is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 45, 11-08-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tijd EN Taak

Aan God behoort de aarde en haar volheid. Psalm 24:1

ZATERDAG 18 AUG. 1934 – No. 45 32ste JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

RELIGIEUS-SOCiALISTISCH WEEKBLAD pNder redactie van dr w. banning ADRES DER REDACTIE: BENTVELDSWEG 5 – BENTVELD

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 32STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

ABONNEMENT BU VOORUITBETALING PER JAAR F 3.40. PER HALFJAAR F 1.75, PER KWARTAAL F 0.90 PLUS 15 CTS INCASSO – LOSSE NUMMERS 8 CTS POSTGIRO 21876 – GEMEENTE GIRO V 4500 – ADMINISTRATIE GEBOUW N.V. DE ARBEIDERSPERS, HEKELVELD 15, AMSTERDAM-CENTRUM

REALISME ZONDER MEER?

Het is bekend, dat de sociaal-demokratiese leiders in Europa verschillende, ook wel eens tegenstrijdige, houdingen hebben verdedigd met een beroep op het „Realiteitsbesef” der Partij. De Realiteit is voor elke politieke partij zo iets als de strenge Godheid was voor vroegere gelovigen; wee wie tegen haar zondigde! hij zondigde tegelijkertijd tegen de alleréérste eis van het beginsel, blijkbaar ook van het socialisties beginsel. Dat hierbij een eigenaardige moeilikheid zich voordoet, hebben realisten van allerlei soort steeds met een kenmerkende verblinding voorbij gezien; deze moeilikheid, dat het vooral gaat om de interpretatie der werkelikheid, om de kijk op de dwingende omstandigheden, een kijk die niet door de omstandigheden zelve, maar door onze gedachteninhoud wordt bepaald. Ik neem een aktueel voorbeeld: het eenheidsfront met de kommunisten, in Frankrijk tot stand gekomen, in meerdere landen aan de orde gesteld. Zonder twijfel kan men het samengaan met de kommunisten verdedigen als gezond realisme; de dreigende en reeds werkelik geworden achteruitgang van het levenspeil der arbeidersklasse, het fascisme, de gevaren van een nieuwe oorlog, het zijn alle geweldige krachten in de werkelikheid, die tot de stelling kunnen leiden: in deze ernstige omstandigheden overheerst de socialistiese eenheid de socialistiese geschillen.

Maar evenzeer kan het eenheidsfront worden afgewezen op grond van een gezond realisme: nóóit hebben wij elkaar vertrouwd, steeds elkaar feller bestreden dan de gemeenschappelike vijand; bovendien kommunisme vermoordt de demokratie; het roept steeds fascisme op; een eenheidsfront zou de sociaal-demokratie buiten de

bonafide volksgemeenschap stellen. Dus: generlei gemeenschap. Het zal duidelik zijn, dat „realisme” zonder meer nog niet zo heel veel zegt; alles hangt hier af van de kijk op de realiteit.

Nu meen ik wei te begrijpen, waarom de redaktie van „Het Volk”, in een artikel ter herdenking van het uitbreken van de wereldoorlog opnieuw met een verheerliking van „het onverbiddelik realisme” komt. Voor een deel heeft zij i\atuurlik ook wel gelijk: politiek is óók coi* !'.westie van wat mogelik is, en gegeven verhoudingen laten zich niet zomaar weg redeneren. Zij heeft ook nog wel even dieper gelijk: politiek is niet te voeren zonder kompromis en dus een zeker opportunisme al te gemakkelik door z.g. idealisten gesmaad. Wanneer dus de „Volk”-redaktie „Realisme” aanbeveelt, vallen wij haar bij tot op zekere hoogte. Maar juist daarin liggen de niet zo eenvoudige verschillen.

Eerst een opmerking die niet principieel is en toch wel belangrijk: Ik begrijp na Utrecht, dat de geesten gekneed moeten worden; ik begrijp dus ook, dat de bezwaren tegen het 20 jaar geleden ingenomen standpunt niet meer worden meegeteld. Maar moeten wij nu zonder duidelik bewijs slikken, dat de S.D.A.P. in Nederland door het stemmen voor de mobilisatie-kredieten in 1914 „een groten invloed heeft behouden op het buitenlands beleid van de toenmalige regering; een invloed, die zich meer dan eens heeft moeten doen gelden om onmiddellik oorlogsgevaar te helpen afwenden?” Van anderen aard is een tweede opmerking. Realisme in de zin van erkenning der werkelike krachten en der mogelikheden is nodig. De vraag is: of dit het ene nodige is, n.l. voor een socialist, ruimer:

voor ieder die een levensovertuiging en een ideaal belijdt. Als minister Slotemaker steunverlaging een eis van Realisme noemt, flitst toch de nijpende vraag op: maar uw Christendom? Als een sociaaldemokraties leider in 1914 zegt: de mannen aan het front zijn niet meer socialisten of niet socialisten, zij zijn soldaten dan blijft ons de vraag achtervolgen: maar ons socialisme? Kort gezegd: wij eisen een zodanige verdediging van een standpunt, dat daarin (zowel in verdediging als standpunt) de kracht van het ideaal aanwezig is en duidelik wordt. Ik wacht nog steeds op een socialistiese verdediging van de landsverdediging, op een verdediging die de socialistiese motivering doet uitkomen tegenover elke andere.

Het principiële gevaar dat er ligt in de aanbidding van het Realisme zonder meer, doet mij verzet aantekenen. In de geschiedenis zijn in naam van het Realisme vaker idealen bezoedeld en verlochend. Hèt zwakke punt van het 19e eeuwse socialisme, de diepste grond ook van de ineenstorting in Duitsland en de onmacht elders, is dat men het normatieve in het socialisme, de eeuwigheidswaarde waartegen nimmer gezondigd mag worden zonder de zaak te verraden, heeft weggewerkt in theorie en praktijk beide. Daarom ligt een regeneratie van het socialisme niet in het bukken voor de Realiteit, maar in het erkennen van de normen van de Geest.

Het was warme zomer toen de „Volk”- redaktie haar artikel schreef. En de Partij gaat haar veertig-jarige arbeid herdenken. Daarom vooral dempen wij de toon onzer kritiek vandaag. „Het Volk” zal begrijpen dat die kritiek uit niet anders dan liefde voor het isocialisme werd geschreven. W. B.