is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 36, 1938, no 50, 24-09-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

Villa met gaskelder

it opschrift van een advertentie, waarin enkele nieuwe ~pracht-vilia’tj es” te koop aangeboden worden, werpt een hel licht over de donkere wereld, waarin wij leven. Het is in het beschaafde Europa even gevaarlijk wonen ais in de rimboe, de wildernis vol slangen en verscheurend gedierte. Ais een bijzondere attractie wordt nu de gaskelder in de eerste plaats genoemd; verder worden de gebruikelijke „moderne gemakken” opgesomd: badkamer met ingebouwd bad, warm en koud water, centrale verwarming, electra, ijskast, garage enz. De villa’tjes zijn schoon gelegen op de grens van Aerdenhout.

We hebben nog geen aanbod gelezen van koop of huur van arbeiderswoningen met gaskelders, hoewel die over het algemeen op gevaarlijker plaatsen gebouwd zijn dan de villa’s buiten de steden en door tuin of park omringd. Toch is er minstens even veel reden om te zorgen voor het leven der arbeiders als der villabewoners. Er zijn arbeiders, wier leven voor de maatschappij nuttiger en rijker aan mensenwaarde is dan van menigen villamens.

In vroegere, minder beschaafde eeuwen kende men geen gasbommen en geen vliegtuigen; scheikunde en werktuigkunde lagen toen nog in de wieg. Men kende geen beton, ventilator en gasmasker, waardoor men in de gaskelder zijn gezondheid en leven tegen gifgas en granaatscherf kan beschermen. Men kan in die kelder naar de radio luisteren, de vloer met een stofzuiger reinigen, het electrische licht laten schijnen, het eten dagenlang vrij van bederf in de ijskast bewaren. Men zou er zelfs een telefoonverbinding kunnen aanleggen en zijn familie in de verte waarschuwen, dat men als een mol diep in de grond het toch goed heeft en van alle moderne gemakken voorzien is.

Zo’n goed-ingerichte gaskelder is een der weldaden van onze beschaving. Misschien leeft er ergens op aarde nog wel een volksstam van kannibalen, die pijlen gebruikt met in gif gedoopte punten en de honger stilt met verslagen vijanden. Leer hun efficiency in het gifgebruik, leer hun het wonder van de motor, die de mens als een vogel doet vliegen zo snel en ver, leer hun het gebruik van vork en servet bij hun maaltijden en dan zijn de kannibalen tot beschaafden geworden. Er is tussen barbaren en beschaafden even weinig onderscheid als tussen het ruwe hout en de geschaafde plank.

De schaaf verandert alleen de oppervlakte; men verandert er het innerlijk, de hoedanigheid van het hout, niet mee.

De villa met gaskelder is een schepping der moderne beschaving. Onder het gladde, fijnbewerkte oppervlak der moderne mensheid zijn machtig de natuurlijke driften, de haaten vechtgevoelens van den wilde.

Zorg voor leven en gezoncJheid

cultuur verstaan wij de veredeling de verheffing van het geestesleven. Zij gaat dus dieper dan de beschaving, die meer de uiterlijke omstandigheden verandert. Cultuur is het kweken van planten om een schone bloem, een rijke vrucht te krijgen. Kweken vereist kennis en zorg; geen kleinigheid mag verwaarloosd worden. Het is makkelijker een stuk hout glad te schaven, dan een mooie roos te kweken. Het is makkelijker beschaafd te spreken dan beschaafd te denken. De beschaving van het hart is meer waard dan de beschaving van de tong. De cultuur voorziet het leven niet van alle gemakken; ze maakt het veeleer moeilijker, maar ook edeler en waardevoller. Men noemt de cultuur ook wel Innerlijke beschaving; maar dan is het beeld van de schaaf niet meer juist, want de schaaf gaat niet diep.

Is er Innerlijke beschaving in de beschaafde wereld? Men heeft verschillende kenmerken ervan opgesomd. Eerbied voor het leven, de houding van den man tegenover de vrouw, de

wijze, waarop men zich vermaakt, de behandeling van armen en vreemdelingen, de zorg voor de volksgezondheid en het leven. Bij het toepassen van deze kenmerken zal men ontdekken, als men het tenminste nog niet weet, dat er in vele opzichten nog barbaarsheid heerst. Maar we moeten ons hoeden voor de neiging, die in deze dagen zeer begrijpelijk is om de wereld te beoordelen, zoals een onverstandige meester den leerling doet, die hem door zijn stommiteiten ergert en tegen wien hij losbarst: Jij leert ook nooit wat! Ik kan je honderdmaal wat voorkauwen en dan snap je het nog niet of ben je ’t dadelijk weer vergeten! Dat ontmoedigt den jongen of maakt hem onverschillig. Hij is verloren, als hij zelf ook gaat geloven, dat hij nergens voor deugt.

Zonder in een luchthartig, halfblind optimisme te vervallen, kan men zelfs in deze tijd nog wel tekenen ontdekken van een streven en werken in dienst der innerlijke beschaving. Er wordt zeker niet genoeg gedaan voor zwakken, onvolwaardigen, zieken; maar er wordt ontzaggelijk veel meer gedaan dan een paar eeuwen geleden. Overheid en particuliere verenigingen, de wetenschap met het gevoel van deernis en van verantwoordelijkheid voor de medemensen in samenwerking heeft inderdaad grote dingen gedaan. We denken aan sociale maatregelen ten dienste der volksgezondheid, als woningbouw, keuringsdienst, waterleiding, aanleg van parken en bossen bij de steden, de gemeentelijke geneeskundige dienst, het werk van het Groene Kruis, de tuberculosebestrijding, de kindervacantiekolonies, de consultatiebureau’s voor zuigelingen, enz. enz.; dit alles is als een schild vooral boven het leven der armen beschermend opgeheven.

Veel in deze vreselijke tijd doet ons denken aan de scherpe bek en de grijpklauwen van de roofvogel, die geen medelijden kent, maar ook nu is daarnaast een veelzijdige en -soortige beweging van hulpvaardigheid en medegevoel, die doet denken aan de uitgestrekte vleugels van de hen, die haar kiekens behoeden wil.

In zijn openingswoord tot het Centraal Gezondheidscongres te Maastricht zeide de voorzitter, dr. N. M. Josephus Jitta, dat ons land en volk in vergelijking met andere landen en volkeren ~gezond” zijn; slechts in één land, in Denemarken, is het sterftecijfer lager. De sterfte van 17 per 1000 inwoners in 1900 is gedaald tot 8.8 in 1937; dus bijna de helft lager geworden. Wij willen dat niet alleen verklaren uit sterke groei van gemeenschapszin, besef van verantwoordelijkheid jegens de naasten en deernis met kinderen en gebrekkigen, maar deze gevoelens hebben zeker krachtig meegewerkt tot dit resultaat in de strijd tegen pijn en lijden, ziekte en de dood.

Als we het licht niet opmerken, is het voor ons overal donkere nacht. In de sprookjes ontdekt de man, die moe en verdwaald is in het grote, donkere woud, altijd een lichtje tussen de bomen.

Wanneer we ons in de duisternis van het heden verbitterd, wanhopig, verdwaald gevoelen, moeten wij ook naar lichtjes zoeken en zullen ze dan vinden ook.

De toekomst van het socialisme

ir. Albarda is dezer dagen een kwart eeuw Ilid der Tweede Kamer geweest en is zeker een der kundigste; een man niet van het vlammende, maar wel van het sterke woord. Sterk, omdat hij zich niet laat gaan, maar zich steeds beheerst en daardoor wel eens de indruk van te grote voorzichtigheid en nuchterheid maakt. Hij voelt de verantwoordelijkheid van den loods. Troelstra, zijn voorganger als leider onzer sociaal-democratie, heeft politiek eens levenspoëzie genoemd; voor den ingenieur Albarda is politiek meer levensbouw, de opbouw van een sterk, gelukkig volksleven. De dichter is de ziener; de ingenieur rekent en tekent. Beider werk is nodig; het vult elkander aan.

In een persgesprek heeft Albarda getuigd van zijn geloof in de toekomst van het socialisme en als loods-ziener de richting gewezen, waarin het zijn doel kan bereiken.

Een deel der reis is volbracht. Staatsburgerrechten, zo zeide Albarda, zijn voor de arbeidersklasse verworven en verscheidene zeer belangrijke sociale wetten zijn tot stand gebracht. Thans zijn de economische hervormingen aan de beurt, het economische leven moet geordend worden, en een overgang gevormd naar socialistische productievormen. Daarbij, zo zeide Albarda, moet nieuwe weerstand overwonnen worden.

Wij zijh van mening, dat Albarda hier de sociaal-democratie haar tweedetaak juist aanwijst, al is de eerste zeker nog niet geheel vol ■ bracht en zeker wacht haar bij die tweede taak weerstand, die feiler en krachtiger zal worden, naar mate de nieuwe productievormen ook nieuwe eigendomsvormen zuilen eisen. Troelstra heeft indertijd vele eenden in de vijver van ons parlement aan het schrikken en kwaken gebracht, toen hij de scheepvaart als object voor socialisatie aan wees en daarmee even het heilige rederskapitaal aanroerde!

Albarda ziet in de uitsluiting der sociaaldemocraten van de regering een gevaar van ontmoediging en teleurstelling. Volgens hem zal een nieuwe periode beginnen voor de soc. dem. beweging, als de voorwaarden voor soc.- dem. deelname aan de regering geschapen zijn. Men zal haar niet duurzaam buiten de regering kunnen sluiten, omdat zonder haar de grote, nieuwe volksverlangens niet kunnen worden bevredigd. Dan wijst hij op de Scandinavische landen en op onze eigen gemeenten, waar de onzen de regeringsverantwoordelijkheid dragen of mede dragen; daar is het vertrouwen in onze beweging bij het volk toegenomen.

De posities van wethouder en minister verschillen o.i. te veel om ze hier samen te noemen. Wij zien in de mederegering van soc.- democraten thans nog grote gevaren en menen dat deze alleen als uiterste noodzaak aanvaard moet worden. De mederegering maakt medeverantwoordelijk ook voor de daden der anderen. Daarom alleen reeds lijkt ons samenwerking van S.D.A.P. met b.v. de R.K. Staatspartij onraadzaam. Een paar soc.-dem. ministers als een minderheid in een kabinet brengt allicht grote bezwaren mee. De ervaring van Duitsland en Engeland, Frankrijk en België met de mederegering is ons eer een waarschuwing dan een aanmoediging tot samenwerking in de regering. Wij erkennen, dat niet duurzaam buiten de regering door onze leiders de grote, nieuwe volksverlangens kunnen worden bevredigd.

Men plukke echter de appels niet, voordat ze rijp zijn; groene, harde, wrange appels smaken niet naar meer en doen kwaad aan de gezondheid. J. A. BRUINS.

BOEKBESPREKING

Het levende lied van Nederland, uit den volksmond opgeteekend en bewerkt voor zang (blokfluit) en piano, door Jaap Kunst. Uitg. H. J. Paris, A’dam, 1938. Geb. ƒ3.50.

De titel van dit boek is in zoverre misleidend, dat het hier gaat om liederen, die leven in een klein deel van Nederland. Wat niet wil zeggen, dat ze niet waard zijn, door heel Nederland gekend te worden, wat ook wel de bedoeling der uitgave zal zijn. Al bladerend zag ik enkele („Daar boven uit het vensterke”, „Hier is onze fiere Pinksterblom”, „Weefliedje”, „Ain boer wol noar zien noaber tou”, e.a.), die het dank zij volkszanggroepen, als ~Kun je nog zingen, zing dan mee”, en jeugdbeweging al tot algemener bekendheid gebracht hebben. Voor jeugdgroepen, volkshuizen enz. zal deze bundel dan ook zeker een welkome aanwinst betekenen.

In totaal zijn hier 76 liederen bijeengebracht (waarvan een deel over drie bundels „Noord-Nederlandse volksliederen en -dansen” verdeeld in 1915- ’lB bij Wolters verschenen in twee drukken, nu uitverkocht) die ook in zes deeltjes afzonderlijk ingenaaid zijn te krijgen: Liederen van den Jaarkring ƒ 0.60, Balladen en Minneliederen ƒ 0.60, Matrozenliederen, wiegeliedjes en gezelschapsliederen ƒ 0.60, Verhalende liederen ƒ 0.60, Boertige liederen en spotliederen, volkslied, leugenliederen en soldatenliederen ƒ 0.60, Dansen en dansliederen ƒ 1.

De complete uitgave (de afzonderlijke deeltjes kreeg Ik niet in handen) is keurig verzorgd en aardig met geestige zwartjes door Henriette Baukema geïllustreerd. H. B.—S.