is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 17, 27-01-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De boerenbonden en de sociaal-democratie

11.

De verdeeling van het agrarisch inkomen

Het rapport der commissie-Ebels bevat totale landbouwproductie, die ik hier een statistiek over de verdeeling van de weergeef:

Met toegevoegde grondstoffen en andere onkosten bedoelt men de uitgaven voor meststoffen, vervoer zaaizaad en onderhoud en afschrijving van de inventaris. Nu is uit deze statistiek een merkwaar-

dige berekening te maken, n.l. de percentages, welke de verschillende belanghebbenden krijgen van de totale landbouwproductie:

1 1909-12 fS CN ON rH 1924-25 NO CS lO CN ON in n* <N NO CN) ON I—l lillioen CO (N <N ON r-i en gul( ON CN| 00 ON lens 1929-30 1930-31 1931-32 Netto pachtsom Rente inventaris Sociale lasten en grondbelasting . Loon landarbeiders Loon landbouwers en gezinsleden Toegevoegde grondst. en andere onk. 106 25 8 56 94.6 261.6 167 39 16.7 118 171.3 389.4 167 40 16.7 119 280.5 426.6 167 42 16.7 120 232.3 455.5 168 41 16.7 120 190.4 446.3 168 41 16.8 122 174.2 507 169 39 17 125 241.4 509.5 170 39 17.2 129 155.7 474.6 154 40 19.7 127 70.3 410.4 101 35 18.5 110 21.4 335.6 Totale landbouwproductie 505.7 901.4 1049.8 1033.5 982.4 1029 1100.9 985.5 821.4 621.5

Uit deze staat blijkt;

le. dat de pacht een vrij stabiel gedeelte der totale productie eischt. Dat de pachtprijs in de crisisjaren zich spoedig heeft aangepast, komt ongetwijfeld mee door de pachtwet.

II 190942 j| 1923-24 1924-25 1925-26 r*. CS vO <N OS in pro 00 «N O' centen 1 1 1928-29 1929-30 1930-31 1931-32 Netto pachtsom Rente inventaris Sociale lasten en grondbelasting . Loon landarbeiders Loon landbouwers en gezinsleden . Toegevoegde grondstoffen 21.1 4.9 1.7 11.7 18.7 31.8 18.5 4.3 1.8 13 19 31.7 16 3.8 1.6 11.3 26.7 30.7 16.1 4.2 1-6 11.6 22.4 34 17 4.1 1.7 12.2 19.3 34.8 16.5 4 1.6 11.8 16.9 392 15.4 3.6 1.5 11.2 21.9 36.8 18.3 3.9 1.7 13 15.8 37 6 18.7 4,8 2.4 15.4 8.4 37.3 16.6 5.6 2.9 17.7 3.4 39.8

2e. Dat pacht en rente van inventaris, samen te beschouwen als rente van in den landbouw belegd kapitaal, 20 a 25 pCt. van de totale opbrengst voor zich opeischen. Men vergelijke daarmee eens de verhouding van belegd kapitaal en totaalproductie in de industrie, waar de productie dikwijls enkele malen ’t rente-vereischend kapitaal bedraagt. Hieruit spreekt duidelijk de druk van het kapitaal op de landbouw verhoudingen .

3e. Dat de sociale lasten verhoudingsgewijze wel meer vragen dan vroeger, maar dat het totaal-bedrag nog zoo gering is, dat een stijging van 3 pCt. van de totale opbrengst van den landbouw deze „lasten” al opheft. Door vernietiging van de sociale verzekering zou de arbeider in dagen van ziekte, ouderdom en invaliditeit geheel aan de armoede overgeleverd zijn, terwijl de landbouw er niet merkbaar mee geholpen zou zijn.

4e. Dat de loonen van de landarbeiders tot vóór de crisis gemiddeld nog geen 12 pCt. van de heele productie bedroegen, en in dien tijd de helft uitmaakten van het totaal-bedrag, dat aan rente en pacht besteed werd, en dus aan het kapitaal toevloeide.

se. Dat in de jaren 1923—1928 landbouwers met hun gezinsleden gemiddeld 21 pCt. der productie als loon voor hun arbeid ontvingen, tegen de arbeiders 11.9 pCt. Nu is het moeilijk het aantal landarbeiders en het aantai landbouwers met hun meewerkende gezinsleden te bepalen.

Laat ik alleen mededeelen, dat het rapport-Ebels het aantal landbouwers in 1921 noemt 163.100 en het aantal benoodigde volwaardige mannelijke arbeiders 262.500, waarbij echter dan ook de meerderjarige inwonende kinderen der landbouwers geteld zijn, wier loon valt onder de rubriek der „landbouwers en gezinsleden”.

Volgens de commissie-Ebels verschilde echter het zuivere loon van den zelfstandigen landbouwer gemiddeld weinig van dat van de landarbeiders. De gezinnen der landbouwers genoten echter mede van het loon der inwonende kinderen, van de rente der inventaris, en van sommige levensbehoeften uit het bedrijf. En we moeten opmerken, dat er een groot aantal kleine bedrijfjes zijn, waarvan de eigenaar of pachter zich in maatschappelijke positie in niets onderscheidt van den landarbeider. Het is trouwens een bekend verschijnsel, dat werkelijke vooruitgang voor een boer alleen mogelijk is, als hij voiwassen kinderen in het bedrijf heeft.

Toen na 1928 de crisis begon, was het allereerst de landbouwer, die klappen kreeg, wat voldoende blijkt uit de cijfers. Relatief kwamen de landarbeiders er beter voor weg dan de boeren, al daalde hun loon belangrijk. Bovendien gaat die daling door het verzet der georganiseerde arbeiders langzamer, zoodat 1932—’33 ongetwijfeld lagere cijfers zal toonen.

6e. Toont de statistiek, dat de iandarbeiders ook terdege belang hebben bij de verhooging der totaal-opbrengst. Want het is duidelijk, dat ook de landbouwers, zelfs in 1923—1928 niet veel meer dan hun arbeiders verdienden. Natuurlijk profiteeren de grootere boeren van de rente der inventaris, terwijl juist de kleinere bedrijven de hoogste pacht moeten betalen, omdat ze meestal onbehuisd land in sterke onderlinge concurrentie publiek moeten pachten. Het vereenvoudigde schema van den klasse-

strijü is voistreKt onvoiaoenae om ïïëT landbouwvraagstuk voor de landarbeiders tot een redelijke oplossing te brengen. Wel drukt de kapitaallast veel te zwaar en hebben arbeider en pachter daar samen tegen te strijden; wel buitte ook reeds vóór de crisis het grondkapitaal het platteland uit, maar het vraagstuk der totale productie-opbrengst blijft ook voor de arbeiders in hooge mate urgent. Allen zullen we het er over eens zijn, dat de loonen der landarbeiders niet meer naar beneden kunnen. In vele streken zijn die al gedaald tot en beneden een gemiddelde van ƒ 10.— per week.

ledere daling van de loonen beteekent een voordeel voor den verpachter, dus een toename van de kapitaalrente. Want als een landbouwer minder loon behoeft te geven, kan hij bij een volgende verpachting weer meer bieden. Hoe lager echter het levenspeil der landarbeiders is, hoe lager ook dat der kleine boeren daalt, die telkens weer uit de arbeidersklasse voortkomen of er door verarming in terugvallen. Zoolang er geen afdoende pachtwet is (en die komt er niet zonder het eigendom aan te tasten), zoolang is het strijdmiddel der arbeiders om hun aandeel in de totaalopbrengt te krijgen de klassestrijd. Arbeiders en pachters voeren hem samen tegen het grondkapitaal, dat zich ' vertoont in den vorm van grondeigendom en hypotheek. Dit feit kan geen boerenbond wegredeneeren.

Maar evenmin kan eenige klassestrijdideologie wegredeneeren, dat de totaalopbrengst van den landbouw ook voor de arbeiders van het hoogste belang is. Ik weet niet of de industrieele arbeidersbeweging dit wel voldoende beseft. Hoe min – der zij dat beseft, hoe meer zij de boerenbonden in de kaart speelt.

K. TERPSTRA.

Ingezonden

De affiche „Wij dooven" van de Vereeniging tot Bevordering der Belangen van Siechthoorenden

Met groote instemming en met erkentelijkheid heb ik kennis genomen van de reproductie en recensie van onze propagandaplaat door van Doi> benburgh in uw blad van 13 Januari. Het spijt mij echter, dat niet vermeld is geworden, dat de vereeniging haar affiche gebruikt met een aangehechte strook, waarop staat: „Wij vragen onderwijs en opleiding voor de slechthoorende en doofgeworden jeugd”. Deze strook toch, die wij niet kunnen missen, geeft op zeer duidelijke wijze aan, dat wij met het onderwijs voor doofstommen of dooigeborenen niets te maken hebben. Bestrijding van onze prachtige affiche door den vader van een doofstommen zoon (wiens welvarend portret hij gaf) was dan ook wel bijzonder misplaatst! Voor het dooïgeworden kind is het van het uiterste belang, dat het niet geplaatst wordt op een doofstommen-instituut of op een school voor achterlijken, (wat steeds dreigt te gebeuren), maar op één der scholen voor siechthoorenden te A’dam, Den Haag of R’dam. Op de doofstommenschool leeren de doofstommen of dooigeboren kinderen theoretisch het spreken, een uiterst moeizame en buitengewoon tijdroovende arbeid! Het doofgeworden kind echter heeft, alvorens doof te worden, de kindertaal reeds volkomen beheerscht. De taal moge door zijn doofheid tijdelijk uit zijn bewustzijn verloren zijn gegaan en de spraak verleerd zijn, als een kostbare schat rust in het onderbewustzijn de herinnering aan de beteekenis der woorden en aan de spraakbewegingen. De school voor siechthoorenden maakt de spraakbewegingen opnieuw bewust en hèrgeeft het kind het vermogen om de taal te beleven en tot uiting te brengen op oneindig levender, normaler en vollediger manier dan voor het doofstomme kind in het algemeen kan worden bereikt. In klassen van 14 leerlingen kan het slechthoorende en doofgeworden kind in een zestal jaren het volledige lager onderwijs doorloopen en uitstekend leeren afzien van den mond.

U dankend voor de plaatsing.

G. J. B. MULLER.

Lid van het hoofdbestuur der

Ver. t.8.d.8.v. Siechthoorenden,