is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 20, 17-02-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mensentypen

PERUGINO Petrus

Deze Petruskop is genomen uit een groot schilderij, uit de Sixtijnse kapel te Rome, voorstellende het ogenblik waarop Jezus aan Petrus de sleutels overhandigt. Men kent het verhaal zoals Mattheus het geeft (hoofdstuk 16 :13-^2O). Eerst heeft Petrus zijn belijdenis uitgesproken, dat Jezus de Christus is, de zoon van den levenden God. Daarop antwoordt dan Jezus: op u, Petrus, rotsman, zal ik mijn gemeente bouwen... Ik zal u geven de sleutels van het Koninkrijk der Hemelen; wat gij op aarde bindt zal in de hemelen gebonden zijn, en wat gij ontbindt op aarde zal in de hemelen ontbonden zijn.

Op de schilderij zien wij Petrus geknield deze levensopdracht, de zending waarmee zijn Meester hem in de wereld plaatst, aanvaarden. Met de ene hand neemt hij de sleutels aan, de andere legt hij op z’n hart. En het hoofd richt hij opwaarts tot Jezus. Hij wordt geroepen, en mag niet weigeren

– maar ligt er in zn gelaat met de verwondering om het geroepen zijn? Htj wordt gezonden en zal met weifelen – maar kent hij niet de aarzeling, dieper ook misde vrees dat hij trouw, en is het met of hij vraagt, laat mij niet alleen?

Wij kunnen de geweldige overmoed van Rome, die zich Gods plaatsvervangster ae niet begrijpen en zeker met aanvaarden. Maar van een roeping om op loat naar eeuwigheidsbesef gebonden behoort te worden; van een levensstrijd om op aarde te ontbinden wat naar goddelik ontbonden moet en sterven, daarvan weet ieder die religie als een belijden van een atevste zin de, leeem Hent. Petru,- naturen in deze zin: die hun roeping verstaan in het licht der eeuvngheid, en ondanks aarzeling en twijfel toch een rots zijn – wij hebben ze nu meer dan ooit nodig.

Enkeling en gemeenschap

Men kent de beroemde twistvraag: wat was er eerder de kip of het el. Dergelijke ragen meer Zoo b.v. wat was er eerder de enkeling of de gemeenschap. Er Is een tlid geweest dat men op deze vraag ?oX de enkeling, Het was de tijd toen Defoe zijn „Roblnson Crusoë” schreef en deze geheel alleen op ÏnJbewoondeüand een cultuurcentrum deed scheppen en toen Rousseau In zijn r* t-r-Qf 'hptnne'rip fiat d.O s6ni6Gii" :EiH Sh aaSnsSten wJw notarleele acte. Wli ziin wat minder romantisch geworden. Geschiedenis en ervaring leer en, dat menschen die In de omstandigheden van Roblnson geraken blij mogen zijn nog een dierlijk bestaan te kunnen handhaven en dat gemeenschappen letwat anders tot stand komen en In stand blijven dan Rousseau dichtte. De gemeenschap Is er voor de enkelingen. Geen enkeling zonder gemeenschap. Al zal blijken, dat er ook geen gemeenschap Is zonder enkelingen. ®

, eigendom noemen, hebben wy aan de gemeenschap te danken. Zonder scholen, pers, boeken, geen kennis, geen gedachten. Onze zedelijke en godsdienstige opvattingen danken wij aan de opvoeding, door anderen.

De beste kunstzinnige aanleg zal niet tot ontplooiing komen, ver van alle be-Invloedlng en leiding door kunstwerken en kunstenaars. De openbare meening be Invloedt ons diepgaand. Wat „men z g > doet, denkt, wil en gelooft volgen wij na. veel meer dan wij wel willen toegeven. Een sprekend voorbeeld is de invloed van het lijfblad; als ge met lemand f discussieeren, is het raadzaam eerst uit te d.611, wat voor krant 1113 iGGSt. Kortom, wa Inhoad van onaen persoonl«te„ geest

Wij behoeven ons daarvoor met te schamen. Zelf moet gy het zoeken en ze moet gij het vinden, jawel, maar als elk geslacht en leder mensch telkens van voren af zou moeten beginnen, zou hy het met ver brengen. Het Is goed, dat er een groot geestelijk bezit is, fat voor ons klaar ligt en dat wij ons slechts hebben toe te eigenen. Het Is om te leven eenvoudig noodzakelijk, dat de regels voor onze wa,ardeerlngen, ons gedrag, onze Ideaalyorming, 7iin CTGfifGVGn. zoodfl-t wij Z6 ni6t tslkGiis oojeciieve yu macht in ons leven.

. Zijn macht kan echter een druk worden. Dat blijkt wel heel sterk aan Zoolang de enkeling in haar leeft, draagt

Zij hem, en voedt zij zijn geestelijk leven. Maar zoodra er twijfel of zélfs ongeloof ontstaat, wordt zij tot een druk, die den enkeling veel leed veroorzaken en hem zelfs als geestelijk wezen verminken en dooden kan. Terwijl daarnaast het groote gevaar van verstarring dreigt, dat hierin bestaat, dat men zich de inhouden van den objectieven geest niet meer persoonlijk toeëigent, maar anderen een van buiten geleerd lesje napraat. Maar dan leeft de geest niet meer in den enkeling. Gaat dit proces door, dan sterft op den duur de objectieve geest zelf. En wel, doordat de geest slechts blijft leven ,als hij voortdurend in verbinding staat met het ideële rijk van waarden en normen. Toegang tot dit rijk hebben slechts de enkelingen. Door hun waarde- en normbesef blijft de geest leven. Daarom geldt: „Wat gij van uw vaderen geërfd hebt, verwerf het om het te bezitten”.

Over de beteekenis van de bizondere enkelingen, „de groote mannen” wil ik gaarne een volgende keer spreken. Maar reeds uit het bovenstaande is, meen ik, gebleken dat gemeenschap en enkeling voor elkander een gevaar kunnen beteekenen, maar ook elkander kunnen en beboeren te dragen.

H. DE VOS,

Boekbespreking | lll[ltilllllllllilll! I 11111111111111111111 l =

Dr. W. Banning, Religieuze ophouw. Een inleiding tot het verstaan van het religieuze leven. Uitgave Van Loghum Slaterus’ Uitgeversmaatschappij N.V., Arnhem 1934. Prijs ing. ƒ1.75, gebonden ƒ2.50.

De schrijver heeft in dit boek een aantal lezingen, die hij voor den V.P.R.O. gehouden heeft en die toen sterk de aandacht trokken, uitgegeven. Er zijn boeken die men niet gaarne beoordeelt, omdat zij zoo slecht zijn. Er zijn er ook, waarover men liever zou zwijgen, omdat zij zoo goed zijn. Tot deze laatste soort behoort dit boek. Men kan het alleen maar dankbaar aanvaarden. Banning heeft ons een kostbaar boek geschonken, ik hoop dat velen er naar zullen grijpen. Niemand zal het kunnen lezen zonder er door verrijkt te worden. Het maakt in mooie taal de centrale waarheden der religie aan ieder duidelijk. Onnoozele en overbodige opmerkingen als deze, dat men sommige dingen anders gezegd zou hebben, dat men het er niet steeds mee eens is of dat men iets mist, kunnen gerust achterwege blijven. Men leze en verwerke het in stilte. Want het is een boek dat geboren is uit strijd en stile, een boek van een levend mensch. Hier past alleen maar eerbiedig luisteren.

Ik waag het, één wensch nog uit te spreken. De schrijver deelt in het woord vooraf mede, dat de uitnoodiging van de V.P.R.O. hem bereikte, toen hij bezig was met de voorbereiding van een boek, dat de door hem beleden levensovertuiging zou uitspreken met de daarvoor vereischte wijsgeerige en theologische grondslagen. Ik hoop dat dit boek niet in de pen blijft, de uitgever kan alvast één kooper noteeren.

H. d. V.

Ida Elisaheth, door Sigrid Undset; uit het Noors vertaald door A. en N. Basenau. 2e druk. Uitg. J. M. Meulenhoff, Amsterdam; 1933. 346 blz.; prijs ing. ƒ3.50; geb. ƒ4.90.

Deze roman van Sigrid Undset staat op een geheel ander plan dan wat ik vroeger van haar las; Kristin Lavransdochter en Olav Audunszoon. Ida Elisabeth speelt in onze eigen tijd, is daardoor „gewoner”, wat niet wil zeggen; minder belangrijk. Het zal in ieder geval voor de meesten onzer makkeliker te lezen zijn; laat ieder dan ook proberen deze „roman van kracht en plicht” te lezen; kopen zal meestal wel niet gaan, maar vraag het dan in openbare leeszaal of biblioteek. Dit zware vrouwenleven drukt ons niet neer, maar maakt ons stil door de sterke levensaanvaarding, die er uit spreekt. Een enkele aanhaling zegt voldoende; „Men mag niet weigeren om te leven, alleen omdat men bang is dat het pijn zal doen. Zeker doet het dat, het leven doet zelfs meestal pijn, maar meestal is niet hetzelfde als het meest. Ên het goede is het meeste” (blz. 217). H. B.—S.