is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 10, 09-12-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kinderen in den avond

Kinderen spelen in den laten avond;

Hun kreet klinkt, door de stille schemering Over mijn eenzaamheid, moe en gehavend. Sinds droefgeestige maan zacht rijzen ging.

October, October. Herfst-gebladert

Dwaalt langs de wegen, aan vreugden leeg; Door de twijgen der vrome berken nadert De hooge wind, die heel den zomer zweeg.

De kinderstemmen, zij worden al zwakker.

Zij dwalen ver van de vertrouwde straat; In een plataan worden de vogels wakker; Hoog zingt het licht, dat even trillen gaat.

Nu is alles stil. De straat en de boomen Zijn slechts een deel van dit October-feest:

Herfst is vanavond in mijn hart gekomen. Dat nooit in vreugd zóó eenzaam is geweest...

JAN J. ZELDENTHÜIS.

Kunst en j lllllllllllllllllllij C * I’ B I oocidlisme

Israël Querido, door A. M. de Jong. N.V. Em. Querido's Uitgevers-MiJ. „Amsterdam”. MCMXXXIH. Prijs ƒ2.90 geb.

De heer A. M. De Jong heeft een goed werk gedaan door zijn boekje te schrijven over Israël Querido, den mensch en den kunstenaar. Ware het niet dat dit geschrift het karakter draagt van een apologie (verdedigingsrede), dan zou men zich kunnen afvragen waarom zoo kort na het verscheiden van een kunstenaar reeds een proeve gegeven van beoordeeling zijner beteekenis.

De schrijver begint zelf daarom met zich te dier zake te verontschuldigen. Hem lijkt de tijd nog niet gekomen om de beteekenis van Querido voor de Nederlandsche literatuur eens en voor altijd vast te stellen.

Dat hij toch over Querido schreef is een uiting van persoonlijke vriendschap en tevens een eerlijke poging om de figuur van dezen mensch niet te laten weerkaatsen in den valsch-verwrongen spiegel van den haat. Er is n.l. in hst afgeloopen jaar nog een boek over Querido geschreven. Ik las het niet. Wél een bespreking door wijlen Henri Borel. Het boek gaf voor geschreven te zijn door een vriend. Maar één van die vrienden, dis de grimmige bede ingsgeven hebben: „Heer, bewaar mij voor mijn vrienden; voor mijn vijanden zorg ik zeif wel.” Het boek moet op hatelijk-eenzijdige wijze ook het persoonlijke leven van Querido hebben aangetast.

Dat Querido stellig te goed is om op dergelijke wijze te worden af gemaakt, staat als een paal boven water. Dat men een schrijver niet te veel in zijn huisjasje moet zien is óók waar. De heer A. M. de Jong toont zich een enthousiast, niet altijd overtuigend bio--

graaf (levensbeschrijver), die zoo min mogelijk de persooniijke dingen aanroert en ze alleen noemt in zooverre ze in verband staan met de kunst van zijn gestorven vriend, of in zooverre kunst en karakter een onverbreekbare eenheid vormen.

De eerste kennismaking welke ik had met het werk van Querido dateert uit den tijd van Herman Heijermans’ „Jonge Gids”. Daarin schreef Israël Querido encyclopaedische artikelen, waarin hij zéér veel kennis uitstalde. Geheel op de wijze van den autodidact. Maar hij gebruikte daarbij een gloed en overtuigingskracht welke vergoeding gaven voor de wat brokkelige en breedsprakerig meegedeelde kennis. Toen ik naderhand hoorde dat de schrijver van deze artikelen een jong diamantbewerker was, die in zijn vrije uren zich met koortsige drift trachtte te ontwikkelen, kreeg ik diepen eerbied voor dezen auteur.

De romans „Levensgang” en „Menschenwee”, naturalistisch van stijl en ook van levensbeschouwing, vooral het laatste, maakten, in den tijd toen zij verschenen, nu ruim dertig jaren geleden, op mij diepen in druk. Sommige figuren heeft hij zcó krachtig en duidelijk geteekend, op zijn eigenaardig-indringende manier, dat ze mij nog levendig, en levend, voor den geest staan.

Ook zijn „Jordaan” (Nes en Zeedijk) heeft geweldige momenten. „Koningen” werd een teleurstelling, en de tooneelstukken zijn kortaf mislukkingen geweest. Maar toch heeft de heer De Jong m.i. gelijk: Isr. Querido was een groot schrijver. De onderscheiding van den heer De Jong die op Querido de formule: statisch-dynamisch toepast, een schablone waar we al meer dan genoeg van hebben sinds een paar jaar! laten wij rusten.

Als de heer De Jong een beschrijving geeft van de wordingsgeschiedenis van een roman in den geest van den schrijver, verlaat hij feitelijk zijn onderwerp, en handelt

over de ervaringen van den schrijver in het algemeen. Dat hij daarbij tevens een paar pijlen afzendt tegen schrijvers wier richting en werk den heer De Jong niet zinnen, brengt hem geheel buiten zijn bestek. Toch zijn deze bladzijden, waarbij de heer De Jong openhartig de moeiten en kwellingen van den romancier blootlegt, niet de slechtste uit zijn geschrift. Over het algemeen komt het mij voor dat deze schrijver in zijn beschouwing over Querido heel wat beter werk levert dan in zijn feiteiijken arbeid, de romankunst.

Dat de heer De Jong van Querido opmerkt dat hij tegelijk is een visioenair en een détaillist is zijn recht. Ook dat Querido zich vaak op het détail verkijkt.

Vanzelf spreekt dat de beschrijving van Querido’s verhouding tot den godsdienst mij veel belang inboezemde. Dat hij, als ik het zoo eens formuieeren mag, een aanhanger was van een aesthetisch pantheïsme, misschien moet ik zeggen: aanhanger van een reiigieus-getinte schoonheidsaanbidding, past geheel bij zijn geestelijke verschijning.

Terecht veroordeelt de heer De Jong den beschamenden strijd om zijn begrafenis van de zijde der Portugeesche Joden. Met genoegen las ik over het geheel dit boekje, dat wei een goeden kijk geeft op een groot schrijver, en ik sluit mij aan bij wat de schrijver aan het einde van zijn beschouwing zegt: „Uren in zijn gezelschap doorgebracht zijn welbesteed”.

J. J. MEIJER.

Boekbespreking

iiiiiiiiiiiiiiiiiiiii g 11111111111111111111 l s Hans Otto Henel, Kellnerin Molly. Vert. door Maarten Holland. N.V. De Arbeiderspers, Amsterdam 1933.

Aan den roman zelf gaat vooraf een hoogdravende opdracht. Hier is werkelijkheid, zegt deze opdracht, „samengevoegd tot een noodlot”. Het zijn bekende dingen. Het stond al „in het ochtendblad”. Men zal wel spreken van „overdrijving”, „monsterachtig” en „onrein”. Dat komt van de „onbeschaving”, die zich aandient als beschaving. Echte beschaving (die van den schrijver) is „de moed om de onreinheid door het onverbiddelijk noemen van haar naam uit te wijzen”.

Ja, dat staat er allemaal, maar het overtuigt ons niet. Het samengevoegd (zie boven) veranderde men in „samengeflanst”. Men kan desnoods uit een pak „ochtendbladen” een roman samenstellen. Maar dan krijgt men maakwerk, tendentieus maakwerk, dat over zijn doel heenschiet en dat noch voor de „beschaving”, noch voor de „reinheid” bevorderlijk is. Het feit, dat Hans Wenel schrijven en de vertaler vertalen kan (en dat kunnen ze beiden ( is nog geen reden om dit boek uit te geven. V. K.

Lichaamscultuur en sport in Sovjet-Rusland, door L. D. E. J. Kramer, met 14 illustraties. Erven J. Bijleveld, Utrecht, ƒ2 ingen. ƒ2.75 geb.

Als alleen-relzend toerist en met het speciale doel de ontwikkeling van de lichaamscultuur en sport in de U.S.S.R. te onderzoeken ging de schrijver naar Rusland, waar hIJ volledige vrijheid van onderzoek en de medewerking van verschillende Sovjet-autoriteiten had. In dit boekje doet hij verslag van zijn reis.

Het algemeen program der „physcultuur” (zooals de Russen dat noemen) In 1932 verschenen begint aldus; „De physcultuur is een organisch deel van het systeem van het leer- en opvoedingswerk van de Sovjet polytechnische school en heeft tot doel, in overeenstemming met algemeene beschaving en onderwijs, de voorbereiding van de leerlingen voor het socialistische werk en de verdediging der U.S.S.R. behulpzaam te zijn.” Dat de physcultuur dus is een integreerend deel van een, op de grondslagen van het communisme opgebouwde, polltiekeconomlsche gemeenschap geeft uitteraard ook aan de indrukken en beschouwingen van den heer Kramer een eigenaardig cachet. Overigens wordt alles uit sportief oogpunt bezien. De foto’s zijn aardig. Het omslag met de sport-demonstratie op het Roode plein suggestief. v. K.