is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 3, 21-10-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buitenland

Hartstochten baas

Krampachtige schokken teisteren onze kranke wereld. Telkens schijnt het alsof eenige weldadige rust terugkeert- en dan komt het weer, dat nerveuze spannen van pezen en spieren, dat het geheele zieke lichaam doet sidderen en trillen en dat telkens een weer ergere inzinking achter laat dan waaraan de patiënt vóór de laatste crisis ten prooi was. Nog geen vier weken geleden betoogden wij, dat de internationale toestand w.i.w. gespannen was, maar toch geen direct oorlogsgevaar inhield. Wij grondden dat oordeel op het volslagen isolement van Duitschland sedert den nationaal-socialistischen staatsgreep. Zelfs de huidige machthebbers te Berlijn zullen verstandig genoeg wezen, dachten wij, om in te zien, dat onder die omstandigheden niets anders dan een schijngelijkstelling in zake bewapening en een vage belofte der tegenstanders te verkrijgen is, terwijl verder alles aan de toekomst moet worden overgelaten, wanneer wellicht de binnenlandsche toestand geconsolideerd en de ontwikkeling in het buitenland tot nieuwe splitsing onder de nKMendheden geleid heeft.

Terwijl wij dit schrijven, verspreidt groote onrust zich over de wereld, omdat daareven bekend is geworden, dat Duitschland zich uit de Ontwapeningsconferentie terug heeft getrokken en ook zijn lidmaatschap van den Volkenbond opzegt. Beteekent dat oorlogsgevaar? Er zijn er nog, die zeggen van niet. „Ook buiten den Volkenbond en de ontwapeningsconferentie zal Duitschland gelegenheid hebben zijn goeden wil en vredelievendheid te bewijzen”, hoopt men nog. In een eindelooze radiopreek heeft Hitler zalvend verzekerd, dat het krijgszuchtig gemarcheer der Duitsche jeugd slechts ten doel heeft „het communisme neer te werpen”. Hij strijkt zijn Franschen tegenspeler, den zwijgenden Daladier, onder de kin en bezweert met belachelijken ernst, dat niets een eeuwigen vrede in den weg staat. Laat Frankrijk het Saargebied uitleveren, zegt hij en slechts een gek zal Elzas-Lotharingen terug willen hebben. Wapenen willen wij niet, wij willen slechts dezelfde wapenen als de anderen: gelijkgerechtigheid dus. „Als de wereld besluit, dat alle wapens vernietigd zullen worden, zijn wij dadelijk bereid tot een dergelijkte conventie toe te treden.”

Juist een dergelijke taal, die wee van onzakelijkheid is, brengt ons er toe, onze diagnose van voor eenige weken te herzien en te concludeeren, dat er nu wèl oorlogsgevaar is. De vooronderstelling ligt voor de hand, dat het plotselinge besluit der nationaal-socialistische regeering tegen den zin en de waarschuwingen ook van Mussolini in het gevolg is van het overwicht der fanatici over de gematigden in eigen kring. Wanneer men te Berlijn nog zijn zinnen bij elkaar had, wanneer het gevaarlijke besluit nog de vrucht W’as van koel overleg, dan zou men niet tevens den Rijksdag ontbonden hebben en het volk voor 12 November ten behoeve van een referendumscomedie hebben opgeroepen. De opium-dosis van het Congres van Neurenberg en het Leipziger proces zijn niet sterk genoeg geweest. Er is weer behoefte aan een vertooning als die van den 4en Maart. Hitler’s rede is niet zoozeer voor buitenlandsch als wel voor binnenlandsch gebruik bestemd; alle registers worden open gezet: er wordt een beroep gedaan op alle massale ik-gevoelens en kleffe sen-

timentaliteiten, waarvan de „Leider” evenzeer het slachtoffer is als de door hem „geleide” schare. De „furor teutonicus” (= Duitsche woestheid) is er en dat beteekent oorlogsgevaar.

* * * Tegenover het gevaarlijk-onbeheerschte, dat het kenmerk is der Duitsche gevoelspolitiek, wordt het optreden der Fransche diplomatie in hooge mate gekarakteriseerd door koel-berekenend overleg. Gedurende den afgeloopen zomer heeft zij het kunststukje klaar gespeeld, den gang van zaken in Midden-Europa te haren bate te exploiteer en. De Fransch-Engelsche Entente lijkt weer volkomen opgelapt. De eenige jaren lang gevaarlijk verscherpte tegenstelling tot Italië is aanzienlijk verzacht. Samen schijnen Mussolini en „democratische Marianne” op stap te zijn geweest, om den Balkan te pacificeeren. Polen is door den Roemeenschen staatsman Titulesco, naar het heet, nog net vóór het losbarsten van de bui in de Kleine Entente van Tsjecho-Slowakije, Zuid-Slavië en Roemenië onder dak gebracht. Deze laatste combinatie heeft zich opgeknapt met een militair bondgenootschap, waardoor zij een leger te velde zou kunnen brengen, grooter zelfs dan dat van Frankrijk. Nu bereidt de sluwe Roemeen, agent van de machthebbers aan de Seine, weer een toenadering tot Bulgarije voor; Griekenland is al goed, Turkije wordt het meer en meer. De Vereenigde Staten en Rusland zijn het samen eens: tegen Japan. De Sovjet-Unie heeft behoefte aan veiligheid aan haar westgrens en wisselt vriendelijke handdrukjes met Polen en Roemenië, met Frankrijk zelfs.

Kortom, overal in de wereld, te voren vol twist en kift, wordt het benauwend stü. De groote heeren gaan een strafexpeditie organiseeren tegen Dronken Michel, die maar niet van zins schijnt, zijn roes eens te gaan uitslapen: razen en bulderen hoort men hem maar in het vunze herbergje, als een dolle stier! Boef en boefjesmaat willen daar bij zijn, want daar valt wat te verdienen. In de drukkende stilte, die aan de kloppartij vooraf gaat, hoort men er twee tegen elkaar mompelen van een Fransch professor, die een nieuw oorlogsgas zou hebben gevonden, verschrikkelijker in zijn uitwerking dan een van de te voren gekende en van een Deensch socialistisch parlementslid „tot dusver bekend om zijn pacifistisch streven” —, die bekeerd was tot voorstellen „voor de ontwikkeling en verbetering van het leger”, voorstellen, „waardoor tevens de werkloosheid in Denemarken zou verdwijnen...”

Er is geen twijfel aan, of de militaire machtspositie van Duitschland tegenover een coalitie van vijanden, die nog veel en veel groter is dan tijdens den wereldoorlog, is hopeloos. Maar de Fransche diplomatie is gewiekst genoeg om te weten, dat zij juist daarom voorzichtig moet wezen. Een coalitie zoo groot als zij op ’t oogenblik tracht te beheerschen is een zeer gevaarlijk bezit. Men kan er zich van verzekerd houden, dat zoowel Italië als de Sovjetunie, Frankrijk graag zijn strafexpeditie in Nazi-Duitschland gunnen, maar slechts om daardoor eigen voordeeltjes in de wacht te sleepen en om hun ~veto” uit te spreken, als het eens zou willen beginnen aan de verwezenlijking van eigen historisch plan, dat het ook in 1919 niet heeft kunnen verwerkelijken: de versnippering van het Duitsche rijk en de oprichting van een geprote-

geerde Zuid-Duitsche en Rijn-republiek. Ook de band tusschen Frankrijk en de Kleine Entente zou, als het erop aankwam, wel eens minder hecht kunnen wezen, als het lijkt. Wat voor belang heeft Roemenië et eigenlijk bij om oorlog te voeren tegen Duitschland? Polen zal ongetwijfeld graag Dantzig en Oost-Pruisen beheerschen, maar Rusland en zijn engere bondgenooten zullen het die machtsuitbreiding niet gunnen. Allen hebben zij er een uitnemend belang bij, de verdedigers van het Verdrag van Versailles, om zich „het Duitsche gevaar” van de hals te schuiven, maar elkaar gunnen zij gaarne de eer om vóór te gaan en ieder kijkt al uit naar de gunstige gelegenheid om, profiteerende van de worstelingen, die straks Midden-Europa zullen verscheuren, particuliere voordeeltjes op eigen jachtterrein te gaan zoeken. Zoo is op het oogenblik Frankrijks diplomatieke positie wel veel mooier dan een jaar geleden, maar het dankt die uitsluitend aan de razende Rolanden, die het momenteel in Berlijn te zeggen hebben. Wij verwachten dan ook niet, dat de Quai d’Orsay voorloopig zijn gereserveerde houding zal laten varen, tenzij... eenige teekenen wijzen daarop ook in Frankrijk nationalistische opwinding het van bezonnenheid gaan winnen. In dat geval is Europa’s leed niet te overzien.

Als dit artikel in druk verschijnt, zal er misschien zicht op zijn, hoe Versaiiieaansch Europa op Duitschiands heilloos besluit reageert misschien zal men, onderlinge oneenigheid verbergende, voortjeuzelen over ontwapening maar reeds nu kan vastgesteld worden, dat „het tijdvak van den Volkenbond” afgesloten is. Ofschoon deze n.l. opgericht werd onmiddellijk na het sluiten van den geweldvrede van 1919, begon het tijdperk van den Volkenbond toch eigenlijk pas in 1926, toen Duitschland na het Verdrag van Locarno lid van den Volkenbond werd en deze ophield een verbond van oorlogswinnaars te wezen, die slechts in zooverre belang bij den wereldvrede hadden, als die vrede beteekende: handhaving van hun verkregen voordeelen. Een korte periode hebben wij toen gehad, waarin het scheen, alsof de Volkenbond zich zou ontwikkelen in een andere richting; een bond van vrije naties, waarin geen overwinnaars en geen overwonnenen meer waren en waarvan het doel werd: handhaving der gerechtigheid ook in de statengemeenschap. Het klinkt zoo wijs om te verklaren: illusie, de tijden en menschen waren niet rijp daarvoor. En wanneer wij het versmaden met een dergelijk oordeel afscheid van dit toch wel belangrijk en hoog-menschelijk tijdvak te nemen, dan is dat niet om de schuld der mislukking op anderen te werpen: hetzij dan op de mogendheden der Entente, die verzuimd hebben op het psychologisch moment tot ontwapening over te gaan, hetzij op de nationaal-socialistische beweging in Duitschland, die opgekomen reeds onmiddellijk na de liquidatie der nederlaag, diegenen in Frankrijk gelijk scheen te geven, die van oordeel waren, dat men zijn tegenstanders nóg te genadig behandeld had. Wij zelf hebben schuld, wij, voor wie de vredesgedachte niet meer dan een van onze vele stokpaardjes was, wij die het aanzagen, dat de vredesgedachte voor onze partijen niets anders was dan al het andere: politiek. Wat de toekomst brengen zal is duister. Wie weet of zij ons binnenkort niet slaat met verschrikking en dood'’ Als dat zoo wordt, laat zij ons dan althans vinden als kenners der diepst-eigenlijke oorzaak van de débacle. j bARTSTRA.