is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 34, 26-05-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het schijnt nu eenmaal gemakkelijker te zijn iemand te verbieden na een bepaalde datum kuikens te fokken dan te voorkomen, dat een land hopeloos wordt ontsierd, dat duizenden in slechte opzichtige huizen wonen en dat daardoor het menschelijk gemoed op groote schaal wordt vergiftigd!

Aan ons ook de taak hiertegen te strijden en naast hen, die de nieuwe zakelijkheid en een levende traditie willen, te gaan staan, opdat eenmaal in het nieuwe gemeenschapsverband een nieuwe, klare en sterke architectuur ontbloeie. G. FEENSTRA.

Opvoeding | 11111111111111111111 l s 11111111111111111111 l ■

.^Voorhefgelukonzerkinderen"'

De sprong van de ietwat overdreven engelse mevrouw met de heel donkere kijk op alle huidige opvoeding naar de goedmoedige optimistiese hollandse oom lijkt wel duizelingwekkend groot. Echter zullen vooral veel ouderen met een zucht van verademing konstateren, dat ze nu wel heel veilig terechtgekomen zijn. Hoort u maar:

„Ik vrees, dat de geest, die de moderne opvoeding bezielt, de verkeerde tendenzen versterkt, die de inwerking van het maatschappelijk leven bij de jeugd te voorschijn roept.” (Blz. 32.) „Ik stel gaarne het oude opvoedkundige stelsel tegenover het moderne, het oude, waarin het gehoorzamen op gezag als het ideaal bij uitnemendheid goid.” (Blz. 35.)

„Uit een psychologisch oogpunt verdient het aanbeveling, reeds aanstonds leiding te geven aan de karaktervorming en het kind niet als een schip zonder roer aan zichzelf over te laten.” (Blz. 38.) „Het kind mist ten eenenmale het recht, om de spontane uitingen van een ongeordend gemoedsleven door de omgeving te doen aannemen ais norm voor de opvoeding.” (Blz. 39.) „Men mag niet voorbijzien, dat in het kind de negativistische en destructieve tendenzen overheerschen en dat daarom vooral in de eerste levensjaren, de dressuur, d.w.z. het met gezag opdringen, en zoo noodig opdwingen, van positieve en als juist aangenomen handelingen, gewoonten en opvattingen in sterke mate op den voorgrond moet staan.” (Blz. 36.)

Voelt ge u nog veilig en behaaglik, lezer, of wordt ge, net als ik, nu toch weer opstandig? Ziet ge, nu betreur ik het weer, dat ik ’s avonds na een volle werkdag geen hersens meer heb tot het bestuderen van psychologiese werken; want is dat een inzicht van de moderne psychologie, dat in het jonge kind de ontkennende en vernielende tendenzen overheerschen? In mijn praktiese ervaring heb ik daar nooit iets van gemerkt. Integendeel: wat men dan de vernielzucht van kinderen noemt, verdwijnt geheel, als ze maar in de gelegenheid gesteld worden, zich naar hun aard te ontwikkelen en hun arbeidskracht en -lust uit te vieren. Wat ze vernielen zijn de hindernissen, die de grote mensen voor ze opwerpen; zeker, vaak met de goeie bedoeling ze te beveiligen. Maar kinderen verzetten zich gelukkig! tegen die goeie bedoelingen, juist omdat de scheppende, opbouwende elementen in hen zo sterk zijn.

En het gehoorzamen op gezag, de dressuur? Nee, dr. Vos, niet omdat het woord gezag in onze oren een ietwat verdachte klank heeft, maar omdat ik eerbied heb voor het kind, omdat ik tegenover het kind geen enkel recht heb, dat niet uit een plicht ontspringt, wil ik m’n kinderen niet met gezag handelingen, gewoonten en opvattingen opdringen, desnoods opdwingen, al zijn die volgens het oordeel van de hele

‘) Dr. I. H. J. Vos: Voor het geluk onzer kinderen. Uitg. Andries Blitz, A’dam. 192 blz. Prijs ing. ƒ1.75, geb. /2.50.

opvoedkundige wereld nog zo juist en doeltreffend.

Natuurlik, vooral voor het zeer jonge kind zal het van belang zijn, als het zich allerlei gewoonten eigen maakt, allerlei handelingen doet of nalaat, waarvan het het nut niet kan inzien, dus die het „op gezag” moet aannemen of doen. Een onzer kinderen trok als baby altijd pluisjes van ’r dekentje, van ’r truitje, van ’r broekje, en stak die in haar mond. Die onnodige bailast was voor haar toch al niet sterke ingewandjes niet goed, maar dat kun je een kind van een half jaar niet uitleggen. En in een dergelijk geval te zorgen voor een „pluisvrije” omgeving lijkt me niet alleen onnodig, maar ook niet wenselik. we helpen immers onze kinderen niet bij hun menswording door ze in een bacterievrije ,gevaar-vrije, zonden-vrije cel op te sluiten! Nee, ’k heb eenvoudig haar handje weggehaald, als ’t een pluisje in haar mondje wou brengen en daarbij telkens weer gezegd: nee. En al heel gauw keek ze eerst mij aan, als ze weer zo’n lekker pluisje te pakken had, en als ik dan nadrukkelik „nee” zei, ging ’t handje naar beneden: ik liet haar dus niet begaan, zoals Ethel Mannin gedaan zou hebben, ze gehoorzaamde op gezag.

Maar nu geloof ik, dat als we het eerste levensjaar zorgen voor een rustige omgeving, voor orde en regel, voor goede gewoonten, waarbij baby zeer dikwijls zal moeten gehoorzamen en handelen „op gezag”, het later heel zelden nodig zal zijn, „ons gezag te laten gelden”. Het kind is al zeer vroeg vatbaar voor rustige redenering; het begrijpt ons vaak al door de rustig overredende stem, nog voor het misschien alle woorden begrijpt, laat staan zichzelf in woorden kan uitdrukken. Toch kan het ook bij grotere kinderen wel eens voorkomen, dat opgave van redenen voor een gebod of verbod onmogelik is, of – – wat meer voorkomt dat het kind door een of andere oorzaak zich niet wil laten overreden. Dan aarzel ik niet, m’n gezag te laten gelden, en steeds bleek me dan weer, dat het verzet daardoor alleen reeds gebroken was; ’t was dikwijls, of ze er op gewacht hadden. Maar dit blijft uitzondering en de kinderen moeten dan ook uit ondervinding weten, dat we nooit willekeurig onze wil. oplegden, dat ons gezag „redelike” dingen vraagt, ook al begrijpen zij die niet, dat wij niet anders kunnen, dat het laten gelden van ons gezag in een dergelijk geval voor ons plicht is.

Het boekje van dr. Vos is ontstaan naar aanleiding van herhaald verzoek om een werkje te schrijven „over de gevaren, die de jeugd op geslachtelik gebied bedreigen”. Zoals uit de aanhalingen reeds blijkt, heeft de schrijver „z’n beschouwingen op een veel bredere basis geplaatst”. Het zwaartepunt ligt naar zijn overtuiging in de opvoeding, niet in een afschrikwekkende voorstelling van de gevolgen ener geslachtsziekte. Hij geeft dan ook geen uitvoerige beschrijvingen, behandelt wel de wijze van besmetting, de bestrijding van de gevolgen en ziet ter voorkoming vooral heil in „het verhelderen van den geest en het stalen van den wil van het kind”. (Blz. 186.) Verder niet een geheimzinnig waas weven om de natuurlike feiten: „Vertelt geen sprookjes en verhaaltjes, hult u niet in geheimzinnige nevelen, dekt u niet met stilzwijgen onder het mom van zedelijkheidseischen, die alles aan realiteit missen. Onthult de natuur zoals zij is, eenvoudig, sober, onopgeschroefd, zonder fantasie.” (Blz. 189.)

Dat laatste is niet zo eenvoudig, een recept is niet te geven: ieder opvoeder zal

voor elk kind door zorgvolle waarneming het juiste moment en de juiste wijze moeten zoeken. Niet alleen, doordat wijzelf lang niet altijd onbevangen en eenvoudig genoeg zijn, maar ook doordat de kinderen zo heel verschillend zijn en we vaak zo moeilik begrijpen, wat er in ze omgaat, is het voor dr. Vos gemakkeliker om te zeggen: „Onthult de natuur zoals zij is”, dan voor ons opvoeders, om er naar te handelen.

Onze 15-jarige kleedt zich aan ’t strand onbevangen uit, vindt het „idioot”, dat klasgenootjes in de meisjeskleedkamer van de gymnastiekzaal zorgvuldig er voor waken, dat haar broek niet te zien komt, terwijl onze jongste, die toch „dezelfde opvoeding heeft genoten”, het reeds als kind van drie jaar „gek” vond, als haar onderkleertjes te zien kwamen, doordat haar jurkje wat kort was of een wijder halsopening had dan de onderjurk.

Nee, eenvoudig zijn deze dingen niet. Maar is wel iets in de opvoeding „eenvoudig”, in de zin van gemakkelik? Als we maar nooit bij moeilikheden als de struisvogel de kop in ’t zand steken en net doen, of er geen moeilikheden zijn, omdat we ze niet aandurven! Altijd weer moeten we in de eerste plaats onszelf onderzoeken; zijn wij zelf rustig, onbevangen, eenvoudig? En dan waag ik het met de waarheid, ik kan m’n kinders lüet met een kluitje in t riet sturen en ik hoop, dat inzicht en liefde me zullen helpen, de juiste wijze en het juiste moment te kiezen.

Nu ik toch een beetje van dr. Vos ben afgedwaald, wil ik hier voor hen, die graag iets goeds zouden willen lezen over sexuele opvoeding, de aandacht vestigen op het boek van mevr. W. J. van Leeuwen -—Vos: „Sexueele opvoeding”; uitg. Ploegsma, Zeist; niet om alles, wat daarin staat klakkeloos over te nemen, maar omdat het allerlei noodzakelik inzicht brengt vanuit een zuivere en religieuze sfeer. H. B. S.

Vereenigings iiiiiiiiiiiiiiiiiiiil

Ledenbijeenkomst Pinksteren 1934 Bentveld Als Banning Zaterdagavond opent, zijn in de nieuwe lezingzaal, „die het zoals in Barchem maakt”, minder leden en vooral minder jongeren dan het vorig jaar Pinksteren tegenwoordig. De groepen hebben echter afgevaardigden gestuurd. De leider vraagt ons gedurende de dagen, dat we bijeen zijn, hen allen, die het in binnen- of buitenland moeilik hebben, te gedenken. Banning sprak daarna in twee lezingen over de Situatie van het Religieus-Socialisme in Europa. 1. Vooraf ging een omschrijving van rel. socialisme. Het is meer dan wat er aan organisaties te zien is. Het is een gedachtestroming, waarin religie en socialisme op elkaar inwerken, elkaar kleuren en bepalen. Religie en socialisme doen in het rel. socialisme een eenheid ontstaan, die tot uiting komt in het persoonlik leven, in de theorie (bijv. in de fundering van de klassenstrijdtheorie) en in de soc. beweging. 2. Dan volgt een uitvoerig exposé over de positie van het demokraties socialisme in Europa. Dit socialisme verkeert in krisis, wat vierderlei oorzaak heeft: ekonomiese, politieke, psychologiese en geestelike (filosofiese) oorzaken. Over de eerste oorzaak, de ekon. krisis van na ’29 met als achtergrond o.a. de oorlog, het verdwijnen van de expansiemogelikheden, de nationale en imperiale afsluiting, overproduktie en als gevolgen: werkloosheid, splitsing 4e en 5e stand, wordt slechts kort gesproken. Langer staat inleider stil bij de politieke oorzaken. Er is momenteel een politieke evenwichtsverhouding. (S.D.A.P. krijgt in Nederland waarschijnlik niet meer dan 20 a 25 pCt. van de bevolking achter zich.) Wij worstelen met het probleem van het gezag. Demokratie en sterk gezag hoeven elkander niet uit te sluiten. Het revolutionair sentiment en de reformisties, konstruktieve arbeid staan niet in een goede verhouding tot elkaar. Ook zien we een verdringing van de klasseoriëntering door de nationale. De psychologiese oorzaak der krisis van het demokraties socialisme komt vooral hierin uit, dat de jonge generatie wars is van de langzame kompromispolitiek der soc. beweging, dat de oorlog de uitersten versterkt heeft en dus geen samenwerking mogelik schijnt. De geestelike oorzaken zijn