is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 8, 25-11-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De onkerkelikheid in Nederland VI (Slot)

Bij de laatste Volkstelling (1930) is weer gebleken (evenals bij de vorige twee tellingen), dat de onkerkelikheid in het algemeen in de steden groter is dan in de plattelandsgemeenten. Met het toenemen van de bevolking stijgt ook het percentage der onkerkeliken, blijkens de in deel 111 der Volkstelling 1930 gepubliceerde gegevens:

Groepen van gemeenten met pCt. onkerkeliken 500 en minder inwoners 2.99 pCt. 501— 1.000 2.76 „

I.ool 2.000 „ 2.95 „ 2.001 5.000 4w82 „ 5.001 10.000 „ 7.17 „ 10.001— 20.000 „ 11-76 „

20.001 50.000 „ 16.27 „ 50.001 „ 12.90 „ meer dan 1.000.000 „ 27.59 „ Het Rijk 14.42 „

Af gezien van de kleine afwijking in de 2de groep valt het meest de uitzondering in de groep met 50.001—100.000 inwoners op. Van de 12 steden, die hiertoe behoren, zijn er echter 4, waaronder de meest volkrijke, overwegend Katholiek (Eindhoven, Nijmegen, Tilburg, Maastricht), wat het percentage der onkerkeliken drukt, daar in het algemeen het uit Katholieke ouders geboren deel der bevolking er niet zo gauw als het Protestantse toe overgaat, „onkerkelik” op de Volkstellingskaart te plaatsen. Ook is bovengenoemde indeling niet geheel ideaal: in de 7de groep vallen verschillende gemeenten, die geheel of gedeeltelik agraries zijn, (bijv. Emmen, Haarlemmermeer, Ede, Rheden), maar door hun uitgebreide oppervlakte toch in de op 2 na volkrijkste groep vallen. Ook vertonen de grote steden niet de allerhoogste percentages van onkerkeliken: hoger dan Groningen (36 pCt.), Amsterdam (35 pCt.), Haarlem (31 pCt.), Den Haag (23 pCt.), Rotterdam (22 pCt.) en Utrecht (16 pCt.) komen verschillende kleinere Noordhollandse industrie-plaatsen (Koog en Zaandijk o.a. beide ruimsopCt.), en vele agrarische plaatsen in Noord-Holland, Friesland en Groningen.

Dit neemt niet weg, dat van de ruim 1.1 miljoen onkerkeliken er bijna 600.000, dus meer dan de helft, in de 6 volkrijkste steden wonen, die nog geen 30 pCt. van de Nederlandse bevolking herbergen. De grote steden zijn dus niet de enige, wel de belangrijkste centra van de onkerkelikheid. Het blijkt ook uit de statistiek der Katholieke Kerk over de non-paschanten (zij, die hun „Paaschplicht” niet vervullen), die bijna overal in de steden veel talrijker zijn dan in de plattelandsgemeenten: in Amsterdam bijv. wel bijna 39 pCt. van het totaal aantal communicanten (1931), in Rotterdam en omstreken 35 pCt. (1930), in den Haag 25 pCt., daarentegen in een plattelandsdekenaat als Zoeterwoude (het gebied tussen Leiden, Den Haag en Gouda) nog geen 1 pCt.l Bekend is de klacht der Katholieken, hoe Brabanders en Limburgers, verhuizend naar de grote bevolkingscentra (Rotterdam, Antwerpen, Mijngebied) voor de kerk vaak verloren zijn. Ook de Hervormde en Gereformeerde kerk klagen over groter afval in de steden dan op het platteland.

Wat geeft de bewoners van de stad aanleiding, eerder met de kerk te breken dan de dorpelingen? Men stelle zich deze tegenstelling stad-dorp vooral niet essentieel voor: de hierna volgende oorzaken werken

zeker ook bijna alle op het platteland, alleen meestal minder sterk. Met ze hier nu op te noemen hebben we meteen gelegenheid in dit laatste artikel nog eens een samenvatting van de voornaamste oorzaken der onkerkelikheid te geven al zijn dit niet de enige!

1. In het algemeen is de sociale strijd en eveneens de rationaliserende invloed van het economies leven op het platteland niet zo belangrijk als in de stad, waar de tegenstelling tussen bevoorrechten en onbevoorrechten groter, het contact met de natuur kleiner is.

De sterkere sociale strijd in de steden blijkt reeds uit de statistiek der verkiezingen: (zie Statistiek der gemeenten, serie A No. 1): verdeelt men alle Nederlandse gemeenten in drie groepen, a) met minder dan' 50.000 inwoners, b) met 50.001 tot 100.000 inwoners, c) met meer dan 100.000 inwoners, dan blijken deze groepen in 1931 bij de verkiezing voor de Provinciale Staten resp. een stemmencijfer op te leveren voor de S.D.A.P. van 17 pCt., 23i pCt. en 33i pCt., voor de Communisten van 1 pCt., 2 pCt. en 5 pCt.

2. De traditie, die eeuwenlang veel formele kerkelikheid heeft bewaard, gaat gauwer verloren in de grote stad dan in het tot voor kort vaak geïsoleerde dorp, waar bovendien de contróle op elkanders gedragingen zoveel gemakkeliker en nadrukkeliker plaats vindt.

3. De steden zijn in godsdienstig opzicht meestal minder homogeen dan de dorpen, de kans op een gemengd huwelik is er daardoor groter. En bekend is, hoe in toenemende mate speciaal de kinderen uit gemengde huweliken als onkerkelik worden aangegeven bij de Volkstelling. Uit een onderzoek van Dr. J. Sanders over bijna 25.000 Rotterdamse families bleek, dat van 1878 tot na het einde van de wereldoorlog het aantal gemengde huweliken is gestegen van ruim 10 pCt. tot bijna 35 pCt., terwijl het aantal onkerkelik aangegeven kinderen uit huweliken tussen een Protestantse man en een Katholieke vrouw in diezelfde periode steeg van 1.43 pCt. tot 30.65 pCt. en van die uit huweliken tussen een Katholieke man en een Protestantse vrouw van O pCt. tot 25.58 pCt.! In Amsterdam huwden in 1930 van elke 100 Katholieke mannen er 41 met een niet-Katholieke vrouw, van elke 100 Katholieke vrouwen 43 met een niet-Katholieke man. De geesteliken schijnen de gemengde huweliken in de steden dus maar weinig te kunnen keren, evenals de opzettelike geboortenbeperking, zoals uit bovengenoemd onderzoek van Dr. Sanders voor Rotterdam duidelik bieek.

4. Het aantal intellectuelen is in het algemeen groter in de steden dan in de plattelandsgemeenten. En de intellectuelen zijn onkerkeliker dan de bevolking dooreengenomen is. Het blijkt reeds bij de studenten; in 1930 was blijkens de Volkstelling 14.42 pCt. der Nederlandse bevolking onkerkelik, maar volgens de Statistiek van het Hoger Onderwijs (1930/1931) van de studenten 25.7 pCt., terwijl het aantal onkerkeliken onder alle mannen van de leeftijdsgroep van 20—29 jaar 16.75 pCt. bedroeg.

5. Ook de invloed van de doorsijpeling der 19de eeuwse materialistiese wetenschap, nu pas aangeland in de benedenste

volkslagen, is groter in de steden dan op het platteland.

6. De sociale betekenis van de kerk (zorg voor armen, ouden van dagen, wezen, zieken, werklozen) is nog groter in de dorpen dan in de steden, waar in het algemeen de overheid deze taak grotendeels heeft overgenomen. Hiermee is in de steden (in toenemende mate echter ook in de dorpen) een onzuiver motief vervallen, om lid van een kerk te zijn.

7. De bevolking is in de grote steden veel sterker gegroeid dan het aantal kerken. In de 18de eeuw had de Hervormde gemeente van Amsterdam 100.000 leden en 11 kerkgebouwen, in 1931 200.000 leden en 13 kerkgebouwen! Weliswaar waren hier veel papieren leden bij: Dr. Harrenstein schatte in 1913 het kerkbezoek der Hervormden in Amsterdam op 10 pCt. van het totaal aantal Hervormde zielen. In 1931 was dit gedaald tot 4 pCt.! Belangrijker dan het niet voldoende toenemen van het aantal kerken is het feit, dat ze in de buitenwijken soms geheel ontbreken. Maar dit is zeker evenzeer een symptoom als een oorzaak van de onkerkelikheid.

J. P. KRUIJT.

Boekbespreking ■ lIIUIIIIIIIIIIIIIII €

Ruth Telling door J. M. Selleger—Elout. Uitg. N.V. Servire 1933. Den Haag. Ing. ƒ 2.50, geb. ƒ 3.25.

Een sterk boek, dat aan zeer vele oudere meisjes evenals aan ouders in handen wordt gewenscht. Het meest rake is m.i. de beschrijving van Ruth, haar origineel karakter, dat zoo fel reageert op de botsingen thuis en op school.

Ruth ontbeert een warm en hartelijk thuis, daarom zoekt ze warmte en hartelijkheid, waar ze maar kan: bij de nachtzuster, bij de oude tantes en bij de wufte vriendin. Als ze van verschillende jeugdbewegingen hoort, wil ze wel van allen lid worden. Maar de wijze oude kweeker leert haar: „Eerst moet een mensch zeker zijn, dat er water is in zijn beek, vóór hij zich met anderen vermengt om den krachtlgen stroom te vormen” Mij dunkt de kennismaking met dit boek kan niet anders dan vormend werken op de lezer.

C. C. W.

Het HazenboeTc door Josephine Siebe; ill. E. M. ten Harmsen v. d. Beek. Van Holkema & Warendorf’s Uitg.-Mij. A’dam. 211 blz.; ing. ƒ1.75, geb. ƒ 2.50.

„Enig boek, maar natuurlik voor kleinere kinderen, en zulke schattige plaatjes!” prees ons 11-jarig meiske. Ja, voor jonge kinderen, maar de elfjarige moest soms nog moeilike woorden vragen. ’t Boek zou er bij gewonnen hebben, als de verteltrant nog wat kinderliker was gehouden. Tegenover dit gunstige oordeel wil ik toch ook niet achterhouden de verzekering van onze 8-jarige, die het „een snertboek” vond, „niks aan”. Toen had ze echter pas de eerste 70 blz. gelezen, die grotendeels op ’t bekende thema geborduurd zijn: kleine haasjes, die allerlei kinderstoutigheden bedrijven en hun gerechte straf niet ontgaan. Aangespoord door de oudste las ze door, en vond het ten slotte toch ook een fijn boek, las zelfs allerlei stukjes nog eens over, maar ze moest er toch telkens bij vertellen, dat het begin zo vervelend was: niet alle kinderen houden van dierenverhalen „met strekking”. R- —®-

Circusjong, van Dick Laan. Uitg. Mij. V. Holkema & Warendof, A’dam. Prijs ing. ƒ2.90, geb. ƒ3.90.

Een modern jongensboek, waaraan het technische: tintje en de noodige sensatie gelukkig!?) niet ont-- breken, en dat dus door de jongens verslonden zall worden. Maar we moeten ons niet voorstellen, datt van dit soort boeken lets uitgaat. Goede boeken voor de jongens zijn er nu eenmaal nog veel te; weinig en vermoedelijk moeten we blij zijn, als lm dezen tijd onze 12- tot 16-jarigen nog met derge-- lljke betrekkelijk onschuldige sensatie tevreden: zijn. D-—®-’-