is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 39, 30-06-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De cultureele functie van het grondbezit

G rond is voorwerp van particuliere eigendom. Dat is niet altijd zoo geweest. Een vroegere maatschappij vorm kende de grond als gemeenschappelijk eigendom van de stam. Daar zijn nog wel enkele overblijfselen van, maar deze zijn in ons land zoo goed als verdwenen.

Een stuk grond heeft waarde: ik kan er mijn voedsel op verbouwen. Bovendien kan ik, van wat ik verbouw, ook nog verkoopen. De grond brengt mij geld op. Als ik die grond zelf niet bewerk, wil een ander dat wel doen en mij bovendien nog geld geven, omdat hij mijn grond mag bebouwen. Dat is de pacht.

Grondbezit kan dus beteekenen: geld ontvangen, elk jaar opnieuw, voor grond, die men zelf niet bewerkt. Natuurlijk kan men de grond zelf ook in exploitatie nemen, en daar zijn tienduizenden zulke eigenaars, die hun land zelf bewerken.

Dit laatste lijkt een gelukkige combinatie: de eigen grond zelf bewerken. Het is het ideaal, waarmee de nationaalsocialisten in Duitschland de verarmde boeren en de iandarbeiders gepaaid hebben. Van dat ideaal is in de praktijk niets terecht gekomen. Het was slechts lokkebrood van een romantisch-naieve politiek, die nimmer vervuld kan worden.

Wij zuiien ons bepaien bij de heerschende toestand in ons land, waar grondbezit een bron van arbeidsloos inkomen is. De beteekenis van dit grondbezit zuilen we in een voorbeeld aantoonen.

Stel, dat iemand 100 H.A. land bezit. Als hij die grond zelf bebouwt, en niet al te hooge eischen stelt aan het leven, kan hij daar in normale omstandigheden rustig en ruim van bestaan. Komt bij een toenemende bevolking behoefte aan bestaansmiddelen, dan kan hij zijn land verpachten b.v. in vier boerderijen van eik 25 H.A. Laten we de pachtprijs stellen op ƒ 10.000 samen. Om dit op te brengen, moeten vier boerengezinnen hard werken, en uit de grond halen wat er in zit. De productie wordt opgevoerd. De pacht maakt mogelijk, dat de eigenaar, zonder iets anders te doen dan wat administratie, een ruim inkomen heeft. Het economische gevolg van het pachtstelsel is, dat de grond veel intensiever bebouwd wordt, dan in de regel bij grootgrondbezit het gevai is en dat veel meer menschen werk krijgen. De cultureele functie van deze vorm van grondbezit is echter, dat de eigenaar de beschikking krijgt over ƒ 10.000 inkomen. Voor dit geld bewoont hij een mooi huis; hij houdt dienstpersoneel en allicht besteedt hij een deel van zijn inkomen aan kunst of aan wetenschap. De één koopt boeken, de ander schilderijen, een derde gaat op reis, een vierde gebruikt dit arbeidsloos inkomen voor eigen cuitureele schepping, een vijfde, van minder allooi, brengt zijn geld door in verkwisting toch weer anderen werk gevend.

Als die ƒ 10.000 in handen van de grondbezitter is, is de functie van dat geld niet uitgespeeid; het zelfwaardeeringsinstinct van de grondbezitter iaat niet toe, dat hij zijn geld oppot, maar hij wil zich door zijn geld als persoon laten gelden. Dit „laten gelden” kan op verschillende terreinen plaats vinden: aesthetische, ethische, religieuze, sportieve, of ook: on-ethische.

De bloei van de burgeriijke cultuur berust voor een groot deel op inkomen uit bezit. Het sterkst kwam dit uit in de cultureele functie van de landadel in het voor-kapitalistische tijdvak.

Inkomen uit grondbezit speelt ook een

groote rol in het stichtingswezen: kerken, diaconieën, weeshuizen en andere instellingen krijgen hun inkomen uit grondbezit: ook een cultureele functie van dat bezit.

Ten slotte is grondbezit voor kleine eigenaars vaak een vorm van ouderdomsverzorging; zelf niet meer tot arbeid in staat, leven ze van het inkomen uit hun grondbezit. Het is deze groep die in deze tijd van pachtdaling vaak tot uiterste soberheid gedwongen is.

Juist omdat het inkomen uit grondbezit zoo’n belangrijke cuitureele functie heeft, is het duidelijk, dat de gemeenschap er niet mee geholpen is dit inkomen uit te schakelen om daarmee de landbouw te saneeren. Als het inkomen uit grondbezit af gesneden wordt, dan zijn tal van kleine eigenaars, die uit dat inkomen moeten leven, gedupeerd; dan zijn veie instelingen onmogelijk geworden en dan vermeerdert de werkioosheid daar, waar ’t inkomen-uitbezit ook weer werk verschafte.

Ik erken volkomen:

le. dat de kapitaalslast op de landbouw veel te zwaar drukt;

2e. dat het inkomen uit grondbezit zedelijk moeiiijk te is, en slechts economisch-nuttig (of daardoor ook zedelijk gerechtvaardigd?).

Maar ik zie ook heel goed in, dat het voor de gemeenschap een verlies is, als dit inkomen uit grondbezit verloren gaat. Ik erken volkomen, dat de bewerkers van de grond bij een maatschappelijk failliet preferente rechten hebben; ik erken volkomen, dat de verdeeling van het landbouwinkomen in normale tijden zeer onbillijk was, maar als dat bezitsinkomen uitgeschakeld wordt, zonder dat het ergens anders terecht komt, dan is dit een economische en cuitureele achteruitgang voor heel de gemeenschap.

Daarom is het landbouwvraagstuk ook nimmer opgeiost met een pachtwet alléén, die zich bezig houdt met de verdeeling van de opbrengst. Voor de bloei van de gemeenschap in zijn geheei blijft de totaalopbrengst van de landbouw primair. Dit moet van socialistische zijde eens heel duidelijk gezegd worden.

Een andere vraag is, of dit arbeidslooze inkomen uit grondbezit, dat cultuurbioei brengt in de „bovenbouw”, zedelijk gerechtvaardigd is. De Grieksche beschaving berustte op de economische onderhouw van slavenarbeid. De Middeleeuwsche, voorburgerlijke beschaving was in wezen niet veel anders. Onze burgerlijke cuituurbloei berust op de onderiaag van een proletariaat, vele pachtboeren incluis, staan buiten de geestescultuur in haar bloei.

Het is een kwestie van levensbeschouwing of men deze toestand gerechtvaardigd, menschelijk of noodzakelijk vindt. Laat ik dit zeggen, dat een zeer breede groep, die zichzelve de dragers van de burgerlijke cultuur noemt, er vrede bij heeft.

Het socialisme is echter verzet tegen een cultuur, die siechts het bezit van enkeien is, en waarin cultuurmogelijkheid enkei afhangt van maatschappelijke positie. Het socialisme is in dezen zuiver democratisch. Het weet heel goed, dat niet alle individuen dezelfde cultureele mogelijkheid hebben, maar het wenscht het criterium niet te zien in maatschappelijke positie. Daarom kan het een historische cultuur, opgebloeid in bevoorrechten, uit de onderlaag van een arbeidersklasse, in zijn beste voortbrengselen wel waardeeren, maar

nimmer kan het tevreden zijn met deze vorm van cultuurschepping.

Om nogmaals tot ons voorbeeld terug te keeren: als de grondbezitter zijn ƒ 10.000 niet meer krijgt, omdat ze er eenvoudigweg niet meer zijn, dan is dit zeker een verlies, ook cultureel, voor heel de volksgemeenschap. Indien ze ér wel zijn, doch ze komen aan de bewerkers van de grond, dan worden daar cultureele mogelijkheden geschapen, die wij hooger schatten, dan de cultuur van den enkeling, ook al is deze laatste verfijnder. En indien de grond door zijn bewerking zijn rijkdom overvloedig geeft en daardoor cuituurbloei mogelijk maakt, dan heeft in de allereerste plaats heel de gemeenschap recht op die overvloed. Want voor ons is de boekenschat van een grondbezitter, gekocht van zijn arbeidsloos inkomen, van heel wat minder cultureele beteekenis dan een openbare bibliotheek voor heel het volk. En wij stellen een volkspark hooger dan enkele tientallen afgerasterde villatuinen.

Concludeerende mogen we zeggen:

le. grondbezit heeft door arbeidsloosinkomen verfijnde cuituurbloei in de bovenlaag mogelijk gemaakt;

2e. indien na een redelijk loon voor de bewerkers nog een overschot overblijft door de rijk-gevende bodem, dan heeft heel de gemeenschap daar zedelijk recht op, en kan dit overschot dienen tot cultuurbloei der gemeenschap.

3e. een achteruitgang van de landbouw, waarbij zoo’n overschot onmogeiijk zou worden, beteekent in elk geval cultureele achteruitgang voor heel de gemeenschap.

K. TERPSTRA.

Persvrijheid

Op zich zelf is het natuurlik volkomen begrijpeiik, dat in onrustige tijden, ais alies tegen elkaar botst en in het ieven van groepen, klassen, staten en van de mensheid geen vaste iijn, geen doelbewust streven is te bespeuren, regeringen naar dwangmiddelen grijpen om desnoods tegen de wii van een meerderheid, die in haar ogen niet weet, wat zij wii, haar wil door te zetten, haar doel te verwerkeliken. Uniformverboden, het opheffen van de aloude rechten van een vrije pers, vrije vergaderingen enz., dat alles is uit de tijd wel te verklaren en wordt dan ook zowel door diktatoriale als door burgerlike regeringen toegepast. Het is echter goed zich de betekenis van dergelijke middelen bewust te maken, alvorens een schijnbare natuurnoodwendigheid tot wet voor het sociale leven te verklaren.

De redakteur van „Schonere Zukunft” (Mooiere toekomst), een konservatief, duits-katholiek, weens tijdschrift, dat veei buiten Oostenrijk geiezen wordt, schreef in het nummer van 27 Mei j.l. over deze dingen en het is goed zijn gedachten met de hedendaagse praktijk en haar gevolgen te vergelijken. Hij zegt dan, dat het opheffen van de persvrijheid rechtvaardig is wat betreft de anarchistiese, liberale, individualistiese, marxistiese publikaties, te betreuren echter waar ook „eenvoudige vertolking van natuurrecht en christendom en toepassing van haar principes op het private en openbare leven” getroffen kan worden. Toch is alies begrijpeiik en moet het aanvaard worden om tot helderheid, tot een scheiding van zwart en wit te komen. Men moet op zijn post blijven. „Het Christendom eist volharding op de door God aangewezen post”. En „het lijden en zwijgen moet reeds daarom steeds weer