is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 34, 26-05-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Binnenland 11111111111111111111 l

De Zondagsrust en de wet

Wij zullen maar niet nagaan de pogingen van minister Colijn, om verbetering te brengen in de bepalingen der winkelsluitingswet en van de meerderheid der Kamerleden, om ze tevens ruimer te steUen. Die pogingen kan men in een taal, die in het parlement niet geoorloofd is, armzaiig gewurm noemen. Hun uitslag is ons thans nog niet bekend, maar zal wel opschorting der behandeling of intrekking van het betreffende ontv/erp zijn. Er was kleine strubbeling en botsing tusschen regeering en meerderheid, die anders gezworen kameraden zijn met een voorgeschiedenis in den ministerraad, een gesiaagde poging, om den eersten minister een loer te draaien, wat ook al weer even onparlementair als juist uitgedrukt is. Bij de afgebroken behandeling kwam ook de kwestie van Zondagsrust aan de orde. Voor de Antirevolutionairen heeft de Zondag eerst in de tweede plaats beteekenis als rustdag. De Overheid, zoo lezen wij in het werk van Mr. H. de Wiide over het Program der Antirev. Partij, heeft niet te evangeliseeren noch de menschen naar de kerk te drijven. Maar wel is het haar piicht, voor ongestoorde godsdienstoefeningen te zorgen. Zij moet waken voor de ongestoorde vrijiating van den dag des Heeren. Zij geve daarom aan haar ambtenaren rust. De politie moet echter in dienst blijven, juist om toe te zien, dat de Sabbathsrust niet gestoord wordt. Op Zondag moeten alle schouwburgen en concertzalen gesloten en alle vermakelijkheden geweerd worden, terwijl de herbergen slechts enkele uren geopend moesten zijn. Hiermee moet gepaard gaan verbod van Zondagarbeid in aile werkplaatsen van nijverheid en in winkels. In de concessies aan spoor- en tramwegondernemingen moet de voorwaarde opgenomen worden van verbod tot publiek vervoer, of althans tot tempering daarvan op den Zondag. Strenger dan op andere dagen wake de Overheid voor de publieke eerbaarheid en zedelijkheid op den dag des Heeren.

De Staatk.-Geref. gaan nog verder. Ds. Zandt verweet aan de Antirevolutionairen, in 1930 gestemd te hebben tegen het amendement, om Zondags de café’s te sluiten en ontzegde hun het recht, principieele bezwaren aan te voeren tegen openstelling van winkels op Zondag. De Christel.-historischen gaan minder ver in hun eischen omtrent door de wet geboden Zondagsrust en nog wat ruimer is de opvatting daarvan hij de Roomsch-Katholieken, die den Zondag niet als kerkdag eischen en met een kerkuur al tevreden zijn. De bestaande, vrij strenge wet op de winkelsluiting staat toe, dat een aantal zaken vier uur des Zondags geopend zijn; ze is wet geworden met algemeene medewerking der Antirev., hoewel door die gedeeltelijke vrijstelling feitelijk hun beginsel in zake de Zondagviering geschonden werd. Terecht merkte dan ook in de Kamer Mr. Boon op: Het is niet principieel, als men vier uur goed vindt en zes of acht uur verderflijk. Als in het laatste geval het karakter van den Zondag als Christelijken rustdag geschonden wordt, dan geschiedt dat immers ook met een vrijstelling van vier uur, zij het in mindere mate. Maar wie zoozeer aan zijn principes een heilig en goddelijk karakter toekent, ais de Antirev., mag geen enkele schending ervan in de hand werken.

De Overheid heeft alleen met den Zon- | dag als rustdag te maken. En het Is zeker ■ haar taak, om te zorgen, dat de Zondag ; voor zoovelen mogelijk een rustdag zij. De : soc.-democraten hebben ook van harte meegewerkt aan de wet op de wlnkelslul- ; tlng. Van een vrijwillige sluiting bij onderllnge overeenkomst Is geen resultaat te ; verwachten; een paar kunnen haar on-! mogelijk maken. Door verplichte sluiting , krijgen allen, die In een winkel werkzaam zijn, hun vrijen dag met de anderen. Dit: laatste Is ook van groote waarde. De vrije dag wordt lang niet zoo gewaardeerd en' genoten, wanneer hij valt op den werkdag van anderen en de wereld er niet zoo feestelijk ultzlet als op den Zondag. Er zijn dan ook duizenden, die In winkels werken, en niet graag de winkelsluitingswet Ingetrokken zouden zien. In de practljk bleek deze. wet voor enkele groepen winkeliers een te, zware last te zijn; de meerderheid der' Kamerleden, ook de soc.-democraten, wil-; den daarom dien last verlichten, de llngen der wet eenlgszlns ruimer stellen.' Verplichte Zondagsrust mag vooral In dezen; crisistijd niet een groot nadeel, wellicht; ondergang van het bedrijf beteekenen. De: wet heeft niet voor te schrijven, hoe men: den Zondag zal door brengen; zij heeft geen „Zondagsheiliging” te gebieden, zlj_ draagt een uitsluitend sociaal en geeO religieus karakter; zij heeft de weldaad vSB een rustdag voor zoovelen mogelijk verkrijgbaar te stellen, zonder daarmee noodzakelijke elschen van het maatschappelijk leven te verhinderen. Dat zou ze doen, alB ze alle café’s gebood te sluiten en geen trellJ of tram des Zondags wilde laten loopen. Maar wel moet zij meewerken, dat de ver» kwlkkende en herstellende werking van Zondag zoo algemeen mogelijk zij. Wil mefi zich aan sport wijden, heel dicht bij natuur zijn, den dag voornamelijk voor ker| en godsdienst bestemmen, daarin late Overheid ons vrij. En bij het voorschrljveii van rust moet de Overheid rekening hou>i den met belangen van bepaalde groepeö die In erge mate geschaad zouden kunnei worden, wat met een deel der consumptie* zaken door de bestaande wet schijnt te ge> schleden. Sommigen achten wettelljki voorschriften In zake Zondagsrust een ln< breuk In de persoonlijke vrijheid. Wa»l geklaagd wordt over der gelijke Inbreuk heeft die gewoonlijk reeds In de ergst mate plaats.

Duizcndsn bedisncien hadden geen dag en moesten Zondags werken, totdat Q wet eindelijk ~inbreuk” maakte op de vrij heid hunner patroons, om hun zaak g< opend te houden. En duizenden patrool zijn dankbaar voor die inbreuk en geniete nu ook van hun onvrij en en toch zoo vrije Zondag. » * *

Rechtvaardigheid en weldadigheid

! Over dit onderwerp staat een merkwaar– dig artikel in „De Blindenbode”. De uit-I drukking „bewuste arbeider” wordt niet vee meer gebruikt; ze is een der germanismen die in onze socialistische literatuur en rede-1 voeringen eens zoo veel voorkwamen al: krenten in een Paaschbrood. Wij zegger s liever een strijdende arbeider: een die wee e te moeten strijden en in zijn strijd met di s anderen een doel heeft. Er zijn nog steed. vele berustende, lijdende of morrende ei n mopperende arbeiders, die-niet strijden. e strijdende arbeider heeft een nieuw gevoe s van fierheid ontvangen; er is ook hoop ei t, blijdschap in zijn hart gekomen, als bi g een, die lang gezocht en gedwaald heeft ei nu eindelijk weet den goeden weg gevon

den te hebben, ook al is het einddoel nog ver weg.

Er zijn de laatste jaren ook vele „bewuste” blinden gekomen. De blinden willen niet langer beklaagd worden, geen stakkers maar strijders zijn. Zij willen niet afhangen van meelijden en weldadigheid, maar vragen hun plaats en hun recht in de samenleving. Zij zijn ook van lijders strijders geworden. Dat blijkt uit dit artikel, waarin rechtvaardigheid boven weldadigheid gesteld wordt.

De weldadigheid maakt afhankelijk en ontneemt de vrijheid. Zoo schrijft „De Blindenbode”: Het is langen tijd heel gewoon geweest, dat aan werkverschaffingen (voor blinden) op Christelijken grondslag Joden, Katholieken en Atheïsten gedwongen waren, Protestantsche Godsdienstoefeningen bij te wonen.

„Dat zich hier en daar in den loop der jaren, althans in beginsel, groote veranderingen in dit opzicht hebben voltrokken is alleeen te danken aan de onvermoeide actie van onzen bond voor de geestelijke vrijmaking der blinden en die veranderingen zijn ook niet tot stand gekomen dan na heel veel strijd en moeite.”

De blinden willen geen kinderen zijn, die leven moeten van het geestelijk voedsel, dat de weldadigheid voor hen uitzoekt. Zij willen geestelijke gelijkwaardigheid met de zienden. De filantropie maakt meewarigheidspropaganda; het gevolg daarvan is, dat men met de blinden omgaat in een ziekelijke sfeer van beklagend meelijden, dat in hooge mate welwillende minachting in zich heeft. De weldadigheid erkent geen rechten en maakt de tegenstelling van onafhankelijke begunstigers en zoo afhankelijk mogelijke begunstigden. De vrije ontplooiing en erkenning van de waarde en waardigheid van den mensch wordt door het systeem van weldadigheid belemmerd. Dit alles geldt ook van de arbeiders, die zien. Er werd eens veel voor hen „gedaan”, maar zij waren dan ook verplicht, dankbaar te zijn. Zij kwamen ook in een vernederenden staat van afhankelijkheid van hun weldoeners. De bedeeling door de dia! conie ging eens samen met de verplichting tot kerkgang. Ook hier leeft het verleden : voort in het heden van menige gemeente. De beweldadigde zal niet licht een woord ; spreken, dat den weldoener niet aanstaat, hij geeft met het ontvangen der weldaad . het recht op een eigen meening prijs. Wij 3 bedoelen niet, dat dit alles samengaat met elke daad van meelijden en hulpvaardigheid, maar het geldt wel van de weldadigs heid in het algemeen. De arbeider heeft 1 meer recht en vrijheid verworven door zijn 1 strijd, is minder afhankelijk van de liefdadigheid; zijn maatschappelijke positie en ook zijn innerlijk wezen zijn veranderd. Zoo is er een groot verschil tusschen den keien kloppenden werklooze met zooveel brood en vet voor zijn gezin tijdens een vroegere crisis en den werklooze, die nu ■- werk en steun ontvangt. De laatste voelt i- zich niet een beweldadigde en afhankelijke 3l geroepen tot zwijgen en danken, maar hij 1, voelt recht te hebben om te leven en zijn !- gezin in het leven te houden. Hij heeft Ls liever werk dan steun en hij wil in werkn verschaffing niet als een koelie behandeld ;t worden en heeft den steun zijner organile satie achter zich. De crisis heeft op vele is werkloozen een slechte moreele werking, :n maakt hen onverschillig of moedeloos, ver)e bitterd en wild, maar het gevoel van el onderwerping en slaafschheid is aan de ;n werkloozen in het algemeen vreemd geblelij ven. Dat strijd fier maakt, ondervinden m ook de blinden. J. A. BRUINS Jr.