is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 24, 17-03-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZIEKE MOEDER

Ze zeiden allemaal: ~’t Kan zóó niet blijven” maar wat gebeuren moest heeft geen gezegd; de kleine kamer stond vol groote lijven;

de zieke scheen alleen opzij gelegd.

Elk wist van d’ ander: daar kan Moeder wezen; wist van zich zelf: bij ons kan ze niet zijn ;

tot één koud hart van armoe ging genezen door ’t twink’lend licht in Moeders medicijn.

Een hand heeft stil het fleséhje opgenomen en het nerveus direct weer neergezet;

bevrijding kwam: „Laat Moeder bij ons komen” en toen bewoog een teere hand in ’t bed.

En die twee-derden van haar levensdagen doorzwoegde en opsprong bij een kinderkreet,

die eeuwig gaf en nimmer iets zou vragen had spijt, dat zij nu overlast aandeed.

En zei, dat ze nog wél weer op zou leven en dat ze liever in haar kamer was; dan liet ze zich de medicijnen geven, ofschoon ze wist, dat ze niet meer genas.

Nu sliep ze in de donk’re, groote lijven hielden zich stil de bedstee toegewend en ieder wist: zij zal hier willen blijven, want ieder had haar sterke wil herkend.

}. VAN HATTUM.

Kritiese Kroniek m lllillllllllllllltlll p 11111111111111111111 l M Een niet beweende dode

H. Marsman: ~De dood van Angèle Degrou x”, Querido 1933.

Misschien zou ik wat Marsman’s eerste roman betreft kunnen volstaan met de opmerking, dat dit boekje van inhoud onbelangrijk en van stijl slecht is. Maar er zijn twee redenen, waarom ik meen, dat zo’n oordeel niet slechts beweerd, maar ook bewezen moet worden. Ten eerste is Marsman een figuur, die als dichter en als criticus een soort beroemdheid bezit in de beperkte kring van de jongeren der voorlaatste generatie, de omstreeks 1900 geborenen. Ten twede hebben sommige critici, meer belast naar ik meen met bewonderzucht dan gezegend met onderscheidingsvermogen, deze roman verheerlikt als een monument van nieuwe prozakunst, omdat door dichterlike stijl-elementen de taal zou zijn opgevoerd tot een ongekende hoogte van beeldend vermogen.

Marsman heeft vroeger gedichten geschreven, waarvan misschien geen enkele een blijvende waarde bezit, maar die bij hun verschijning min of meer opzienbarend zijn geweest en als zodanig tot de literatuurgeschiedenis zullen gaan behoren. Ze hóren er eigenlik reeds toe, al zijn ze nauweliks tien jaar oud. De tijd is een onverbiddelik beoordelaar, en terwijl

men Leopold en Bontens en G-orter ondergaan kan met een hevigheid, als was hun poëzie gister ontstaan, blijft voor Marsman geen ander woord dan „curieus” ter karakteriséring over. Zijn kritieken zijn knap, en om de periode van vlak na de wereldoorlog te leren kennen, onontbeerlik. Hij schreef ook enig proza, „nerveus” geheten, modern nerveus of nerveus modern, „Vijf Vingers”. Ik zou graag eens willen weten hoeveel exemplaren van dit zonderlinge bundeltje schetsen door de uitgever voor volle prijs zijn verkocht: mijn exemplaar altans heb ik eens voor twintig cent uit de Bijenkorf gehaald Dank zij deze reeks meesterwerken geldt Mr. Marsman als een literair autoriteit en geniet hij, gelijk gezegd, een zekere beroemdheid in kleine kring. Nu hij voor het eerst een roman heeft geschreven, en dus het bewijs moet leveren of zijn korte flitsende taal ook tegen een grotere omvang bestand is, lijkt het gewenst het resultaat nauwkeurig te bezien.

Welnu, kort gezegd, is het verhaal zo: er is een meneer, die in Parijs bezig is een boek te schrijven, maar erg te lijden heeft van gebrek aan inspiratie. Ter afwisseling houdt hij er een aantal amourettes op na, die zelden langer dan één nacht duren en ook niet voor de eeuwigheid bestemd zijn. Als hollander een hollands boek lezende in een restaurant het was een boek van Van Schendel maakt hij kennis met een andere hollander, een mismaakte lelike man, achterkleinzoon denk ik van Hugo’s

Quasimodo. Hun kennismaking wordt tot een vriendschap, waarbij het mysterieuze feit dat de bochel getrouwd is geweest met een verbijsterend mooie vrouw, wier portret hem steeds nabij is in zijn prachtige bibliotheek, een belangrijke rol speelt. De eerste, normaal geproportioneerde hollander echter heeft nóg iets aan ’t handje: in Brussel woont een vriendin, die hij lief heeft en zij hem, en enfin: ze krijgen elkaar niet, omdat hij haar niet némen dorst, bang haar te verliezen, en haar derhalve juist verloor. Door dit drama verliest hij bovendien zijn misvormde vriend. Het laatste hoofdstuk speelt onverhoeds vijf jaar later, bij Angèle’s sterfbed. Ze is met een ander getrouwd en laat desondanks haar vroegere vriend komen, van wie ze haar man nooit heeft verteld. Ze sterft werkelik, en we begrijpen dat dit een passend eind is voor een roman, die aan deze laatste pagina zijn titel ontleent.

Het Parijs, waar deze roman speelt, is niet het Parijs van Chiappe, Deladier of Doumergue, maar een volstrekt tijdeloze wereldstad, eerder van omstreeks 1900 dan van 1933. De problemen die deze mensen hebben, zijn ook een geslacht ten achter bij de huidige. Deze roman, die modern en nieuw zou zijn is een èl te late nabloei van de naturalisties psychologiese roman: Couperus heeft in Eline Vere een kunstwerk geschapen dat onvergetelik blijft, en essentiëel in niets verouderd, al is het vijfenveertig jaar oud. Het is eenvoudig uitgesloten, dat Angèle Degroux, of een der mannelike helden van Marsman ons vertrouwd wordt en belang inboezemt, zoals Eline Vere’s zielige bestaantje deed en doet.

En nu de stijl. Dadelik in het begin: „Poussez”, commandeerde de klapdeur, en zijn rechterhand deed haar breed en beleefd voor hem open, en hij hield haar, als achteloos, met twee sterke vingers open voor wie er mocht volgen. Hij wierp zelfs een vluchtigen blik over zijn schouder, voor het geval er eens iemand mocht volgen, —” Kostelik is bijvoorbeeld het volgende: „Een nieuwe blik van Charles naar Lucienne kwam zacht en bedwelmend terug. Maar zij bleef zitten tusschen de Engelschen”. Lelik dit: „Charles liep met zijn hoed in zijn hand en ook Angèle had haar sjaal afgedaan, die nu wapperde in haar hand”. Of: „Met een groote ruige handdoek wreef hij met sterke halen het bloed los in zijn huid, zoodat ze bronzer en roziger werd van het sneller loopende bloed”. En het toppunt is misschien wel: „Zij droeg een licht gelen mantel en een licht gelen hoed, licht, zacht-glanzende kousen die haar beenen slank en soepel, glad en gedempt-wellustig omspanden”.

Nee nee, dit zijn géén kleinigheden; want dit zijn juist de fraaigevonden dichterlike elementen, die dit proza tot zo’n verrassend nieuwe schoonheid zouden maken! En mocht men zelfs hierdoor er niet van overtuigd zijn, dat de heer Marsman tegenwoordig nauweliks leesbaar nederlands schijnt te kunnen schrijven, dan wordt men bij dezen beleefd uitgenodigd eens te letten op het woordje „iets”, bijvoorbeeld op bladzij 77 en 78. Er is iets vaags en iets leliks in het iets te vaak gebruiken van zuik een Niets-zeggende construktie. Ik blijf bij mijn eerste opmerking: dit boekje is van inhoud onbelangrijk en van stijl slecht. Wij zetten tot nader order ook deze auteur bij in het mausoleum onder gestorven illusies. Misschien is hij enkel iets schijndood.

G. STUIVELING.