is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 36, 09-06-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gandhi over het gebed

Tegen eenige vrienden, die aan zijn morgengebed in de laatste dagen voor zijn gevangenneming deelnamen, sprak Gandhi als volgt:

~Nu vlamt de strijd opnieuw op. leder oogenblik kan ik weggehaald worden. Ik hoop, dat ge de gewoonte van de morgen- en avond-wijdingsstonde zult behouden. Gebeden zijn van essentiëele beteekenis voor een offergang van innerlijke loutering, zij geven kracht en verhelderen den weg. Door hen groeit de onbevreesdheid en draagt zij alle gebeurtenissen des levens. Immers onbevreesdheid is het gevolg van innerlijke zuivering. Ik ken geen man en geen wouw, die dit pad hebben betreden en toch nog vrees koesterden.

Er zijn twee soorten vrees, die in het algemeen de menschenzielen omspannen: vrees voor den dood en voor het verlies van stoffelijk bezit. Hij die bidt en innerlijke klaarte verwerft, zal de dood als de trouwe makker des levens verwelkomen, ook zal hij alle aardsche goed beschouwen als tijdelijk en onwezenlijk; hij zal erkennen, dat hij geen recht heeft op bezit en rijkdom, zoolang ellende en bittere nood in het land zijn, en millioenen niets te eten hebben. Geen macht ter aarde zal ooit een mensch kunnen overwinnen, die zich van vrees heeft bevrijd. Dit doel kan enkel bereikt worden, wanneer het gebed uit het diepste hart opstijgt. Hij die waarlijk bidt, komt God eiken dag nader en hij is zeker, dat zijn wenschen vervuld worden, om de eenvoudige reden, dat hij nooit iets onwaardigs verlangt.

(Overgenomen uit het Orgaan van de Vrienden van India.)

Kritiese Kroniek m

C. S. Adama van Scheltema, Verzamelde Gedichten, Brusse Rotterdam 1934.

Het is een discutabele zaak, of een kunstenaar door de uitgave van zijn verzamelde werken herleeft, dan wel ten tweden male en nu voorgoed dood gaat, om gemummificeerd bijgezet te worden in de een of andere vitrine van het museum onzer schone letteren. Grote kunstenaars hebben het eeuwige leven, zegt men. Maar betekent deze late vergoeding voor het feit, dat de meesten hunner dan ook géén leven hebben gehad vóór zij de eeuwigheid ingingen, wel waarlik méér, dan dat hun werk gelezen en geliefd wordt door een uiterst klein publiek, en dat hun naam in een iets groter kring aanleiding vormt tot een volstrekt ongebaseerde, napratende verering? Dat het nederlandse volk, ondanks de prijzenswaardige ijver van de Wereldbibliotheek, Vondel niet leest, dat het Hooft, Bredero en Gezelle vergeet en blijft vergeten, is in dezelfde mate jammer als onvermijdelijk. Omdat het jammer is, zullen wij steeds weer ons best doen die

toestand te wijzigen; omdat het onvermijdelik is, zullen wij steeds weer berusting moeten ieren, als wij zien hoe al onze moeite slechts een gering resultaat heeft voortgebracht.

Met dat eeuwige leven der grote kunstenaars is het trouwens nog in een ander opzicht wonderlik gesteld. Want al is de oorzaak van hun langdurige bekendheid ook gelegen in de wezenlike waarde van hun poëzie, toch vormt het feit van deze langdurige bekendheid zelf pas het waarmerk op ons oordeel over hun grootheid. De tijdgenoot heeft in bijna elke periode kunstenaars genegeerd, die later een aureool van begenadigd dichterschap bleken te dragen; en talloze malen heeft men de lauwerkrans der onsterfelikheid gehangen om hoofden, die voor het nageslacht veel weg hebben van bête-burgerlike praatvaars of met hun eigen inmaakkruiden gekroonde drogisten. Wie de meningen weet over Jan Vos, over een hele reeks 18e-eeuwers, over Tollens, Ten Kate, Beets en anderen door hun liefhebbende bewonderaars luidruchtig geprezen, maar door de lateren meedogenloos doodgelachen die kan niet met rustige zekerheid meer geloven, dat de genegenheid van de tijdgenoot voldoende waarborg biedt voor de waardering van de nazaat. En wel

héél hachelik wordt de kans, wanneer we kunnen vaststellen, dat deze genegenheid veroorzaakt werd door een geiijkgestemdheid betreffende zeer tijdelike zaken, zodat reeds in een onmiddeilik volgende periode een deel der vormen waarin het tot stand kwam, als verouderd aandoen.

De poëzie van Adama van Scheltema is onmiskenbaar vol van zulke tijdelike elementen. Geen ander dichter heeft de lotgevallen, de op- en neergangen van de nederlandse sociaal-democratie zo zeer als eigen leven ervaren, als hij. Het romantiese optimisme, de enigszins geforceerde propagandistiese blijmoedigheid uit het begin van deze eeuw, de wel diep bedroefde maar nooit tragies ontstelde ervaring van de wereldoorlog daarna, en tenslotte het al te gemakkelik vergeten in een korte roes van nieuwe overmoed al deze massa-gevoelens vindt men als persoonlike en dichterlike sentimenten weerspiegeld in zijn werk, zij het in zijn laatste poëzie met een sterker individuëie nuance. Scheltema’s populariteit berust op deze, bewust gewilde, gelijkheid van eigen voelen en massa-voelen; hij was, ook in de toon van zijn natuurlyriek, de poëtiese stem van de sociaaldemocratie in het tijdvak 1900—1924; dat is misschien zijn kracht, maar zeker zijn beperktheid. Wie niet uit eigen herinnering of uit een diepgaande studie de sfeer van die periode kent, zal vreemd blijven staan tegenover het wezen van dit werk. Het geslacht, dat nu te midden van crisis en kultuurpessimisme opgroeit, kan niet meer, en mag ook niet meer in volledige overgave luisteren naar wat deze stem te zeggen heeft. Eerst in een kalmer maatschappij, met minder gevaren en bedreigingen, krijgt deze poëzie misschien opnieuw de sfeer, die ze nodig heeft om aanvaard te worden. Het is de vraag of die maatschappij spoedig indien ooit zal komen. Doch zelfs in het gunstigste geval, als alle uiterlike factoren meewerken, zal deze poëzie aan betekenis inboeten door een innerlik tekort: reeds nu blijkt bij een critiese lezing, dat er toch wel erg veel middelmatigs tussen is en slechts weinig onweerstaanbaar groots. Adama van Scheltema bezit al de gebreken van zijn kwaliteiten: het ontzaglike feit, dat zijn werk een stuk schoonheid heeft gebracht aan tienduizenden, die door geen andere kunst gegrepen zouden zijn, hangt onmiddellik samen met het volkomen gemis van die opperste poëtiese geladenheid, die van ziel tot ziel verblindend overflitst, duizelingwekkend en schel.

De onlangs gemaakte vergelijking van Adama van Scheltema met Tollens lijkt mij niet juist, maar die met De Genestet dringt zich steeds weer aan mij op. Een gemakkelikheid van rijm en maat, een gemoedelikheid van zachte romantiese humor, een gematigd moralisérende trek, westers-humanisties van strekking, maar typies hollands van toon, een merkbare zelfverzekerdheid en tevredenheid, ondanks de critiese of zelfs opstandige bedoeling ze zijn aan beide dichters eigen. Alleen Is er bij Adama van Scheltema in enkele verzen, een dozijn misschien, iets van edeler orde en weidser allure, niettemin zwak naast de poëzie van enkelen zijner tijdgenoten of onmiddeilike voorgangers. Hem te verklaren tot onze grootste socialistiese dichter, is een dubbele vergissing: zowel in socialisties als in dichterlik opzicht blijft hij onmiskenbaar de mindere van Herman Gorter en van Henriëtte Roland Holst. Dit oordeel, dat op grond van zijn aparte bundeltjes gevormd kon worden, staat door de uitgave van zijn Verzamelde Gedichten m.i. voorgoed vast.

G. STUIVELING.