is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 27, 07-04-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET HEIBLOK

Aan de saamgetrokken palen, waar de wind doorhenen mort, hangt het dreigend zware heiblok

aan de takels vastgesjord. Zwijgend in zijn hooge toren

maar van eigen kracht bewust rukt en kreunt hij, als een roofdier woedend in getemde rust.

Maar de handle wordt getrokken en geweldig is de schok uit de angstig hooge stilte

dondert neer het blok.

Sla den buffer op de juffer, die geen weerstand kent. Machtige, voor niets vervaarde, hamer in de weeke aarde

fundament.

Vast aan ketenen geklonken in de kerker van het geld zijn zoovele idealen

in de strijders neergeveld. En de laksheid en de lafheid

heeft in ons de brand versmoord en in hoofden en in harten

onze Wil tot Daad vermoord. Maar voor toekomst en verleden in het heden zij aan zij.

stormt het heiblok onzer weerstand stormen Wij.

Sla in onze jonge harten bij bevrijding en in smarten stormram ongekend. Machtig, heilig organisme hamer in ons Socialisme fundament.

ANTON POLET

Het Plan van den Arbeid

Het Plan van den Arbeid is nu voor Nederland bij uitstek actueel geworden. Op het Paaschcongres van de S.D.A.P. werd met algemeene stemmen besloten een commissie te benoemen, die een wetenschappelijk bureau in het leven roepen zal ter uitwerking van een plan passend voor Hollandsche verhoudingen.

Hoewel de discussies op het Congres voor een groot deel werden beheerscht door de resolutie betreffende de actie bij dreigend oorlogsgevaar en dus aan het toekomstige plan van den arbeid niet zooveel aandacht werd besteed als het ongetwijfeld verdient, bleek toch wel duidelijk de algemeene overtuiging door Albarda in zijn aanbeveling van de congres-resolutie betreffende het plan, samengevat.

Ook in Nederland moet het mogelijk zijn de anti-kapitalistische gevoelens van breede groepen in de bevolking te richten op een concreet socialistisch plan tot gedeeltelijke omvorming van de maatschappij. Dit plan moet duidelijk zijn en vast omlijnd, goed doordacht en aanvaardbaar voor ieder, die niet is bevangen in de kapitalistische gedachtenwereld. Maar bovenal zal de partij zich de onmiddellijke en onverkorte uitvoering van het plan als bijna uitsluitend doel moeten stellen en haar geheele actie op de propaganda voor het plan moeten instellen. Wij zijn er van overtuigd, dat de betreffende instanties in de Nederlandsche arbeidersbeweging de beteekenis van het genomen besluit volkomen beseffen en met bekwamen spoed de commissie zullen benoemen, die het werk ter hand moet nemen. Dit werk is ongetwijfeld moeilijk en

eischt ernstige voorbereiding. Maar gelijk ook in België de zeer diepgaande detailstudie voor onderdeelen in commissies ter hand is genomen nadat het Plan van den Arbeid in groote richtlijnen was opgesteld en aanvaard, zoo moet ook hier het Nederlandsche plan in groote trekken binnen afzienbaren tijd gereed zijn. Er staat hier een buitengewoon groot belang voor de arbeidersbeweging en voor het Nederlandsche volk op het spel. Wij zijn er ons van bewust, dat hier geen maakwerk op bestelling kan worden geleverd, doch wij weten tegelijkertijd dat vele duizenden met groote spanning en belangstelling de resultaten van het werk der in ter stellen commissie tegemoet zien.

Reeds zijn er als voorboden voor de werkzaamheden in Nederland een paar brochures verschenen, die zich met de zaak bezig houden. Ten eerste zag bij de Arbeiderspers een brochure het licht van M. Sluyser „Planmatige Socialistische Politiek” met een voorwoord van Hendrik de Man. Dit geschriftje geeft de volledige tekst van het Belgische Plan van den Arbeid. De toelichting lijkt mij niet heelemaal geslaagd. Op de eerste bladzijde van het boekje zegt Sluyser „Laat ons trachten in het beknopte bestek dezer brochure uiteen te zetten hoe dr. Hendrik de Man de belangrijkste van alle vragen voor de arbeidersklasse beantwoordt”.

De uiteenzetting is echter een gedeeltelijke weergave van de argumenten van de Man, vermengd met en aangevuld door argumentatie van Sluyser, waardoor het geschriftje aan overzichtelijkheid inboet. Bovendien draagt het de sporen van wat

Om de boer

M, , . et veel belangstelling heb ik kennis genomen van de artikelen van den hee Terpstra over „De en Sociaal-Democratie Dit vooral, omdat ik zelf boer ben veel te weinig ik heeft de sociaal-democratie zich met de problemen van den landbouw ingelaten. Dat zich dit op den duur geducht ka. wreken heeft de heer Bartstra in een va de laatste ran zijn prachtige artikelen (dat over Oostenrijk) toegehcht. En ik meen, dat ook de heer Terpstra, hoewel zelf van het land afkonastig, te licht over de tegenstelling stad—platteland is eengeloopen. Hij wil die eigenlijk met erkennen en is zeer geneigd er louter klassetegenstellingen, die er ook inderdaad zijn, voor in de plaats te stellen.

De bedoeling van mijn schrijven is vooral, om de belangstellende lezers in kennis te stellen met gedachten van een boer over de tegenwoordige maatschappelijke verhoudingen en de positie van hem daarin.

Een onzuivere vergelijking, waaraan ook de s.d. landbouwspecialiteit, de heer Matthijsen zich meer dan eens heeft bezondigd, maakt m.i. de heer Terpsta, waar hij aantoont, dat pacht en inventarisrente (van belegd kapitaal in den landbouw) 20 tot 25 pCt. van de totaal-opbrengst opeischen, terwijl in de industrie de productie dikwijls enkele malen ’t rente-vereischend kapitaal bedraagt. Hieruit volgt dan, volgens Terpstra, de druk van het kapitaal op de landbouwverhoudingen.

Stellen we dus, dat in de industrie belegd kapitaal 4 pCt. rente afwerpt, dan zien we daarnaast, dat het ook heel goed mogelijk is, dat de totaalproductie 4 maal het in die industrie belegd kapitaal overtreft. Dus in de industrie één pCt. van de totaalopbrengst voor rente, in den landbouw 20—25 pCt. van de totaalopbrengst voor rente. Alleen aan het groot verschil bemerkt men wel dat deze vergelijking niet deugt.

Wat is dan ook het geval? In den landbouw hebben we deels te doen met een bloote natuurgave, in de industrie moet alles, grondstof, arbeid, hulpmiddelen, enz, gekocht worden; warmte, lucht, licht, vocht en voedsel voor een deel ook, geeft moeder aarde om niet; de industrie kan van haast niet één van deze bronnen profiteeren; zij moet dikwijls al beginnen met de aankoop van grondstof (in de textiel b.v. katoen) en vervolgens alles aanwenden wat alleen voor geld te koop is. Maar zaait b.v. een boer tarwe uit, en wil hij eens zeer extensief bouwen, d.w.z. zoo weinig mogelijk arbeid en kunstmest en dergelijke aanwenden, dan kan het best gebeuren, dat zijn totaalopbrengst (bruto) nog wel i bedraagt van de bruto-opbrengst van een stuk land van de zelfde grootte en kwaliteit, dat integendeel intensief is bebouwd, met aanwending van veel middelen dus.

Uit dit voorbeeld ziet men de fundamenteele beteekenis van de natuurgave van den bodem, die voor een deel geeft om niet; en zonder wiens milde goedgeefschheid, ook met de meest-rationeele industrie, de menschheid zich op aarde niet het noodige kon verschaffen. Van den anderen

kant moet men de beteekenis van die bloote natuurgave ook niet overschatten, zooals de aanhangers van Henry George wel is overkomen. Ook wil ik geen extensief bouwen of roofbouw aanbevelen; ik onderschrijf, dat het grondkapitaal veel te veel van de opbrengst opeischt; alleen het bezigen van bovengenoemde vergelijking gaat dunkt mij niet op. |

I Verder heeft de heer Terpstra betoogd, dat de sociale lasten voor slechts 3 pCt. op de totaalopbrengst van den landbouw drukken; hiermede acht hij dan de bewering van den heer Smid, de leider van de Boerenbonden, weerlegd, als zou door de sociale politiek van de regeeringen in de laatste kwart-eeuw het platteland door de stad zijn uitgebuit. Hier wordt echter den bekwamen leider van de Boerenbonden tekort gedaan. Het zijn niet de directe kosten van de sociale verzekeringen van het bedrijf, die zoo erg drukken (al zijn ze tegenwoordig de boer ook teveel). De heer Smid heeft de gevolgen van die sociale politiek over de geheele breedte van het maatschappelijk gebeuren daarbij op het oog. Keer op keer betoogt hij, dat loon en prijspeilopdrijving (ten bate evenveel van den patroon als zijn arbeiders) in de beschutte bedrijven, in de stedelijke en overheidsbedrijven en -lichamen, kunstmatig een grove bevoorrechting van „de stad” (bedoeld als complex van bovenaangeduide klassen) ten koste van het platteland tot gevolg heeft gehad. De boer en zijn arbeider bleven tot in de crisis afhankelijk van de internationale marktwaarde van de landbouwproducten, werden blootgesteld aan de moordende concurrentie die vrijhandel, bij de moderne productie-