is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 5, 04-11-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buitenland

I Q A A KA i—l Pi I 0/\/\/y\l I I Vjli Li Lr

Met gespannen belangstelling, ofschoon niet altijd met hoop en vertrouwen, volgen wij het groote economische experiment, waaraan in de geschiedenis wel eens de naam van Franklin D. Roosevelt verbonden zou kunnen blijven. Toen deze Amerikaansche staatsman nu ongeveer acht maanden geleden zijn hooge ambt bekleeden ging, verwachtte de groote liberale pers in Europa van hem terugkeer tot vrij eren handel in het internationaal ruilverkeer en reactie tegen Hoover’s staatssocialistische maatregelen. Wie min of meer gevolgd heeft, wat sedert dien historischen 4den Maart in de Vereenigde Staten is geschied, zal moeilijk een glimlach kunnen onderdrukken over de naïveteit, die dergelijke supposities op de verkiezingsbeloften grondde, door den demokratischen partijleider te voren als opposant tegen zijn voorganger afgelegd.

Wij voor ons zullen ons wel wachten, het schenden van dergelijke beloften ethisch gerechtvaardigd te vinden. Over Roosevelt’s loslaten van den gouden standaard hebben wij onze onverholen afkeuring uitgedrukt. Ook afgescheiden van de ethiek, zouden wij niet graag als de Engelsche arbeiderspartij doet ons vaste geloof in het slagen van het Amerikaansche experiment reeds nu durven uitspreken, laat staan dit zonder meer ter navolging in Europeesche verhoudingen willen aanprijzen. Maar wij zijn toch wel sterk onder den indruk gekomen van het cardinale feit, dat deze rasechte Yankee-individualist, toen hij zich voor de volstrekte noodzakelijkheid geplaatst zag om zijn volk te redden uit de verwildering, waarin het door het spaak geloopen kapitalistische productie-stelsel vervallen was, meer en meer overgaat tot maatregelen, waarvan hij tevoren nimmer gedacht zal hebben, dat hij ze ooit nemen zou: maatregelen, die niet anders dan „socialistisch” moeten heeten in den wijdsten zin van het woord.

Natuurlijk hoopen zich daarbij van alle kanten moeilijkheden op. Maar hij moet voort op den ingeslagen weg. De maatregelen, die hij reeds genomen heeft, laten zich niet weer ongedaan maken en zullen gelooven wij de belangrijkste consequenties na zich sleepen. Het merkwaardigste is, dat de President daarbij nog steeds niet den indruk kan maken, een man van buitengewone proporties te zijn. Hem wordt verweten, dat hij al te gemakkelijk dan van dezen en dan van genen kant te beïnvloeden is. Men spreekt van zijn „jongensachtigen aard, die de zwaarste verantwoordelijkheid licht schijnt te achten.” Of zou hij een dier begenadigden zijn, wier zeer nerveuze ontvankelijkheid vatbaar is voor iedere uiterlijke beroering, m.aar wien diepst-eigenlijk en onaantastbaar genie feilloos en als ’t ware spelenderwijs steeds tot datgene inspireert ingeving der Godheid zelve? —, wat naderhand door menschelijke geleerdheid geprezen wordt als „het eenig juiste”? Een correspondent meldt: „Wij hebben de meening hooren verkondigen, dat Amerika in een nieuw stadium gaat verkeeren, dat de tijden van het pioniersleven voorbij zijn, waarin iedere immigrant en arbeider tenslotte met inspanning en wat geld kapitalist kon worden. Roosevelt had dat ingezien en de arbeiders toegeroepen: „Voelt u solidair en als klasse verantwoordelijk tegenover de rest van het volk”. Er is een sociale bewustwording over het land gekomen, langzamerhand gaat men inzien, en de regeering gaat hierin voor, dat de ver-

schillende groepen en personen samen moeten werken voor het groote geheel”.

Van niemand minder dan Alexander den Groote wordt immers ook gezegd, dat hij bekoorde door ontvankelijke, bijna frivole ,jongensachtigheid”. Maar Alexander was 32 jaar, toen hij stierf, en Franklin D. Is nu reeds 51

Op het oogenblik dat wij dit schrijven lijkt aan den eenen kant in Amerika de chaos erger dan ooit. Twee millioen ondernemers hebben het teeken van den „blauwen adelaar” aangenomen, waartoe het onderteekenen der „code” van de Nationale Herstel Actie recht geeft: ze hebben daarmee op zich genomen, den werktijd van hun arbeiders te verkorten, zonder het loon daarvan te verlagen. Zoodoende werken zij mee om het getal werkloozen te verminderen en het maatschappelijk leven weer op gang te helpen. Maar het aantal onderteekenaars had eigenlijk vijf millioen moeten bedragen en de vraag naar de zoodoende duurder wordende artikelen is niet in dezelfde mate toegenomen, als noodig geweest was, wanneer de zaak volkomen had kunnen kloppen. De boeren klagen dat de prijzen der landbouwartikelen, die eerst aardig omhoog liepen, sedert Juli alweer tot op de helft van het accres gezakt zijn, terwijl de prijzen der artikelen in den kleinhandel gestaag rijzen. Tusschen ondernemers en arbeiders zijn hier en daar ontzettende conflicten uitgebarsten. Het Herstel-systeem brengt n.l. de gedachte der „gesloten werkplaatsen” mee: een stelsel van collectieve contracten tusschen werkgevers en in Amerika nimmer aanvaarde vakvereenigingen. Sommige patroonscombinaties eischen handhaving van hun recht, arbeiders aan te nemen en te ontslaan „naar gelang van bekwaamheid”. Men hoort van groote stakingen.

Wallstreet, het conservatieve New-Yorker bankkapitaal, waarschuwt tegen erger inflatie, waarop van agrarische zijde juist krachtig aangedrongen wordt. Een boerenbond van twee millioen leden is een boycot aangevangen; men heeft zich verbonden niet meer te koopen, belastingen te weigeren, niet onder een af gesproken prijs te koopen. In Dakota belemmert men den invoer van levensmiddelen uit de rest van het land, om de eigen landbouwers te beschermen. Dit is het Neo-mercantilisme ten top gedreven: men waant zich in de tijden van het „ancien régime”. En onderwijl gaat het hervormingswerk te Washington op steeds radicaler wijze voort. „Productie door overleg zal in de plaats moeten treden van productie in het wilde weg”, zoo interpreteert generaal Johnson, de leider van het Herstelwerk, het doel van zijn streven. De katoenbouw is gerantsoeneerd. Textielfabrikanten zijn niet meer vrij, nieuwe machines in te voeren, zij moeten daarvoor permissie hebben van regeeringswege. Maar nu komt de echt kapitalistische kritiek ook van alle kanten los. De New York Herald zegt, dat „het herstel opgeofferd wordt aan de verwezenlijking van sociale droomen” en stelt de principieele vraag: „Houdt de revolutie, die door sommigen beschreven wordt als het einddoel van het Herstelwerk, ook in: de afschaffing van het winststelsel?”

Zoo botsen groeps- en klassenbelangen wild tegen elkaar op in Amerika en niemand kan zich er nu reeds van overtuigd houden, dat Roosevelt en Johnson de taak, die zij op zich genomen hebben, zullen volbrengen. Zij beroemen er zich op, vier millioen werkloozen aan arbeid te hebben geholpen, maar hun totale aantal bedroeg meer dan drie keer zooveel. „Er mag in dezen winter geen honger worden geleden”, zoo klinkt ook hier de in zijn veel te krachtige stelligheid verontrustende verzekering. Aan de boeren zullen de onverkoopbare levensmiddelen worden afgekocht, opdat geen nooddruft naast overvloed zij, maar op het liedje van de „zoete, lieve Gerritje” hebben de President en de Generaal geen ander antwoord dan: het goud zal worden duurder gemaakt, wat de inleiding tot diepere inflatie is.

En toch is het niet onmogelijk, dat dit alles voorjaarsstormen zijn, die een nieuwen bloei voorafgaan. Te midden van al die conflicten constateert de bovengenoemde correspondent een onmiskenbaar groeiend eenheidsgevoel, een „nieuw nationalisme op hechten grondslag”, een „saamhoorigheidsgevoel van zuiverder aard”. Men zal wèl doen, dit niet te idealiseeren. Op een andere plaats heeft hij het over de „critiekloosheid der menigte, die slaafs aanvaardt” wat haar van wege de Herstelactie wordt voorgezet. Tot nu toe heette de geest in Amerika door alles heen individualistisch. Is het mogelijk, dat deze, gedrongen door den nood en opgestuwd door „mode”, in enkele weinige overgangsjaren omslaat in een van krachtig en zuiver collectivisme? Wie weet? In Amerika koloniaal land, als het voor het grootste gedeelte toch nog is is het individualisme eigenlijk nimmer gesublimeerd tot een door de eeuwen gegroeide cultuur, waarmee de natie was saamgegroeid. Derhalve moet van te voren gezegd worden: wat in Amerika kan, zal in West-Europa nog niet kunnen. De Amerikanen, zegt men wel eens, zijn eigenlijk allen „groote kinderen”, in wie dus uiteraard nog allerlei mogelijkheden zitten van „plotselinge bekeering”, terwijl wij West-Europeesche oude mannetjes zijn geworden, die, blasé van al onze „ontnuchterende ervaringen”, nog slechts te sabbelen weten op godsdienstige en politieke dogma’s.

In ieder geval gaat echter ook voor ons een onvergelij kelij k belangwekkend schouwspel daar aan den overkant zich ontrollen. Welke plaats zal het wordend saamhoorigheidsgevoel daar in het spel der tegen elkaar strijd voerende groeps- en klassenbelangen kunnen innemen? En hier geen tegenstellingen, die zich als in het Midden-Europeesch fascisme koest moeten houden onder dwingende en doodende uniformiteit. Of wel zij verstikken het wordend collectivisme en voeren tot barbaarschheid, of wel zij stimuleeren zijn groeikracht. Mocht het laatste het geval worden, dan krijgt de wereld het tweede paradoxale anti-kapitalistisch experiment te bestudeeren: naast het Russische, in het land dat volgens het Marxisme het minst van al daar economisch op voorbereid was, dan ook het Amerikaansche, in het land zonder noemenswaarde socialistische en arbeidersbeweging. En wij hier in Avondland komen dan voor onze moeizame taak te staan: ons met onze waardevolle cultuur en dierbaarder vooroordeelen ergens een plaats te zoeken in den driehoek, waarvan de hoekpunten gevormd worden door Amerika, Sovjet-Unie en Midden-Europeesch fascisme.

J. S. BARTSTRA.

Houdt uw opgaven van nieuwe abonné’s niet vast, doch zendt ze nog heden aan d*=> administratie:

HEKELVELD 15, AMSTERDAM