is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1933, no 12, 23-12-1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mensentypen

Het is het wondere ogenblik in de stille heilige nacht, dat de hemelen zich openen en het lied der engelen klinkt door de gewijde oneindigheid. De herder heft zijn hoofd opwaarts, zijn ganse wezen is ver-

wachting, openheid; hij drinkt de melodie met haar belofte van een eeuwig heil aan alle volken in en weet zich begenadigd, dat hij haar opvangen mocht. Het is een uitzien naar wat ver is en toch nabij, naar wat niet van den mens is en toch zijn wezen doorlicht.

Voor ons, verwarde en benauwde mensen van de 20e eeuw is het niet zo gemakkelik, om de eeuwige waarheid van het oude verhaal te verstaan. Ook wanneer wij bereid zijn, om door vormen heen te kijken, en ze te naderen als simbolen, leeft er toch bij ons wel een heimelik besef, dat de diepste zin ons ontglijdt, juist omdat wij niet eenvoudig en open genoeg zijn.

Maar deze herder helpt mij op weg. Wij verstaan toch nog wel dat „hemelen zich kunnen openen”, dat een mens ontrukt wordt aan dagelikse zorg en beslommering, aan haat en strijdgewoel, aan wrok en wraak, en zich richt naar het licht der waarden en der waarheid; het aardéleven heeft boven zich een wijde diepe hemel, het geestesrijk van een heilige liefde welft zich boven ons vlak en vluchtig bestaan. Als een wonderlik geheimzinnig lied klinkt het heen door onze levens, als wij het verstilde zoeken, als wij dalen tot de grond, en putten uit de diepste bronnen uit het verborgene.

Open staat deze mens te luisteren, te wachten. Verstild. Dan krijgt alles stem, een heilige stem. Dan zingt het van een blijdschap voor alle volken; dan is er een vrede op aarde, want in de ziel. Als het leven zich wendt tot heilige stilte, verstaan wij iets van het goddelik welbehagen in allen, van een kracht der liefde die bindt en redt.

Open in verwachting, open voor liefdes hoogste heil. Misschien is slechts dit onze armoe: dat wij niet open, niet stil kunnen zijn en ’t niet durven wagen met de liefde.

Heeren, dan dwingen wij Hem om te komen; wy bestormen den hemel, met de wapens van onze wraak. Ons is de wet en de kracht,” roept de jongeling uit. „God zal den Verlosser zenden,” zegt Maria en staat op. „Waar vinden wij een onderdak voor ons en het dier?”

EEN HERDER

KATHEDRAAL VAN CHARTRES (13e EEUW)

„De karavanserai is vol, daar vindt gij geen plaats. In mijn hut aan het begin van het dorp kunt ge plaats vinden, de stal is leeg; het is gemakkelijk te vinden.” Hoefslagen klinken door den nacht. Myriaden sterren fonkelen. Het vuur dooft uit; niemand spreekt meer; slaap sluit hun oogen. Een geheime kracht fluistert door den nacht; de wereld siddert als in bange verwachting; onrustig dringen de schapen zich tegen de herders aan. De oudste wordt wakker. „Deze vrouw heeft mijn hart veranderd. Ik kan nu weer wachten zonder te twijfelen; haar blik heeft mijn hart versterkt. De Heer is nabij.”

„Het gaat mij evenzoo,” zegt de tweede. „Mijn haat is verdwenen. Laten de Romeinen maar regeeren in het land. Waar deze vrouw vertoeft, daar sterft de toorn. Ik wil niet meer treuren om wat ik verloren heb, maar wachten op de liefde van God.” De jongste: „Ook mij heeft zij van mijn dwaling genezen. Deze vrouw kon wel een bode van God zijn. Maar drie woorden heb ik van haar gehoord en daarbij vergat ik mijn kracht. De verlosser zal het doen.” „Het menschelijk hart is een opstandig ding,” zegt de oudste. „Wij kunnen niet wachten, wij hebben geen tijd, omdat de dood snel naderbij komt. Maar God heeft tijd.”

De tweede merkt op: „Wij haten de verdrukkers. Zoo vult zich het eigen hart met haat. Nu weet ik, dat God niet met mij haat.”

De derde: „De nacht is wonderbaarlijk rustig. Ik hoor geen enkelen jakhals, mijn slaap is verdwenen, maar mijn leden zijn zwaar. Maar mijn hart is jong en de kracht van het hart is sterker dan het geweld van den arm. De wereld is van God en niet van mij.”

Toen gloeide het firmament in luister. De sterren vloeiden samen tot lichtende engelgestalten, die spraken: ,Eere zij God in den hooge en vrede op aarde, in de menschen een welbehagen.” Uit Adolf Keiler, De Onbekende God. Uitgave Ploegsma, Zeist.

Gesprek der Herders

Het is avond geworden in Bethlehem. De velden liggen in den zilveren glans van een oosterschen nacht. De olijfboomen weerkaatsen met hun lichtgroene bladeren het laatste daglicht. Aan den hemel schitteren reeds de eerste sterren. Als in een mantel weggedoken ligt het stadje Bethlehem in den nevel. De herders zitten bij het vuur en eten hun brood.

„Neemt van het gezegende brood,” zei de oude, „God liet het groeien en stilt daarmee de begeerte van het lichaam. Maar onze ziel blijft hongeren. Wanneer zal Hij ons verzadigen? Mijn haar is grijs geworden, vermoeid ga ik voort, mijn leven lang wachtte ik op de verlossing van ons volk. Zou ik den dag nog beleven, waarop het groote zal gebeuren, of zal ik dat niet meer beleven?” De ander sprak: „Herodes, de slimme vos, die ons land aan de Romeinen verkocht heeft, zit in Jerusalem. Op de heilige plaatsen staan hun soldaten, zij vervullen ons land met hun wandaden. Hoe moet dat heilige gebeuren? De heidenen regeeren het land en de wet der vaderen wordt steeds meer bedreigd. Ik haat hen, omdat zij God verhinderen wel te doen aan ons volk.”

„Had ik maar een zwaard,” zuchtte de jongeling. „Dan zou ik met mijns gelijken vechten om de vrijheid van dit land en voor de wet der vaderen. Mijn arm is sterk en mijn hart vol moed.” De nacht zinkt dieper over het veld, de aarde ademt voller. De kudde nadert in haar warmteverspreidende wollen vacht.

Lichtjes flikkeren in Bethlehem. Late voetgangers komen, een hoefslag klinkt door den nacht. Een reiziger trekt voorbij, aan den teugel leidt hij den ezel. Op het dier zit zijn vrouw in gezegende verwachting. „Looft den Heer, herders. Ik wensch U een ruime plaats!Hoe ver is het van hier naar de herberg?”

De oude antwoordt: „Ge zijt moe, rust een weinig uit! Hier kunt gij zitten en hier is brood en kaas voor U.” En opstaande geeft hij Maria een kalebasflesch om te drinken; zij ontvangt brood van den oudsten en olijven van den jongsten herder. De schapen snuffelen om hen heen. „Veel is het niet, want wij zijn arm. Maar wanneer de Heer ons bevrijdt uit de hand van de romeinsche roevers, dan zullen wij rijk zijn,” merkt de middelste op. „Wanneer wij den tyran in Jerusalem, den vervloekte, uitgeworpen hebben, zullen wij geen gebrek meer lijden en niet meer in ellendige hutten wonen,” zegt de jongste.

„Mijne oogen zijn moe van het wachten, ik zal den dag des Heeren niet meer beleven,” antwoordt de oudste. „Wachten is ons lot, maar mijn oude hart houdt het niet lang meer uit.” „God is nabij,” fluistert Maria. „Laten wij daarom haten, zoolang wij wachten moeten, want de overheid bedriegt het volk,” zegt de tweede. „God is liefde,” antwoordt Maria. „Laten wij strijden voor den dag des

Van de Diepte en de Schoonheid Christus, door Ger. Mohr. Van Gorcum en Comp., Assen, 1933.

Met belangstelling opent men een kleinen dichtbundel, welke een zóó rijke belofte in zijn titel houdt vervat. Christus men houde het ons ten goede moet het doen met één gedicht. Hij wordt genoemd: De zuivere drang tot ’t enkele beogen. Van wat slechts Hoog is, superieur en rein. Dit alles klinkt, in zijn samenvoeging, als een gemeenplaats.

De verdere inhoud van het boekske, hoe goed ook bedoeld, kan niet erg bevredigen. Er is sprake: van gouden vuur, dat in de diepte woedt, en straks met schoon ge vlam zal staan in breden zwier, van: bovenbouw, van de Waarheid, met een groote W, die zoowel in een’ vloo als in een’ olifant is, de VVaarheid, die wij zullen leeren kennen als wij de fijne toetssteenen: gevoel en rede rein houden, zuiver en schoon, „als de glazen eener bril”, enz. Och, dan is de glans der poëzij al-lang verbleekt. De schrijver (-ster) bedient zich van een nieuwe spelling. Maar de lidwoorden krijgen hier en daar een heuschen mannelijken vorm. Maar niet overal... Ook de werkwoorden komen er een beetje bekaaid af: hier en daar een verleden deelwoord met dt en andere griUigheden. Eigen spelling? Maar géén Van Eeden.

Christus kwam er maar poover af. Maar de Diepte en de Schoonheid kregen hun deel evenmin. Zoodat hier, gelijk meer gebeurt, de titel den inhoudt niet dekt, helaas. j. j. MEIJER.