is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 29, 21-04-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnenland

Dr. E. Stanley Jones en S. de B. Sr.

De Amerikaansche zendeling Stanley Jones is hier in orthodoxe kringen ais een Evangelie-ster ontvangen; hij heeft zich in eenige steden doen hooren en men heeft eerbiedig aan zijn voeten gezeten. Zijn prediking is niet fijnproevers onder zijn gehoor hebben opgemerkt, dat deze niet geheel zonder bedenkelijke afwijkingen is. Men kan leer en leven van Jones met den eenen naam: „Christus” aanduiden. Hij bekommert zich verder niet om bestaande opvattingen en verhoudingen en maakt daardoor vaak een zeer radikaien indruk. Hij zegt dingen, die voor orthodoxe ooren heel gevaarlijk klinken. In een boodschap heeft hij bij zijn vertrek uit Nederland in een paar krachtige zinnen een absoluut antimilitarisme als eisch van het Christendom gesteld. Hij schreef 0.a.:

„ledere Christelijke Kerk behoorde zien van het geheele oorlogsstelsel los te maken. Zij toehoorde de Regeering ervan in kennis te stellen, dat op hare deelneming aan welken toekomstigen oorlog ook niet kan worden gerekend. Hoewel de kerk haar leden niet kan dwingen en zij hen vrij moet laten hun eigen keuze te doen, kan en moest nochtans de kerk ais kerk zich uit het geheele oorlogsstelsel terugtrekken. Deed zij dit, dan zou oorlog onmogelijk zijn geworden en de volken zouden genoodzaakt zijn om te zien naar andere middelen om geschillen te toeslechten.”|

Jones eischt echter ook van het individu, „dat het van den oorlog afziet en daaraan op geen enkele wijze zal deelnemen.” Onder de mannen, die hier Jones ontvangen en gehuldigd hebben, behoort minister Slotemaker de Bruine. Hij zal de boodschap van Jones wel niet aan zijn collega van defensie overbrengen. Ook minister Colijn zou slecht te spreken zijn over de Christelijke boodschap met den revolutioniaren inhoud van: „Geen man en geen cent!”

Deze heeft In het „Algemeen Weekblad” een verzachtende verklaring gegeven van Jones’ meenlng over het oorlogsprobleem. Onder het Ingezonden staan slechts de letters S. d. B. Sr. Er Is echter geen twijfel aan, of deze letters wijzen naar Den Haag. S. de B. Sr. deelt In zijn schrijven mee, dat hij met Jones een gesprek onder vier oogen gehad heeft over het oorlogsprobleem. Deze erkende daarin, dat de Christen politiemacht geoorloofd en noodzakelijk acht, dus ook het bezit en gebruik van wapenen. Doch oorlog en vloot verwierp hij. Leger en vloot toch dienen In Engeland, Amerika, Rusland, China, Japan voor Imperialistische doeleinden, voor aanval en verovering. Daarvoor nu leent zich een Christen niet.

Daarop merkte S. de B. Sr. op, dat In Nederland leger en vloot ter verdediging dienen, om bulten een eventueelen oorlog te blijven, om wellicht afweer-mlddel te zijn tegen een bolsjewlstlschen aanval uit het Oosten.

Daarop scheen Jones geneigd om te erkennen, dat In Nederland voor een christen leger en vloot derhalve aanvaardbaar zijn. Stanley Jones heeft dus met zijn uitspraak omtrent Amerika voor Nederland niets gezegd: aan den Nederlandschen Christen geen draad In de hand gegeven. Zoo besluit S. de B. Sr. zijn schrijven.

Maar dan kunnen alle staten hun militaire macht ook handhaven, want geen enkele beoogt Immers Imperialisme; zelfs Japan niet; het heeft Immers alleen maar

gestreden tegen Chineesche roevers in Mandsjoerije en daar het werk overgenomen, waarvoor de Chineesche troepen te zwak waren en in den wereldoorlog hebben alle regeeringen goed en bloed hunner onderdanen geofferd in dienst van het recht en den vrede, de democratie en het zelfbeschikkingsrecht der kleine volkeren. In vroeger eeuwen Is Nederland wel Imperialistisch geweest en zoo heerscht ons landje met zijn acht mlllloen Inwoners over koloniën met een zestig mlllloen. Nederland Is niet een heilige onder de naties, die alleen om bulten een oorlog te blijven er een leger op nahoudt of tot afweer van een wereldrevolutie, waarmee Rusland nog steeds heet te dreigen, ook al wordt het straks In den Volkenbond opgenomen en dan zelfs door een der fatsoenlijkste staten ter wereld, Nederland erkend. Het Is al te dwaas aan te nertien, dat Jones voor de Ver. Staten leger en vloot als oorlogsmiddelen niet geoorloofd acht, maar van meenlng zou zijn, dat Nederland ook naar Chrlstelljken maatstaf wel een weermacht bezitten mag.

Wat men in Nederland wel zeggen mag

Wij hebben hier nog een vrij groote mate van vrijheid, om onze meening te uiten: maar het gezag, de overheid en haar organen raken ook hier steeds meer boven critiek verheven; niet omdat ze zoo hoog staan en onfeilbaar zijn, maar omdat de critiek onderdrukt wordt. Ambtenaren, ook van hoogen rang, hebben een waarschuwing gekregen, dat spreken gevaarlijker is dan zwijgen. Een inspecteur bij het lager onderwijs werd in zijn critiek op de bezuinigingsplannen van minister Marchant het zwijgen opgelegd; hoogleeraren kregen een wenk, dat een getuigenis, dat de wetenschap den oorlog niet moet dienen, aan de regeering onwelgevallig was. Maar prof. P. S. Gerbrandy heeft op de vergadering van den Schoolraad voor de Scholen met den Bijbel een bijzonder feilen aanval gedaan op het lager onderwijs. Hij noemde het karakter van ons onderwijs anti-Christelijk en anti-sociaal. School voeding en kleeding verpesten het huisgezin en het verantwoordelijkheidsbesef. De school, bestemd om te vormen voor de maatschappij, is gedenatureerd, ontaard, bedorven „tot kweekplaats van strijders tegen de maatschappij.” |

Zulke redelooze uitbarsting van haat tegen de „Staatsschool”, tegen dit orgaan van den staat laat men passeeren. Die schijnt geen kwaad te doen aan den eerbied voor het gezag, dat immers juist in dezen woeligen tijd zoozeer noodig heeft beschermd en gehandhaafd te worden. Het rapport-Idenburg, werk van een regeeringscommissie, die mogelijkheden van bezuiniging op leger en vloot heeft bestudeerd en voorstellen daartoe heeft ingestuurd, is behandeld in een openbare vergadering van de „Ver. tot Beoefening van de Krijgswetenschap”. De minister heeft een poos geleden meegedeeld, tegen een openlijke bespreking en publicatie daarvan bezwaar te hebben; een en ander zou hem „niet aangenaam” zijn. Toch is de bespreking in een openbare vergadering gehouden en wij zouden het gezicht van den minister wel eens hebben willen zien, toen hij het verslag daarvan las. Het zal hem zeker niet aangenaam geweest zijn, te moeten lezen, dat het uit moet zijn met de doorloopende beknibbeling op de defensie-uitgaven, dat het vooroefeningsinstituut de kanker is, welke aan

ons leger knaagt, dat in zake de marine het onderzoek der commissie naar mogelijkheden en daardoor het resultaat sterk den invloed heeft ondergaan van de te hoogen bezuinigingseisch ten opzichte van een budget, dat in zich zelf al tot een op den duur onhoudbaar minimum was teruggebracht, dat met aanvaarding der voorstellen in zake het Ned. Ind. leger een gevaarlijke weg zou worden ingeslagen en ze daarom ten scherpste veroordeeld moeten worden, dat met de uitvoering ervan een voor Ned. Ind. hoogst gevaarlijken toestand in het leven geroepen zal worden en de thans in uitzicht gestelde afbraak van het Indische leger zal leiden tot het voor ons verloren gaan van ons schoone Insulinde. Wij zouden al deze critiek niet willen onderdrukken; vrije meeningsuiting acirten we beter dan heimelijk gewroet. Maar we komen op tegen het gebruik van tweeerlei maat, waar het schennis van het gezag en zijn organen betreft. Aan den een wordt veroorloofd, wat den ander verboden is. Een onderofhcier, die „Het Volk” leest of wiens zoontje lid is van de A.J.C., gaat de laan uit. Maar deze hooge officieren hebben vrij spreken, ook al heeft de minister hun laten weten, dat het hem niet aangenaam zou zijn.

Verplichte controle van Motorrijtuigen

Zeer vaak blijkt het na een verkeersongeluk, dat de betrokken auto een of ander defect had; vooral aan rem- en stuurinrichting hapert nog al eens iets. En juist de kleinste afwijking kan een ongeluk veroorzaken. De chauffeur moet een bev/ijs hebben van rijvaardigheid, maar de auto moet ook rij waardig zijn en een groot deel der auto’s is dat niet. De uitslag van de vrijwillige keuring van auto’s door de K.N.A.C., in verschillende plaatsen van ons land gehouden en te houden, bewijst dit. Zij, die zich aan de keuring onderwerpen, zijn overtuigd, dat hun auto in orde is en er althans zeer weinig aan mankeert. De versleten en gevaarlijke auto’s verschijnen niet in de veiligheidslaan. Dan zou de uitslag van het onderzoek nog angstwekkender zijn, maar het is nu al erg genoeg. Op den vijfden dag van de veiligheidslaan in Amsterdam waren totaal 556 wagens gekeurd; slechts 165 ervan doorstonden de keuring geheel; 194 wagens werden bij herkeuring goed bevonden; de overige 206 moesten worden afgekeurd.

De uitkomst zou zeker nog aanmerkelijk slechter zijn, indien alle auto’s verplicht waren, zich aan het strenge onderzoek te onderwerpen. Er is bij het publiek een zekere onverschilligheid ten opzichte van de verkeersongelukken gekomen; men aanvaardt ze als onvermijdelijk bij het moderne verkeer. Ondanks allerlei, ook uitstekende maatregelen, om den weg veiliger te maken, neemt het aantal verkeersongelukken toe. Daartegen steekt niet een storm op; men is er zedelijk niet ernstig door verontrust. Waar schuld is, zijn strafwet en justitie ook allerminst streng. De verliezenlijst van den verkeersweg wordt met dezelfde gelatenheid gelezen als de verliezenlijst in oorlogstijd van het slagveld. Men laat het toe, dat waarschijnlijk de grootste helft van de auto’s op den weg blijven, ook al hebben ze gevaarlijke gebreken. Er is eenige controle op de bussen; maar hoevele oude, versleten auto’s zou men niet lijkauto’s moeten noem.en, ook al zijn ze bestemd voor levende passagiers. Verkwisting van menschenlevens is steeds een bedenkelijk teeken; we leven dan ook wel in een bedenkelijken tijd. J. A. BRUINS Jr.