is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 19, 10-02-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STERILISATIE

De sterilisatiewet, die 1 Januari 1934 in Hitler-Duitschland in werking getreden is, vestigt acuut de aandacht op het vraagstuk der sterilisatie. Onder sterilisatie verstaat men het onmogelijk maken der bevruchting; bij de vrouw onderbreekt men daarvoor den weg, die het ei van het ovarium naar de baarmoeder aflegt, dus de eileider, bij den man onderbreekt men den zaadleider, dus den uitvoerweg van de zaadcellen. Sterilisatie is dus geen castratie: immers de geslachtsklieren blijven bij sterilisatie aanwezig. Men kan om verschillende redenen de sterilisatie-operatie verrichten. Doet men het in het belang van het leven van de vrouw, dan is er een medische indicatie, doet men het, omdat de maatschappelijke omstandigheden van de vrouw of van het gezin ongunstig zijn, dan is er een sociale indicatie.

Eugeniek. is toegepaste menschelijke erfelijkheidsleer. De menschelijke erfelijkheidsleer onderzoekt de beteekenis van de erfelijkheid bij den mensch. Eugeniek tracht dus op grond van de kennis van de erfelijkheid bij den mensch, goede geboorten te bevorderen en slechte geboorten tegen te gaan.

De beteekenis van de erfelijkheid is stellig groot: dit leeren den erfelijkheidsonderzoekers hunne onderzoekingen. leder, die weet waar te nemen, moet tot deze opvatting komen. Ook de dominees in hun omgang met hunne gemeenten. Psychologen, Adler, Künkel, rekenen te weinig met de beteekenis der erfelijkheid.

„Die Geschichte eines Menschen ist sein Charakter,” zegt Goethe in Wilhelm Meister’s Lehrjahre. Karakter is aanleg en aanleg berust voor een groot deel op erfelijkheid.

Sterilisatie is een middel, om slechte geboorten tegen te gaan. Van menschen, die lijden aan ernstige erfelijke ziekten en afwijkingen, wii men het onmogelijk maken, dat zij nakomelingschap hebben. Sterilisatie behoort tot het gebied der negatieve eugeniek. Om eugenische sterilisatie billijk te beoordeelen, moet men ze zien in het licht van het heele streven der eugeniek, dus ook van de positieve eugeniek, die beoogt te bereiken, dat menschen met erfelijke eigenschappen, die hen tot cultuurdragers stempelen, niet om materieele redenen en niet om ontbrekend inzicht van de geestelijke waarde der eugeniek, zich van het hebben eener nakomelingschap onthouden. Degenen, die sterilisatie als „onchristelijk” verwerpen, moeten weten, welke de geestelijke motieven der eugenisten zijn.

Voor sterilisatie wenschen, om hare verreikende beteekenis, de eugenisten een wettelijke regeling. De wettelijke regeling kan de sterilisatie vrijwillig of gedwongen maken. Het verschil is, meen ik, niet principieel. In de meeste landen propageert men niet-gedwongen wettelijke sterilisatie. In verschillende landen bestaat ze. Vooral bekend is de sterilisatie in Amerika, nl. in Californië, waar het aantal sterilisaties, dat verricht is, thans 9000 bedraagt en jaarlijks met ongeveer 1000 toeneemt. In Denemarken bestaat sinds enkele jaren een wettelijke regeling en ook in Vaud, een kanton in Zwitserland. In andere landen vinden sterilisaties plaats zonder wettelijke regeling. Het aantal verrichte sterilisaties in Denemarken bedraagt enkele tientallen.

De ingevoerde sterilisatiewet in Duitschland trekt de aandacht, omdat zoozeer de nadruk er op gelegd wordt, dat men door

middel er van de bevolking van haar pathogene erffactoren wil bevrijden. Men heeft daarbij vooral het oog op de erffactoren voor krankzinnigheid en voor zwakzinnigheid. Zeker is, dat het mental detective probleem (dus krankzinnigheid en zwakzinnigheid) in de tegenwoordige maatschappij een overgroote sociale beteekenis heeft. Wetenschappelijke kennis van dit vraagstuk kan echter niet tot de uitspraak leiden, dat sterilisatie het afdoende middel der preventie is. Sterilisatie wordt door vele eugenisten aanvaard als een middel voor bizondere gevallen. Ook in Nederland zou men een wettelijke regeling, zooals ze in Denmarken is, op dezen grondslag wenschen. Daarnaast is noodig studie van het vraagstuk en toepassing van andere preventieve middelen (bestrijding van alcoholisme, van geslachtsziekten, opvoeding tot eugeniek).

G. P. FRETS.

Boekbespreking

Frank Arkright, Het ABC van de Technocratie, vertaald door M. Wolters. N.V. De Arbeiderspers, Amsterdam, 1933.

Dit geschriftje schijnt door de schrijver bedoeld te zijn als een propagandageschrift ergens voor. Waar voor is echter niet geheel duidelik waarschijnlik voor technokratie, maar een eenigszins bruikbare omschrijving van dit begrip zal men tevergeefs zoeken. Als achtergrond vindt men wel ongeveer de volgende gedachtengang: de techniese hulpmiddelen waarover de mensheid beschikt tenminste de Amerikaanse mensheid zijn zeer sterk toegenomen en zouden tot een zegen kunnen zijn als niet een kleine groep bankiers belette om dit apparaat zo goed mogelik te gebruiken voor de mensheid als geheel. Nu, zal menig onzer zeggen, dat klinkt zo gek niet. Het eigenaardige is echter dat de schrijver van socialisme niets moet hebben „omdat het ook met een prijssysteem werkt” en ons verder absoluut in het duister laat omtrent de wijze waarop hij zich dan de betere benutting van de mechaniese hulpmiddelen wèl georganiseerd denkt. Waarbij komt, dat zijn kritiek op wat hij noemt „het prijssysteem” biezonder vaag en ondoorzichtig is. De werkelike hierop mogelike kritiek is door socialisten en anderen heel wat beter gegeven !

Met moet de vertaler dan ook geheel gelijk geven als hij meent, dat de technokraten op den duur heel dicht bij „den gesmaden Marx” zullen terechtkomen.

Ik heb vooral één groot bezwaar tegen de geest van het boekje, een bezwaar dat ook tegen verschillende andere schrijvers van tegenwoordig is in te brengen. Eti dat is dat men zich veel te fantastiese voorstellingen maakt over de toeneming van de arbeidsproduktiviteit. Men komt altijd aandragen met die sprekende voorbeelden van iets dat vroeger in 100 uren kon nu in 1 uur kan worden gedaan, maar men verzuimt mede te delen dat voor de maatschappij als geheel die ontwikkeling, ook in de laatste jaren, veel bedaarder gaat. Het is niet te ontkennen dat die ontwikkeling de laat> ste 10 a 15 jaar sneller is gegaan dan vroeger; maar laat men toch niet zulke sprookjes-voorstellingen kweken! Een heleboel mensen denken nu dat we met een paar uur werk per dag allemaal in weelde konden baden. Dat is onzin. Men vergeet waarschijnlik dat er nog geweldige volksmassaas zijn die ook in 1929, toen de zaak vol draaide, het nog zeer zeer arm hadden en dat we heel blij moeten zijn wanneer de vergrote arbeidsproduktiviteit mogelik zou maken om bij een 8- of 7-urige werkdag een matige welvaart aan allen te brengen! Men vergeet ook, dat van belangrijke takken van bedrijf de arbeidsproduktiviteit maar langzaam vooruitgaat of, zoals in de Belgiese en Franse steenkolenmijnen, achteruitgaat door het uitgeput raken der beddingen. Men vergeet ook dat het vaak om een verplaatsing van het werk naar de machinefabrieken gaat.

Laten we dus vooral niet denken dat de arbeidsproduktiviteit al „te veel” gestegen zou zijn. We zullen ze best kunnen gebruiken.

Wel kan ik van harte de mening onderschrijven dat de organisatie van de produktie en laten we vooral niet vergeten: van de geldcirkulatie veranderd moet worden. Maar hier hebben we alleen iets aan nauwkeurig omschreven plannen die ook inderdaad aannemelik maken dat er iets verbeterd zal kunnen worden; en als het zo eenvoudig was om in 2 uur alles te maken wat we nodig hebben, waarom zouden de Russen dat dan niet doen? Die kan men er toch niet van verdenken dat ze niet het mogelike doen in deze richting!

Na deze ontboezemingen over de strekking van Arkwrights betoog wil ik niet nalaten te zeggen dat het boekje onderhoudend is geschreven; de Amerikanen verstaan die kunst. En natuurlik staan er ook allerlei aardige wetenswaardigheden in. Om te laten zien dat ik het nauwkeurig bekeken heb wil ik even konstateren dat me twee kleine vergissingen zijn opgevallen: de naam Arkright is op het kaft niet goed overgekomen en het woord „billion” is ten onrechte vertaald door billioen; dat moet zijn milliard.

Zoals alle uitgaven van de A.P. ziet het boekje er smakelik uit. J. T.

Hallvard Gronvold, door Peter Egge; vertaald door M. C. Castendijk, 1933. Van Holkema en Warendorf’s Uitg. Mij., Amsterdam. 264 blz., ing. ƒ2.50; geb. ƒ3.25.

Dit is de geschiedenis van een mens, een doodgewoon mens, maar die vecht, allereerst om een eigen leven, ook om een zuiver en goed leven, en die dan toch schuldig wordt vechten we zo niet allen en worden we niet allen schuldig, ieder op z’n eigen wijze? Maar hij is van mening, „dat een man de gevolgen van wat hij heeft gedaan, voluit moet dragen” (slotzin van het boek). Als dat echter betekent, dat hij, om de vriend te sparen, z’n schuld tegenover de wereld ontkent en daarbij zelfs God aanroept als getuige, als hij dus vrijwillig een nieuwe schuld op zich neemt terwille van de ander, dan draagt deze mens naar mijn oordeel toch zijn schuld niet voluit. Het is altijd gemakkeliker, zelf gebukt te gaan onder een schuld die steeds aangroeit, omdat we anderen willen sparen, dan de gevolgen van onze schuld voluit te dragen, ook als dat betekent het lijden, naar ons oordeel misschien de ondergang van de ander.

Hoewel ik mij dus met de „moraal” van dit boek, die in de laatste bladzijden het scherpst naar voren komt, niet kan verenigen, wil ik toch de lezing er van sterk aanbevelen: het tekent zuiver en scherp de strijd van een mens, die vrij en sterk en waar door het leven wil gaan, die in het leven wordt gebonden door z’n schuld, die in zwakheid grijpt naar de borrel, die de waarheid niet aandurft, en die toch z’n bescheiden leven liefhad ondanks alles (blz. 247). H. B.—S.

Toen het vrede werd, door Henri Poulaiile, vert. van Marie Vos. Uitgave Arbeiderspers. Ing. ƒ2.25; geb. ƒ2.90.

Uit den titel zou men iets anders verwachten dan dit boek geeft. Het beschrijft het leven van drie van het front gekomen soldaten.

De eerste, een wat erg domme boer, wiens vrouw hem ontrouw wordt, terwijl hij in den oorlog vocht. Hij wordt zielsziek, gaat wonen in Parijs en vindt den dood doordat een auto hem overrijdt.

De tweede wordt klerk, souteneur en ten slotte schrijver van anti-oorlogslitteratuur.

De derde, de hoofdfiguur in dit boek, is iemand die onder de middelmatigen gerekend moet worden wat betreft zijn moraliteit. Hij wenscht hartstochtelijk, dat anderen revolutionnair zullen zijn, neemt het zelf niet al te nauw. Hij wordt na een staking bevorderd, gaat weer samen wonen met zijn vrouw en komt tot de conclusie dat het leventje van een burgerman toch nog het meest verkieselijk is.

Sommige zaken worden bij hun meest platte namen genoemd, wat dan waarschijnlijk realistisch moet beteekenen.

Neen, ik kan dit soort boeken niet aanbevelen; het bezit er van verrijkt ons niet. A. S.—B.

Drie van drie millioen, door Leonhard Frank. Vert. van Joh. Kuiper. Uitgave Arbeiderspers. Ing. ƒ2.25; geb. ƒ2.90.

Drie niet al te snuggere werkloozen van de drie millioen, welke Duitschland voor eenige jaren telde.

Zij hebben het plan opgevat, hun woonplaats te verlaten. Een rijke Engelschman geeft hun een briefje van 100 pond, waarmee ze een reis naar Zuid-Amerika ondernemen, om daar hun geluk te beproeven.

Ze ondervinden al gauw, dat het daar ook al niks is en op even onwaarschijnlijke wijze als ze in de gelegenheid waren de heenreis te maken, wordt de terugtocht ondernomen.

Als iemand het leven van de werkloozen wil beschrijven, moet hij het niet doen als L. Frank; want wie ook maar even van nabij het leed der werkloozen meemaakt, weet dat het anders en veel dieper ingrijpt dan wat dit boek hierover weet te vertellen.

Als men niet veel geld aan boeken kan besteden is het m.i. jammer om er deze soort boeken voor te koopen. De werkloozen worden er niet door gesterkt; de werkenden krijgen geen beeld van het werkelijke leed der werkloosheid. Het is een van die boeken, welke men na lezing nooit weer in handen neemt. A. S.—B.