker Inkomen In de toekomst. Voor deze dienst eist dan de spaarder zijn beloning In de vorm van rente of aandeel In de winst.

Waar zit dan eigenlijk het lek, zal men vragen, als In beginsel een evenwicht op basis van besparingen uit particuliere winsten wel mogelijk Is, maar dit evenwicht zoals ook Bellamy reeds constateerde kennelijk niet bestaat? Wat Is de oorzaak van de overproductie, die op vele gebieden te zien Is? Hierover een volgende maal. P. Kuin.