is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 40, 07-07-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wijding van het hout

N adat de kleine dakspar als eerste stuk hout voor de bouw van een Karo-Batakhuis in processie naar het dorp is gedragen, gaan de timmerlieden zonder de leden der bouwvereeniging naar het bosch, om hout voor de zware stijlen te kappen, dan voor de verbindingsbalkjes dezer stijlen en daarna het andere houtwerk zonder voorgeschreven volgorde.

Als voldoende hout ruw bekapt in het bosch gereed ligt, wordt hulp aan alle dorpsgenooten gevraagd, om het aan een rotan- of bamboetouw naar het dorp te trekken. Tientallen vrouwen en mannen sleepen dan de zware balken, soms op wieltjes of op ronde onderliggers, dikwijls dwars door diepe ravijnen, voort. Ook hierbij wordt het in een vorig artikel beschreven godsdienstige „juichen met groot gejuich” aangeheven. Als andere geluidtoover, en niet speciaal om de maat van het trekken aan te geven, wordt bij dit houtsleepen op een klein bekken geslagen. Dikwijls dienen die zware balken vele kilometers ver gesleept te worden in heuvel- of bergachtig terrein, waarin men moeilijk vooruit komt. Onderwijl vereischen de velden ploeg-, wied- of oogstarbeid. Wekenlang liggen de balken dan waar de trekkers zijn blijven steken.

De helpers en helpsters presteeren onderling hulpbetoon en krijgen dus geen geldloon, ook geen productenloon of voedsel. Wel valt er van een godsdienstig loon te spreken. De leden der helpende vakvereeniging (die echter tevens dansclub zijn kan) krijgen n.l. ieder een sirih-blaadje, dat te beschouwen is als tegentoover bij het magisch belangrijk werk, dat zij verrichten. Sirih is wonderlijk prikkelend verfrisschend in de mond, dus is het wonderkrachtig in de primitieve gedachtengang.

Het bekende onderlinge hulpbetoon werd kosteloos gepresteerd, omdat ieder in deze maatschappij bij eigen nieuwbouw van dezelfde hulp verzekerd was. Dit is slechts mogelijk zoolang allen in gelijke omstandigheden verkeeren en in gelijksoortige huizen wonen. Maar als thans een Karo, die rijk aan economische goederen geworden is, een moderne villa, een huis of winkel voor verhuur wil gaan bouwen, kan hij daarvoor terecht geen kostelooze hulp meer krijgen. Met de productiewijze van het dieper doordringende (meer individualistische) kapitalisme veranderen dus ook tal van godsdienstige zeden en gewoonten der agrarische communistische dorpshuishouding. Het is daarom van groote waarde overblijfselen van gebruiken der oude tijden zoo zorgvuldig mogelijk vast te leggen.

Als voldoende hout in de dorpskom bijeengebracht, maar nog niet opgericht is, wordt het met bamboetouw, aan stokjes in de grond gestoken, omspannen. In die wijde kring mag dan vier dagen lang niemand binnen gaan of er iets binnen zetten. Wie de verbodsbepaling overtreedt, heeft een maat (pl.m. 2 L.) zout, of een kip als boete te betalen. De kring verkeert dus in taboe toestand (reboe zegt de karo). Deze wijding van het bouwmateriaal is weer te beschouwen als het isoleeren van het hout in een gebied waar geen storende invloeden mogen binnendringen. Dan kunnen de wonderkracht uitstralende zaken, die in het midden op een altaar worden gelegd volledig ten goede werken. Dit opgerichte altaar of offertafeltje heeft op de vier hoeken de lange waaiervormige topbladeren van de arenpalm. Op dit tafeltje plaatst de priester-toovenaar meel en andere „goden-

spijs”, ter magische versterking van het materiaal.

Dat het ompalen en omspannen van terreinen waar wonderkrachtige processen plaats grijpen niet iets speciaals van de Indonesiërs is, moge blijken uit Van Ossenbruggen „Het Primitieve Danken” blz. 80 (een verhandeling die iedere dominee grondig bestudeerd moest hebben), waar staat: „Ook komt het omspannen met een draad, behalve in het voorbeeld der Toungtha nog elders bij andere gelegenheden voor. De gerechtsplaats der oude Germanen werd n.l. met hazelroeden ompaald en met een draad omspannen”. Na die vier bovengenoemde dagen worden omrastering en wondertafeitjes verwijderd en beginnen de timmerlieden de balken verder te bekappen.

Het offertafeltje is dus eigenlijk geen tafel om te offeren, de godenspijs geen spijs voor góden en ook de boete voor hem, die inbreuk maakt op de taboetoestand, is geen boete in onzen zin, maar een godsdienstige tegentoover, die door zijn kracht het verbroken magisch evenwicht in de tooverkring weer moet herstellen. De „boete” bestaat dan ook in een kip, de magische vogel, die wonderkrachtdadig is, en het prikkelend smakend zout, dat de rijst door zijn wonderkracht smakelijk maakt en evenals specerijen ') en genotmiddelen tot de magisch sterke goederen wordt gerekend. Die kip en dat zout werden, bij een andere godsdienstige denkwereld, in een andere maatschappij, waar godsdienstige en sociale goederen een meer economische bestemming kregen, ook meer op hun geldswaarde, dan op hun geestelijke waarde geschat. Hij die dit ziet kan beter licht laten vallen op veel godsdienstige en maatschappelijke wijzigingen, die zich in de wereld voltrekken.

W. MIDDENDORP.

‘) Als in de bijbel van kruideniers gesproken wordt (1 Koningen 10 : 15, Nehemia 3 : 31, Hooglied 3:6), dan zijn dat vermoedelijk handelaars in kruiden geweest; In sommige vertalingen staat ook handelaars of specerijhandelaars. Naast deze voor winst werkende leveranciers van kruiden zullen er zeker ook geweest zijn, die de begeerde goederen kosteloos opbrachten. In ieder geval moet gerekend worden met de magische waarde dier speciale kruiden, waarvan het oorspronkelijk gebruik en de religieuse beteekenis door de volkenkunde der laatste 10 a 20 jaren in een nieuw licht is komen te staan.

Oorlog en geslachtsziekten

De hydra der reglementeering.

Dat militarisme leidt tot opheffing van alle normen, is van voldoende bekendheid. De oorlog immers kent alleen het recht van de brute kracht en heeft dus met moraal niets te maken.

Dat men echter als militair arts ook de wetenschap terzijde kan stellen en terug mag keeren op verouderde en lang door iedereen verlaten stellingen, is ons toch wel wat al te machtig.

Toch neemt H. Peeters blijkens het verslag van de vergadering der Militair Geneeskundige Vereeniging een dusdanig achterlijk standpunt in inzake de bestrijding van geslachtsziekten in oorlogstijd (Ned. Tijdschr. voor Gen. 1934 6 Jan., blz. 15), dat wij niet kunnen nalaten de aandacht van onze lezers daarvoor te vragen. Men weet dan ineens wat men van zijn collega’s in oorlogstijd te verwachten heeft.

Want Peeters geeft zichzelf en de militaire geneeskundigen, die zijn voordracht bij woonden, tamelijk wel bloot. (Er wordt althans geen discussie vermeld). De adviezen immers, zoo zegt hij, „zuilen dus ook in dit opzicht alleen beheerscht moeten

worden door het belang, dat het leger erbij heeft om deze infectieziekten tot het uiterste minimum te beperken”. En elders: „Te velde heeft alleen het legerbelang beteekenis”. Hij erkent, dat met deze uitspraak „de mogelijkheid van felle, ongerechtvaardigde (?E.E.M.) critiek gegeven is.”

Van felle, ja ja, dat is te begrijpen; maar van ongerechtvaardigde? Wanneer hij even vroeger gezegd heeft: „Het vraagstuk is des te moeilijker, omdat het geen zuiver vraagstuk van bestrijding van infectieziekten alleen is; met allerlei opvattingen van zedelijken, godsdienstigen en politieken aard moet rekening worden gehouden” en hij houdt daarmee in het geheel geen rekening, verklaart zelfs herhaaldelijk, dat het doel van den militairen hygiënist alleen de „military efficiency” is en „dat het uitgangspunt van alle maatregelen alleen mag en moet zijn het legerbelang”, dan zal wel niemand willen staande houden, dat critiek op een dergelijke methode van redeneeren „ongerechtvaardigd” is!

Na de toestanden in den Grooten Oorlog aan de hand van enkele werken te hebben beschouwd (Der Weg zurück, Handbuch der artzlichen Erfahrungen im Weltkriege. Hij had in Magnus Hirschfeld ook veel fraais kunnen vinden) bespreekt Peeters de maatregelen, die reeds in 1914 getroffen werden en „eventueel weer in aanmerking komen om getroffen te worden”. En onder deze noemt hij, horribile dictu! ook nog de oprichting van soldatenbordeelen achter het front en reglementeering van de prostitutie.

Het is fraai. Dan moet men gedurende veel decenniën de beste van de besten hebben zien worstelen, in publicaties, redevoeringen en congressen —■ dan moet men mannen en vrouwen van alle kanten hebben hooren vragen, smeeken, eischen, dat dan toch eindelijk de gruwelijke onrechtvaardigheid van de (après tout weinig of niets bereikende) reglementeering te doen ophouden, dan moet het verloop der gebeurtenissen land na land de regelmenteering zien verloochenen, —■ dan moet men ook de wetenschap de regelmenteering zien desavoueeren en dan moet men de heeren militairen vanwege de efficiency van het levende oorlogsmateriaal nog maar weer eens de lang verlaten stellingen van vóór vijftig jaar zien betrekken!

Maar, och ja, als ’t je vak is den oorlog voor te bereiden of uit te lokken, dan doe je dat; ben je militair-hygiënist, dan hou je ofschoon zeer zeker „met allerlei opvattingen van zedelijken, godsdienstigen en politieken aard moet rekening worden gehouden” toch maar liever alleen het legerbelang in het oog, omdat dit „het eenige is, dat beteekenis heeft”. En dan vaart men maar weer lustig in de trekschuit van de reglementeering.

Want in den toekomstigen oorlog zal de militaire hygiënist „misschien zijn eigen gevoelens en beginselen (!) opzij moeten zetten”.

Het verkondigen van dergelijke enormiteiten moest toch zelfs in militair-geneeskundige kringen niet worden getole- E. E. MEURSING, arts. (Uit Vredes-Pers-Bureau, 29 Juni ’34).

VALKENBURG (L) Protestantsch Pension C. VAN DER GRONDEN Houthemervillaweg A 50 – Telefoon 203 Prachtige ligging, frissche kamers, stroomend water, prima keuken, gezellig verblijf, uitstekende referenties. Volledig pension ƒ 3. en ƒ 3.50. Prospecti op aanvraag.