is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 1, 07-10-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nieuw socialisme? m

Onze taak in deze tijd

Het is moeilik om zich rekenschap te geven van de positie der socialistiese beweging. Moeilik vooral, omdat elke uiting op dit gebied één van de velen is. Een van de chaoties velen. Wie het discussie-orgaan der S.D.A.P. leest vindt daar reeds een bewijs in dat de socialistiese beweging zich van een kentering van het getij bewust wordt. Nooit wellicht is blijk gegeven van zoveel verschil van inzicht op alle gebieden, waarmee de socialistiese beweging te maken heeft.

Velen uiten zich. Velen zijn verontrust. Wie al die uitingen beluistert, zal vinden dat er kreten geslaakt, oude wrokgevoelens uitgezucht, stokpaarden bereden worden, maar dat van samen te vatten diskussie, vruchtbaar bij de vorming van de politieke beslissingen, weinig sprake is. Beter bewijs, dat men in de socialistiese beweging zich van een nieuwe periode, waarin wij getreden zijn, bewust is, is er niet. Op drie punten uit zich dit voornamelik. Deze punten zijn reeds vaak genoemd, en worden slechts volledigheidshalve hier vermeld.

In de eerste plaats bleek de verwachting dat mèt het voortschrijden der eenwording over de aarde ook een universalistiese gezindheid zou ontstaan, onjuist. De droom der 19de eeuw, toen men de spoorlijnen over héél de aarde projekteerde, toen kennis doordrong aangaande het vreemde in de verte, de droom dus dat mèt de eenheid in het stoffelike ook de mensheid één zou worden, bleek bedrog te zijn: de mens van nu wordt juist door die voortgaande unificering gedreven naar handhaving van het eigene. Hij wil nu een inniger eenheid, meer intens dan breed. Daarom gaat hij aan de kracht van een vaderland geloven. De mens, die niets meer heeft kan altans nog zijn vaderland beminnen. Dat is konkreter dan liefde tot de mensheid. Rasverwantschap lijkt sterker dan geestverwantschap. Dat van deze neiging misbruik wordt gemaakt door machthebbers, die steviger in het zadel komen te zitten doet aan het bestaan van deze neiging niets af.

In de tweede plaats heeft het socialisme een rol gespeeld als eis van gerechtigheid. De konkrete piannen, de rapporten, de verklaringen hebben nooit veel indruk gemaakt. Bij de sterker wordende rationalisatie hoopte men echter ook op rationeler mensen. Mensen, die zich vanzelfsprekend lieten leiden naar een rationeel-geordende maatschappij. Wat in een vorige periode mogeiik scheen blijkt nu onmogelik: men wii zijn individualiteit bewaren. De roep om gerechtigheid blijft. Maar temidden van zoveel vertrapping, zoveel niet-geteld worden wil men in ieder geval toch iets handhaven: zijn persoonlikheid. Men mag dit burgerlik noemen, men kan zeggen dat dit een terugval is, het feit is er niet minder om. Voor ons betekent het dat de socialistiese plannen niet samenvallen met de verlangens der miljoenen. Men keert zich tegen dat, waarin wij de voorbode van socialistiese ordening zagen: de warenhuizen, de uniformering. Niet alieen de kleine burgers, ook de arbeiders.

De beweging zal plannen moeten maken, die ook tevens beantwoorden aan het socialisties ideaal, zoals dat heden verstaan wordt. Anders blijft het ingenieurswerk. Hiermee hangt in de derde piaats samen, dat klasse iets wezenlikers, diepers was.

dan men in de beweging verwacht had. De proietarisering wordt niet als een feit aanvaard, maar men worstelt ertegen als tegen volslagen ondergang. De proletarisering vereenvoudigde de strijd tussen de kiassen niet, maar maakte hem ingewikkelder. De landarbeidersklasse b.v. is zich bewust een andere klasse te zijn dan een stadstimmerman in vaste dienst.

Nu is het tragiese niet, dat onze beweging deze veranderingen niet heeft zien aankomen. Het falen der beweging ligt erin, dat zij niet bij machte was èn is om dit nieuwe pathos, die drang naar individualiteit èn naar konkrete gemeenschap, dit verlangen naar zelfstandigheid èn overgave aan de leider, die ontslaat van peinzen over en beslissen in zaken waarin wij duidelik niet kompetent zijn, als kracht te gebruiken voor de strijd om een socialisties geordende wereld.

Wie zich dat voor ogen gesteld heeft zal de moed hebben aan de beweging eisen te stelien. De moed hebben. Inderdaad. Want van wie eisen stelt mag veel gevraagd worden. En wie eisen stelt mag verwachten dat hij gesommeerd wordt het altans te doen ais medestrijder, medelijder op het ogenblik, mede arbeider.

Aan onze politiek moet meer dan ooit deze eis gesteld worden: dat zij doorzichtig en eenvoudig zij. Doorzichtig, wijl gevolg van diep begrip der werkelikheid, eenvoudig, als resultaat van alzijdige ontvouwing. Welnu, op het ogenblik is onze politiek troebel en simplisties. Troebel is de loonpolitiek, die gebrek aan vaste lijn verraadt, troebel is de aanioop tot de nieuwe ontwapeningspolitiek. Daarbij komt onze beweging steeds achter de feiten aan, laat zich slag op slag voor voldongen feiten stellen, wekt steeds meer de indruk van onzekerheid.

Simplisties is de aktie, waardoor aan de lege handen der strijders arbeid wordt gegeven. Tegen Hitler-Duitsland tegen het kommunisme. In de ijver voor de demokratie worden Dolfuss en Bauer als tweelingen op één plaatje gezet. Simplisties is deze politiek, want zij verwaarloost de wezenlike oorzaken der verschijnselen, die ons zo beangstigen. Zij weet niet de stroming van onze tijd te leiden over onze molens, opdat onze beweging kracht krijgt. Ook naar de inhoud zal onze politiek moeten veranderen: strijd voor het socialisme, niet als ideaal, maar als plan. Als plan, dat zijn bodem vindt in de werkelikheid van nu.

Aan onze ekonomen zal opdracht gegeven worden plannen te maken, die als socialistiese eisen voor het heden verstaan worden. Een werk, waaraan b.v. Eduard Heimann arbeidt. Uit deze aparte eisen zal duidelik het centrale gezichtspunt moeten spreken: de verwezenliking van het socialisme, als enige mogelikheid om niet terug te vallen in de nieuwe middeleeuwen, het fascisme.

Dan zal onze beweging niet op de bres moeten staan voor de burgerlike demokratie, die krachtens haar verbintenis de bolwerken tegen het fascisme ondergraven heeft. Zij zal op moeten komen voor een

eigen vorm van demokratie, die de huidige kritiek op het parlementarisme erkent en haar mechanisme blootlegt. Wij moeten aantonen dat de demokratie slechts verwerkelikt is, wanneer zij zich uitstrekt over het gehele sociale leven, inplaats van de huidige vorm van demokratie desnoods met ons bloed te verdedigen.

Hierin heeft het religieus-socialisme een aanzienlike taak. Niet aileen die van analisering der gezindheid. Niet alleen die van verethisering der motieven. Maar bovenal die van aandringen op het ernst maken met de grondslagen, waarop onze beweging gebouwd wordt. De kracht van een beweging hangt in tijden van verwarring af of de deelhebbers geworteld zijn in een hechte grondslag. Onze beweging heeft deze zaken indifferent verklaard. En wie nu in aanraking komt met de doorsnee goede partijgenoot zal verbaasd staan over zijn onwil om ernst maken met de grondslagen, waarop zijn leven rust. De marxist kent die wel. Met hem is te strijden. In een beweging, die echter het allerwezenlikste overiaat aan de partikuliere liefhebberij zullen velen zijn die een andere liefhebberij zoeken. De mens is nu eenmaai lui.

Het religieus socialisme zal dit moeten aanvallen. Het zal, om het precieser te zeggen, de strijd moeten aanbinden tegen alle geloof dat geen geloof is. Wij moeten durven zeggen dat het niet aangaat om onze politieke mislukkingen te bekennen en dan zonder enige verdere verklaring mede te delen, dat wij nochtans geloven. De jongste rede van Albarda in Antwerpen toonde duidelik deze strekking. Dan is geloof inderdaad gevaarlike opium. Dan is het bedwelmingsmiddel van mensen die niet in de vertwijfeling durven staan. Wij moeten het geloof zuiver stellen. Niet M onze verlangens zijn, terwille van hun vurigheid, objekten van geloof! Als we niet zorgen dat geloof inderdaad diepste grond blijft, een roepen om de Eeuwige, een verwachten van de Heer, en niet zeggen dat elke andere vorm van geloof droombeeld is, dan zal onze beweging verzanden in huilerige sentimenteligheid van zelfbeklag, van mensen die het toch zo goed gemeend hebben, en wie het nu is tegengeiopen, maar die hun wensen, die ze plechtig geloof noemen, blijven koesteren.

Dit is geen gemakkelike taak. Wij moeten ieder vragen: wat is uw fundament? Waarom vecht gij voor het socialisme? Niet om hem ons fundament op te dringen, maar om hem eigen grond te laten vinden. Met mensen, die dat gevonden hebben, hoe dit er ook mag uitzien, valt te strijden. Zonder dat blijven wij vreemdelingen in éénzelfde beweging. Wij moeten het socialisme ontluisteren als geloof. Maar wij moeten het een veiliger plaats geven, n.l. als konkreet doel, voorwerp van strijd van heden, uit kracht van ons geloof.

Velen zullen dit te formeel vinden. Zullen meteen ook de inhoud van het geloof er bij wiiien weten. Dat zeggen kan op het ogenblik het religieus socialisme zeker niet. Misschien zal zij dat nooit kunnen. Maar als groep van mensen, die vechten om vaste grond heeft zij een enorme taak. Zij roept op om, staande of hopende op vaste bodem trouw te zijn aan en vrij te blijven in een beweging die spoedig opgang moet krijgen zo zij niet het lot wil delen van die vele historiese bewegingen, die nu nog slechts interessant studiemateriaal voor geleerden en kwellende repetities voor schoiieren leveren.

L. H. RUITENBERG.

17 Augustus 1933.

Houdt uw opgaven van nieuwe abonné’s niet vast, doch zendt ze nog heden aan de administratie:

HEKELVELD 15, AMSTERDAM