is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 5, 04-11-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Werk van Jan Mankes

DE VALK

Stil en voornaam zit de valk op den boomtak. Zijn soepele donzen veeren-vacht tooit den roover als met koninklijk hermelijn.

Even gedoken staart hij scherp vooruit. Als gebeeldhouwd zoo stil zit de gevangene die zich zoo snel bewegen kan in de vrije wereld, jagend achter buit.

Gestyleerde figuur, door den schilder bestudeerd met de liefdevolle zorgvuldigheid van den kunstenaar. Jan Mankes heeft veel van dieren gehouden. Dezen kleinen balling heeft hij gekoesterd en vertroeteld.

Hij heeft de sierlijkheid bewonderd van dit schepseltje, geschapen om te dooden, snel en feilloos, met de wel-gerichte kracht

van klauw en snavel, stilzwevend op zijn gevederte, dan voortijlend met woeste wieken achter het hulploos wezen tot zijn spijs bestemd.

De kunstenaar ziet dit alles. Eerlijk. Het ligt opgesloten in deze kleine gestalte. Saamgeperste kracht, die wacht op de kans zich plotseling te uiten spelt dit geheimzinnig-stille wezen. De schilder vorscht, ontleedt, maar heeft lief. Hij heeft het leven lief in al z’n grillige openbaringen. Met zóóveel toewijding te kunnen schilderen!

Balling? Laat ons daarom den vurigen valk een gast noemen. Maar zelf kan deze wilde het onderscheid niet beseffen. J. J. MEIJER.

Jeugd en Politiek m iiiiiiiiiiiiiiiiiiiij M iiiiiiiiiiiiiiiiiiiil m

Van alle kanten hoort men tegenwoordig protesten tegen het verschijnsel, dat de jeugd zich meer en meer met politiek gaat bemoeien. Men meent uit opvoedkundige, zielkundige, geloofs- en andere overtuiging, dat jeugd en politiek niet bij elkaar horen. De jeugd heeft daar nog niets mee te maken. Als ze zich ermee bemoeit, is ze daartoe geforceerd door inmenging van volwassenen.

Over dit vraagstuk kreeg ik dezer dagen een Duits artiekel van 1926 onder ogen, dat m’n aandacht trok door de geheel andere opvatting, die daarin tot uiting kwam. (Ter voorkoming van misverstand dient te worden opgemerkt, dat het hier over rijpere jeugd gaat, laten we zeggen jeugd boven 14, 15 jaar).

De schrijver, een onderwijsman uit de kringen der arbeidersbeweging destijds, komt in dit artiekel tot de uitspraak, dat

er noch van een onpolitieke kinderperiode noch van een onpolitieke jeugd kan worden gesproken. Hij licht deze stelling als volgt toe: men moet dit vraagstuk psychologies bezien, dat wii zeggen, dat het hier niet gaat om de houding der jongeren tot een bepaalde politieke partij of tot de Staat, maar om de houding van de jeugd ten aanzien van de politiek in het algemeen.

En dan is er van onpolitieke jeugd geen sprake, omdat in ieder mens en ook in ieder jong mens, de „geldingsdrang” leeft. De drang om zich te doen gelden, die de schrijver het politieke oer-pathos noemt. Ik moet zeggen, dat deze uitspraak me in het eerste ogenblik een beetje vreemd aandeed. Maar wanneer we weten, dat de schrijver als kern van de politieke houding ziet: de drang om zich in een bepaalde levenskring te handhaven, dan is het toch niet zo vreemd.

Immers waarom zou men anders aan de politiek (letterlik vertaald: staatsmanskunst) zoveel aandacht besteden, als het

er niet om ging zich te handhaven als volk, als mensengemeenschap?

En als we het zo zien, waarom zou dan de jeugd niet iets van dit gevoel kunnen kennen?

Zeker, zij leeft in een kleinere kring, voor haar is het begrip: gemeenschap, levenskring, doorgaans nog maar beperkt tot een betrekkelik kleine groep (gezin, jeugdbond, school). Maar ten aanzien daarvan kan ze wel degelik een zelfde gevoel hebben als de volwassene kent ten aanzien van zijn grotere wereld.

Als we dit aannemen, n.l. dat de jeugd dus in beginsel dit gevoel kent, dan is de hele kwestie van de z.g. „verpolitisering der jeugd” die men de laatste tijd meent waar te nemen, ineens doorzichtiger geworden.

Immers juist in de laatste jaren is de jeugd als het ware met geweld gedwongen geworden de horizon van haar levenskring uit te breiden. Ze is ertoe gedwongen verder te kijken dan haar eigen jeugdleven. De volwassenen hebben een dergelijk „rumor in casa” gemaakt, dat het voor wie niet heelemaal ingeslapen was of nog sliep, onmogelik was de oren er voor te sluiten.

Maar laten we alvorens we deze stelling bewijzen eerst iets nader ingaan op de houding van de jeugd in het algemeen ten aanzien van de politiek.

Het is een bekend feit, dat de arbeidersjeugd altijd veel vroeger belangstelling had voor vragen van politiek.

En ieder, die deze jeugd kent, weet, dat het oppervlakkig en bevooroordeeld is om te menen, dat dit alleen veroorzaakt werd door bewuste vroegtijdige beïnvloeding van volwassenen.

Het moet voor ieder die open van geest is toch duidelik zijn, dat een jongen, die al een paar jaar een plaats heeft als werker in de maatschappij, als hij een beetje wakker is, oog moet krijgen voor maatschappelike vraagstukken al zou het alleen maar zijn voor het bestaan ervan.

En het is in deze tijd werkelik geen sentimentaliteit, als we hier even de aandacht vestigen op de jongeren van 15, 16 jaar, die elke dag aan den lijve ondervinden, wat werkloosheid betekent. Kan men in deze tijd werkelik nog menen, dat deze jeugd alleen kunstmatig de ogen geopend wordt?

Hoe is nu echter de belangstelling van de burgerlike jeugd in deze tijd voor deze zaken te verklaren?

Was het voor haar noodzakelik haar horizon te verwijden? In ons land kan men daar nog verschillend over denken. Er zijn bovendien nog groepen, die hieraan nog niet toegekomen zijn.

In Duitsland is men eenvoudig door het feit dat men jong is, ingeschakeld in een politiek verband.

Maar wij blijven ons tot ons eigen land beperken, voor zover dit mogelik is. Wat is de oorzaak van het feit, dat zoveel burgerlike jeugd, zich is gaan „bemoeien” met politiek?

Het zou van simplisme getuigen hiervoor één oorzaak te willen aangeven.

We zullen evengoed op de veranderingen van de jeugd zelf, op de natuurlike eigenaardigheid van de jonge generatie, van de nieuwe lichtingen, moeten letten, als op de veranderingen in het maatschappelik leven. Overigens is het onnodig te trachten, deze beiden onafhankelik van elkaar te beschouwen. Daarvoor zijn persoonlik en maatschappelik leven veel te nauw met elkaar vervlochten.

Wat zijn in dit verband de grote veranderingen in de samenleving? Heeft de 5 Maart-revolutie in Duitsland plotseling voor de Nederlandse als voor de Duitse