is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 33, 19-05-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buitenland

Waarom vecht Frankrijk niet?

Wij hebben ’t in deze kolommen meer dan eens als onze opinie neergeschreven, dat de overwinning van het nationaalsocialisme in Duitschland een ernstige bedreiging van den Europeeschen vrede en in laatste instantie ook een gevaar voor dat land zelf beteekende. Deze meening was een gevolg van het inzicht, dat Frankrijk de bedreiging van zijn hegemonie over Europa, die het door den Vrede van Versailles verworven had, en daarmee dus ook de bedreiging van zijn veiligheid, niet zou dulden. Het zou, dachten wij, liever zoo spoedig mogelijk er op los slaan, dan de risico te willen loopen, over eenige jaren, als Duitschland weder tot de tanden bewapend zou zijn, een oorlog te voeren, die er dan opnieuw een om „to be or not to be (= zijn of niet zijn)” zou worden. Een preventieve bezetting van het Rijnland, waardoor de Duitsche industriecentra voor het grijpen zouden liggen, een oprukken van Poolsche leger-eenheden in Oost-Pruisen en naar de Oder, hadden in het voorjaar van 1933 zonder opoffering van al te veel menschenlevens kunnen slagen.

Welnu, de herbewapening der Duitschers wordt op ’t oogenblik door de regeering te Berlijn nauwelijks meer verheimelijkt en door Europeesche diplomaten openlijk besproken. Zelfs de demilitariseering van het Rijnland waarvan wij zéker dachten, dat zij een absolute voorwaarde van Frankrijk zou vormen voor de handhaving van den internationalen vrede kon wel eens spoedig een ijdel woord geworden wezen, blijkens een Fransche klacht in de laatste „ontwapening-nota” aan Engeland. De Fransche hegenomie ligt in stukken, sinds Oostenrijk in feite mèt Hongarije onder protectoraat van Mussolini gekomen is. Bondgenooten waarop Parijs vast meende te kunnen rekenen, durven zich „extratouren” met den gemeenschappelijken vijand veroorloven: Polen in Januari door zijn Duitsche non-agressieverdrag, België in Maart bij monde van minister De Eroqueville. Er bleek toen voor Frankrijk niets anders op te zitten dan de „vriendschap” te aanvaarden van Italië, dat volgens een artikel van Mussolini in de „Berliner Boersenzeitung” het voornaamste beletsel zou vormen van Fransche sancties tegen de schending van het Verdrag van Versailles.

Indien bovenstaande voorstelling juist zou wezen, zouden wij ons dus in onze diagnose van de Europeesche constellatie hebben vergist. Een vergissing waarover wij ons natuurlijk in eersten aanleg harteiijk zouden verheugen. De zekerheid van de ellende eener preventieve militaire strafoefening weegt natuurlijk ook voor ons zwaarder dan de mogelijkheid der verschrikkingen van een toekomstigen vernietigingskrijg. De verzwaring en perpetueering van het Fransche overwicht zou bovendien weinig aanlokkelijks gehad hebben. Speciaal voor landen als het onze evenals voor Engeland —, houdt het voorloopig bereikte evenwicht tusschen Duitschland, Italië en Frankrijk meer veiligheidsbeloften in. Maar dat alles heeft niet belet, dat ons voortdurend de vraag heeft bezig gehouden, waarom toch onze „voorspellingen wellicht meer gebaseerd op kennis van constante historische factoren dan van actueele politieke verhoudingen zoo slecht uitgekomen zijn. Welnu, wat daaromtrent kort geleden aan het licht gekomen is, heeft ons alles

behalve gerustgesteld. De strekking ervan is n.l. niet alleen dat het Fransche buitenlandsche beleid op een moment van groote historische beteekenis gefaald heeft in vooruitziende doortastendheid, maar ook dat deze slapheid verband zou houden met zekere inhaerente eigenschappen der demokratie-zelve. Wij denken aan het antwoord, dat de Markies van Salisbury reeds in 1889 aan Bismarck gaf, toen deze hem een beslissing van geweldige draagkracht voorlegde, een Duitsch-Engelsch bondgenootschap: „this generation can only be taught by events”, wat men dan zou moeten vertalen als: „de demokratie kan enkel iets inzien, wanneer men haar met de neus ergens hoven op duwt.” * * *

De hier volgende bizonderheden zijn ontleend aan een artikel in het Amerikaansche tijdschrift „Nation”. Het is van de hand van den Geneefschen correspondent Robert Dell, die al sedert jaren bekend staat als een van de betrouwbaarste internationale publicisten. Volgens Dell „heeft Duitschland inderdaad in Mei van het vorige jaar op den rand van den ondergang verkeerd. Generaal Weygand, de chef van den Franschen generalen staf, en de Poolsche minister Beek zouden toen aan Daladier en Boncour den aanval op het momenteel nog zeer zwakke Duitsche rijk hebben voorgesteld. Maar Daladier had optreden afhankelijk gesteld van meedoen van Engeland. Aan Macdonald had hij toen voorgesteld, dat Groot-Brittannie zijn vloot naar Hamburg zou zenden, terwijl de bondgenooten aan Rijn en Oder zouden opereeren. De Engelsche regeering had echter geweigerd, omdat ~geen enkel Britsch belang” bij een dergelijke handelwijze gebaat zou zijn. De vraag, wat dan wel in het Britsche belang ligt, wordt beantwoord door het feit, dat van Engelsche zijde in 1933-’34 reeds 45 Rolls-Royce-motoren voor „vredes”-vliegtuigen aan Duitschland zijn geleverd. |

Een tweetie oorzaak van het inactief blijven van Daladier zou gelegen zijn geweest in zijn vrees, dat de Fransche publieke opinie zich verzetten zou tegen een tweede Roer-avontuur. Echter, zoo wordt hem dan tevens verweten, zou hij de Fransche kranten, die regeeringssubsidie ontvangen en dat doen de meeste op een gegeven moment verboden hebben nog langer sensationeele mededeelingen over barbaarschheden in Nazi-Duitschland te doen. Toen was Polen tenslotte zijn eigen weg gegaan. Het had zijn gezant te Berlijn opdracht gegeven naar Hitler te stappen en dezen de categorische vraag te stellen, wat hij wiide: vrede of oorlog. Indien het ’t laatste was, was Polen bereid. Toen was de „Führer” in zijn schulp gekropen en had doodsbenauwd daaruit het „Poolsch-Duitsche verzoeningsverdrag” te voorschijn getooverd, hetwelk Polen voor tien jaar zijn grenzen en dank zij de onsteltenis, die zijn gebaar op de Quai d’Orsay te weeg gebracht had, een groote-mogendhedenpositie had gewaarborgd. Alles bij elkaar genomen een bewijs, dat de „Nazi’s slechts dengene respecteeren, dien ze voor sterker houden dan zich zelf en toegevendheid voor een teeken van zwakte aanzien.”

* * * Het spreekt wel vanzelf, dat dit verhaal allerminst de volledige en objectieve waarheid bevat van wat er in het noodlottige jaar 1933 achter de coulissen der hoogere

politiek zal zijn voorgevallen. Op zich zelf alsmede het feit dat wij het in extenso vertaald in het bekende emigranten-tijdschrift „Das Neue Tagebuch” aantroffen bewijst het niets anders dan dat er op het oogenblik een krachtige strooming voor agressie tegen Hitler-Duitschland in West-Europa ageert, wat dan ook nogal vanzelf spreekt. Ook is het waarschijnlijk niet moeilijk de bron aan te wijzen, die Dell deze pikante feiten verschaft heeft: een of andere Poolsche diplomaat. Maar subjectief voorgesteld en onvolledig als het is, kan het verhaal toch zeer wel in den kern juist wezen. Er kan Frankrijk zeer veel aan gelegen zijn, in geen geval den indruk te maken aanvallend op te treden. Het schijnbaar losser worden van den band met zijn vazalstaten wordt immers opgewogen door de klaarblijkelijk vaster wordende Fransch-Russische vrienschap, die volgens recente mededeelingen ook een militair karakter gaat krijgen. Houdt Frankrijk zich gereserveerd, dan riskeert het een lateren verdelgingsoorlog, waarvan het echter hoop mag koesteren, dat het dan buiten zijn en België’s vestinggordel zal weten te voeren. Zal het ministerie-Doumergue scherper optreden? Als Frankrijk nu gaat vechten, zal het zulks alleen moeten doen en tegen Duitschland en Italië tegelijkertijd. Op de buitenlandsche reizen van den minister van buitenlandsche Zaken Barthou naar Warschau en Praag volgt niets. „De Franschen zijn maar bang”, zegt Dell, „en in hun angst laten zij de leiding maar over "nu eens aan Mac Donald, dan weer aan Mussolini.”

Maar het is wel mogelijk, dat het hier niet zoozeer angst, dan wel deels overwogenheid, deels gemakzucht en besluiteloosheid betreft en hier raken wij, zooals bekend is, dan weer een paar zwakke steeën der democratie. Is in binnenlandsche aangelegenheden ook niet reeds aan den dag getreden, datDommergue c.s. evenmin „een sterke regeering” kunnen vormen, als Daladier, Sarraut, Chautemps e.t.q.? Als dit opstel gelezen wordt, zal waarschijnlijk gebleken zijn, dat de radicale partij evenmin meer een eenheid kan vormen, als de socialistische. Vergissen wij ons niet, dan is het funeste in Frankrijk tegenwoordig dit, dat kapitalistische en anti-kapitalistische stroomingen, militairistische en antimilitairistische elkaar net in evenwicht houden. Uit deze situatie ontspringt dan de verleiding voor de leiders, die allereerst gemoedelijke, welwillende en handige, maar geenszins beginselvaste en geniale lieden zijn om gemakkelijke compromissen op korten termijn te zoeken. Slechts in een verdedigenden oorlog zijn zij zeker hun volk achter zich te hebben. Wat zullen zij dus twist met Hitler gaan zoeken? Als deze expansief gaat worden, zal hij toch waarschijnlijk in het Oosten beginnen. En mocht er tenslotte toch weer in West- Europa krijg gevoerd moeten worden, wat kan het de Franschen dan eigenlijk schelen, of men die uit gaat vechten aan den Rijn, zooals nu nog mogelijk zou zijn, dan wel in het arme Nederland? J. S. BARTSTRA.

Wie heeft 'm ?

Tijdens het weekeinde over het Plan van den Arbeid, 21 en 22 April j.l. heeft iemand de sleutel van de fietsenloods gebruikt en niet teruggebracht. Willen degenen, die dat voorwerp in hun handen hebben gehad, nog es hun zakken navoelen en wil hij of zij, die hem vindt, het verloren schaap naar Bentveld terugzenden?