is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 28, 14-04-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ceestelik leven m iiiiiiiiiiiiiiiiiiii I m iiiiiiiiiiiiiiiiiiii I M

Het geweten de stem van God?

Het verheugt mij om meer dan één reden, dat mijn vriend Engels de vraag heeft gesteld en met een sterke innerlike aandrang een antwoord heeft gevraagd. Niet alleen de vraag zelf maar ook de wijze waarop zij werd toegelicht, en vooral de wetenschap dat tallozen met dezelfde gedachten rondlopen, doen mij er gaarne nader op ingaan.

Niet te uitvoerig zal ik spreken over de moeilijke vraag naar wat men onder „het geweten” heeft te verstaan. Het gebeurt nog al eens dat iemand zich op zijn geweten beroept, terwijl bij scherper toekijken blijkt dat onkunde, begrensdheid van blik, persoonlik vooroordeel of klassevooroordeel een grote rol spelen. In de praktijk van het leven blijkt ook herhaaldelik, dat „het geweten” van de ene mens heel anders reageert dan dat van de ander. Kortom: het woord is moeilik genoeg; en als we streng wetenschappelik te werk gaan, dan vrees ik, dat er van het hele begrip niet zo veel houdbaars overblijft.

Wij begrijpen intussen wel wat er mee bedoeld wordt. In de wezenlik grote konflikten van het leven moet de mens kiezen, moet hij weten wat zijn taak en zijn plicht is, moet hij een weg vinden die hij innerlik kan verantwoorden. Hij weegt daarbij tegen elkaar af, niet slechts argument tegenover argument, maar ook waarde tegenover waarde hij weegt af met de inzet van zijn gehele persoonlikheid. Tot zover zullen wij het zeker eens zijn. Maar de vraag komt op: als een mens zo kiest, na dikwels moeilike innerlike zelfstrijd, gaat hij dan Gods weg, ja dan neen. Laat mij een voorbeeld nemen, dat vermoedelik voor velen onzer aktueel is. Wij

hebben ernstig reden om te vrezen dat de Nederlandse S.D.A.P. de verdedigingsoorlog aanvaardend, na korter of langer tijd ook de nationale ontwapening laat vallen. Dat zal voor velen een gewetenskonflikt worden; het is zeker niet ondenkbaar, dat er zijn, die zeggen: mijn geweten verbiedt mij onvoorwaardelik om aan welke oorlog ook mee te doen en dus moet ik de partij verlaten. Anderen zullen precies hetzelfde konflikt doorstrijden en een andere keuze doen. Zij kunnen zeggen: er blijft in de partij nog heel groot werk te doen; er blijft een sterke geestelike band met de makkers, óok als zij naar onze mening dwalen; wij willen de schuld mee blijven dragen. Gewetensstem kan voorschrijven: ga de woestijn in; zij kan ook gebieden: blijf de schuld mee dragen. Ik zou niet graag een oordeel uitspreken over de vraag aan welke zijde het geweten het zuiverst en fijngevoeligst functioneert.

Gesteld: ik kies de eerste weg durf ik nu zeggen: dit is voor mij de weg die God mij wijst te gaan? Ik durf dat niet. Ik durf alleen zeggen: ik kan en mag niet anders, en dus zal ik die weg gaan, er kome van wat kome. Maar ik besef zeer sterk, dat de andere weg ook grote waarden heeft, die nu voor mij verloren dreigen te gaan. De weg van de woestijn heeft het grote gevaar van het farizeïsme de weg van het schuld meedragen, het andere grote gevaar van het versjacheren van beginselen. Daarom kan een religieus mens geen weg gaan hoe zijn keuze ook uitvalt zonder het diep gevoelde gebed: „Heer, als ik dwaal, laat mij niet verloren gaan, en vergeef mij”. Want in een konflikt dat berust op een botsing van waarden, kan een mens geen uitweg vinden zonder schuld op zich te laden.

Misschien kan ik mijn antwoord het eenvoudigst aldus formuleren: religie toont mij de onvergankelike eeuwige waarden maar de vraag wat in een bepaalde kon-

krete situatie moet worden gedaan blijft te beantwoorden vanuit menselike, gebrekkige overwegingen, waarbij vergissing en dwaling steeds mogelik is. Daarom zal ik b.v. wél kunnen zeggen: religieuze plicht is de strijd voor volkeren vrede maar niét: dus moet ge in een bepaalde organisatie gaan. Daarom zal ik wél kunnen zeggen: religieuze plicht is de strijd voor gerechtigheid maar niét: dus moet ge lid worden van de S.D.A.P. En laat ons goed begrijpen: juist in deze laatste dingen, die wij met menselike gebrekkige overwegingen moeten klaarspelen, liggen dikwels de grote gewetenskonflikten.

Daarom hebben wij het scherpe onderscheid gemaakt tussen zedelik en religieus standpunt. De religieuze mens weet, dat élke keuze in een gewetenskonflikt, tussen waarden en waarden, schuld meebrengt; hij weet ook dat hij straks, ook wanneer hij in volle oprechtheid en overtuiging zijn keuze deed, in diepsten zin ongelijk kan krijgen. Dan zal hij God niet vloeken ( dikwels de houding van de zedelike mens, die geen ongelijk verdraagt) maar weten van herstel, vergeving, vernieuwing. Zo kan ik dus nooit zeggen: het geweten is zonder meer de stem van God. Best mogelik, dat ik mijn geweten volg en toch dwaal. Ook dat geweldige risico behoort tot het leven. Maar ik heb toch niet anders te doen dan de innerlike stem te gehoorzamen. De religieuze mens zal het ook wanneer hij in heroïese eenzaamheid tegenover een hele wereld trouw blijft aan zijn geweten • doen in het deemoedig besef: Gods wegen en gedachten zijn hoger dan menselike. En het rijke is, dat óok als een mens in gewetenstrouw dwaalt, hij toch de Godsfakkel heeft doen stralen: hij is inderdaad trouw gebleven aan die hoge waarden, die hij te verdedigen heeft. Hij kan schuldig worden maar heeft geen verraad gepleegd. Het ergst van al is het verraad. W. B.

~De Bewaarschoor'

Sedert weken draait in een Amsterdamsche bioscoop een Fransche film La Maternelle, „De Bewaarschool”. Nog altijd is elke voorstelling uitverkocht. Er komen veel vrouwen, maar ook mannen. En die mannen hoeven geen spijt van hun geld gehad te hebben, want wat zij te zien kregen, was allerminst kinderachtig of den heeren der schepping onwaardig.

Een bewaarschool in een Parijsche achterbuurt, waarbij onze Jordaan, onze „eilanden” nog heilig zijn. Krotkazernes, waar totale paupers, misdadigers, prostituées op elkaar gepakt wonen, tezamen met een eindeloos getal kinderen. Kinderen, waarom niemand zich meer bekommert, wier aanwezigheid allen hindert zoodra zij ter wereld zijn gekomen. Er is geen plaats voor hen, er is geen tijd voor hen, er is geen liefde, zorg of aandacht voor hen. Uit de vuilnisbakken zoeken ze bijeen wat hun nog eetbaar of begeerenswaard lijkt te zijn. Stralend staat er één vast lichtpunt in dit leventje: de bewaarschool. Een plaats voor hen, waar men tijd en zorg aan hen besteedt. Waar ze gereinigd worden, waar ze te eten krijgen, waar ook wat spel, wat elementaire ontwikkeling voor hen te vinden is.

Maar was voor menschen wachten hen daar en wat voor toestanden? Want bewaarscholen waren er tot nog toe nooit genoeg en de betaling der leerkrachten was even mager als hun aantal leerlingen te groot was. Neen, dat aantal is daar in

de „maternelle” stellig exorbitant veel te groot. Een kinderpakhuis lijkt de eene zaal wel, waar, naar schatting, zoo’n honderdvijftig peuters op elkaar geladen zitten. Het is al mooi dat ze er zijn, dat ze er... mogen zijn. Dit toegeworpen brok komt wel van heel hoog neergedaald. Het is nog „mooi”, dat ze iets krijgen. En ook hier voelen we het weer: ze zijn verraden, volkomen verraden.

Eén kindje maakt zich uit de massa los: Marie, meisje van een zeven jaar, rassig, fel levend dochtertje van een prostituée. Zij weet, de kleine Marie, wat verlaten en verraden worden is. Elk oogenblik is moeder weg en laat Marie aan de zorgen over van wie maar wil. Wat voelt zij wild en hevig de gemeenheid, het verraad van de sterken tegenover de hulpeloozen, machteloozen, zwakken. Vrouw Paulin, dat ongecompliceerde moederdier, inwonende werkster, kokkin, kinderenreinigster van de bewaarschool, deze bron van elementaire liefde, zij heeft haar strijd ook tegen de muizen en als ze er weer een gevangen heeft, verdwijnt het diertje zonder omslag in het fornuisvuur. Razend reageert de kleine Marie, ze schreeuwt, huilt en bijt de goeierd, om toch maar de muis te redden. Vrouw Paulin vergeeft het haar graag, maar de muis gaat er aan.

Dan de hulp van de werkster. Rosé. Meisje uit gegoede kringen, die na teleurstelling en innerlijke ellende, dit werk heeft aangenomen en met heel haar ongebruikte, zuivere liefde zich geeft aan de kinderen, de schooiertjes, dat „vullisbakkenras”. Voor haar is het werk in de bewaarschool: liefhebben, liefde geven, al-

tijd door dit eene: zich geven ten volle. „Op de knieën tusschen de kinderen, voor de privaatjes, overal waar ze noodig is.” Ze weet, dat deze kinderen in de allereerste plaats noodig hebben: liefde, trouw, vaste grond, iemand die hen niet verraadt.

Zij, met haar gecompliceerder persoonlijkheid en Vrouw Paulin, ze verstaan elkaar toch uitstekend door hun gemeenzame liefde voor deze kinderen. Verschil in afkomst, ontwikkeling en levensloop, ze worden weggewischt door de overmacht van het éene, groote, machtige. Marie neemt zij geheel onder haar hoede sedert haar moeder definitief verdwenen is.

Maar de arts van de school, tevens een soort opziener, gaat van Rosé houden en nu komt opnieuw het gevaar voor Marie verraden te zullen worden, wéér in de steek gelaten te worden, wéér alleen te moeten zijn, afstand te moeten doen. De volwassenen, ze zijn de heerschers dezer aarde, die al haar heerlijkheden en rechten meedoogenloos voor zich opeischen. Overal om zich heen ziet Marie het; ieder heeft z’n vriend, z’n vriendin zij staat er buiten. En nu nu is er weer haar groote vriendin. Rosé, die plotseling, onbegrijpelijk voor het kind, een stuk van haar leven afstaat aan een ander. Een ander die er weinig van begrijpt aanvankelijk, waarom Rosé zoo opkomt voor de rechten van Marie, die zij mede wil nemen in haar huwelijk en niet nogmaals de catastrophe wil laten doormaken van verlaten te worden door degeen aan wie zij zich, kinderlijk zonder terughouding heeft overgegeven. Deze gevoelens zijn den dokter uit eigen innerlijke ervaring vreemd, zij zijn litteratuur voor hem.