is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 45, 11-08-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Iln memoriam H. P. Berlage!

Uit de stilte, die het reeds enigen tijd verwachte doodsbericht over ons doet vallen, een stilte waarin alle klein menselike dingen wegvallen, en slechts het wezenlike bestand heeft, komt de vraag naar voren: wie was hij ons? Ons volk was hij stellig niet slechts tot grote roem noemen niet Engelse en

Amerikaanse architecten hem hun leermeester? maar ook tot sieraad in die hoge geestelike zin waarin een klein volk het zijne hijdraagt tot de kuituur der wereld: zakelik en bezield, rustig-nuchter en visionair, met een eenvoud in optreden en . omgang, die bij zielegrootheid behoort

Tot de socialistiese beweging behoorde hij krachtens zijn ganse streven om aan gemeenschapsleven, in vrijheid gegroeid en door arbeid gedragen, schone vorm te geven. Socialist was hij ook in die moderne zin, dat hij de strijd der arbeidersbeweging

voor een nieuwe ekonomiese ordening als zedelik noodzakelik aanvaardde. Maar socialisme was hem méér dan partijpolitiek, en hoewel hij óok de sociaal-demokratie beschouwde als een der zonen van het socialistiese huis, partijganger was hij niet. De latere jaren ontmoetten wij hem geregeld in de religieus-socialistiese beweging. Met haar geloofde hij, dat socialisme doorademd moet zijn door eeuwigheidsbesef, dat voor hem samenviel met een kosmies pantheïsties levensgevoel. In Barchem heeft hij daarvan meer dan eens getuigd; in onze Religieus-Socialistiese Studiën daarover gemotiveerd geschreven. Toen Bentveld kwam, leefde hij sterk mee het laatste briefje, dat ik van hem mocht ontvangen was een bijna verontschuldiging, dat een bezeerde knie hem belette vaker bij ons te zijn. Onvoorwaardelik geloofde hij, dat èn kultuurleven èn socialisme slechts vernieuwd kunnen worden door religieuze verdieping.

Wie was hij ons? Ik zwijg van zijn bouwwerk, dat ik niet vermag te overzien;') ik zwijg van zijn literair werk, dat niet zijn sterkste kant was; en zeker zwijg ik van het menselike, al te menselike, dat ook hem niet vreemd was. Maar als hij ons zeide, dat hij onvoorwaardelik religieus-socialisme noodzakelik achtte, en zich niet te groot achtte of het te druk had om een sterk en diep eeuwigheidsbesef in en met de arbeidersbeweging te versterken, dan heeft hij ons daardoor gesteund en gedragen. En als wij nu terugzien op dit rijke leven, dat zijn innerlike waarheid zo prachtig wist te handhaven en te bevestigen, dan staat de waarde daarvan voor mij in éen woord: dienen. Medemens, gemeenschap en God heeft hij willen en mogen dienen met een toewijding die stil maakt.

Dan komt mij een oud Evangelle-woord te binnen: Wèl u, goede en getrouwe dienstknecht, ga in tot de vreugde uws Heren. *) Wij brengen volgende week een artikel van architect Jans.

De houding van Kar! Barth

Ceestelik leven lIIUIIIIIIIIIIIIIIII

Karl Barth, de strijdbare theologiese hoogleraar te Bonn en centrale figuur van de invloedrijke zogenaamde „dialektiese” theologie of theologie der krisis, heeft verleden jaar een brosjure geschreven waarin zeer harde dingen stonden over het nationaal-socialisties bewind en de gedweeë duitse kerk'). Terecht is alom de moed bewonderd, waarmee deze man een eerlike overtuiging de wereld inslingerde,

Desalniettemin bleef van de inhoud van zijn boodschap veel onduidelik, zoals ook de titel van de brosjure: „Theologische Existenz heute!” (door de vertaler veiligheidshalve weergegeven met „Bezinning”), Wat betekent „theologies zijn”, „theologies bestaan heden”? Is het de houding van de theoloog of godgeleerde? Of de houding van de theologie? En als Existenz, existentie, het hele zijn omvat, is er dan te spreken over de Existenz van Ds. of Prof. X. als theoloog of alleen als mens? Nee, lezer, dit is geen denkspelletje, maar van' groot belang voor wat de schrijver te zeggen heeft.

Inmiddels is de brosjure aangegroeid tot een serie onder dezelfde titel, waarvan No. 5 onze aandacht Het omvat

') In T. en T. besproken door M. J. Lange veld (19 Augustus 1933). “) Die Kirche Jesu Christi (De kerk van J. C.) Kaiserverlag, München December 1933.

a. een inleiding, waarin Barth speciaal ook ons buitenlanders waarschip , duitse kerkstrijd toch vooral maar zuiver „kerkelik te beschouwem (Het is een strijd vóór de vrijheid van de kerk, niet een strijd tegen het nationaalsocialisme.) Verder b. een preek over Rorm 15:5—13, waarin de Jodenkwestie wordt aangeroerd en c. een brief over de yerhouding van duits en universeel Christendom in een kolonistengemeente,

Barth beweert dus, dat de kerkstrijd een strijd is tegen elke macht, die de kerk in haar taak belemmert. Die taak is verkondiging des evangelies uit een boven staaJ; en maatschappij verheven gezichtspunt, De kerk richt, dat is: stuurt èn oordeelt, het persoonlike en publieke leven, zonder van mensen of partijen, zonder zelfs va,n de staat afhankelik te zijn. De kerk is alleen aan God verantwoording schuldig. Hoe ligt dit bij Barth? Het woord van de kerk, bij monde van de predikant gesproken, heeft volgens hem uit te gaan van een bijbelgedeelte. Het moet een objektief woord zijn, geen menselike gedachten of meningen. Daarom mag het bijbelwoord ook niet gekozen worden volgens de „ingeving” of de „omstandigheden” van het Ogenblik, maar volgens de voorgeschreven „kirchenagenda”, de regel, die de duitse kerk geeft. Dit betekent dus.

dat Barth meent a. dat in beginsel de bijbel alles omvat, zodat ook alle vragen kunnen worden aangeroerd en b., dat het inzicht van de menselike prediker principieel onbetrouwbaar is, zodat een willekeurige indeling „van buiten af” de voorkeur verdient. Wij zetten hier vraagtekens. Op welke grond beweert Barth, dat de bijbel in beginsel niet alleen alle vragen, maar ook de antwoorden er op bevat? Terwijl hij toch ook de menselike faktor in de bijbel erkent! En waarom is de willekeur van de kerkelike regel beter dan die van de individuele prediker, die misschien geroepen is een bepaalde gedachte juist op een bepaald ogenblik tot de mensen te brengen?

Wij gaan echter verder. Wanneer wij theologie mogen noemen: de doordenking van geloofsinhouden, dan is elke staatsinmenging, elk ingrijpen van buiten af, die deze doordenking belet of in een bepaalde richting wil sturen, onaanvaardbaar. Het protest van de kerk (leken en predikanten) tegen staatsinmenging is dus theologies gegrondvest. De kerk heeft tot heil van het hele mensenleven vrijheid van woord nodig. Gods woord moet ongehinderd tot de mensen kunnen komen. Het is daarom ook begrijpelik, dat de prediker Barth bij de verklaring van Rom. 15 tot een scherpe veroordeling van de huidige duitse pogrom tegen de Joden komt. Ja, Gods woord moet vrij verkondigd kunnen worden. Maar als nu de leek, die Barth hoorde, na deze preek weigert aan de Jodenboycot mee te doen, is dat dan niet theologies gefundeerd, is dat dan niet „theologiese existentie heden”? Er is toch geen wezenlike scheiding tussen het woord van de prediker en de daad van de leek te maken? Door zijn daad predikt de leek toch evenzeer als .de predikant? Waarom wenst Barth zich dan buiten deze „politieke strijd” te houden?

De kerkstrijd kan op zuiver theologiese basis staan als bescherming van de onontbeerlike, door God geëiste vrije verkondiging. Maar de politieke strijd tegen een mensenschennende staatsvorm kan zo ook op zuiver theologiese basis staan als bescherming van het schepsel Gods.

Barth eist echter voor zijn strijd, de kerkstrijd, het monopolie van „theologiese fundering” op en dit mag niet. Want Ie maakt hij zo een ongeoorloofde scheiding tussen de woorden van de prediker en de daden van de leken, die een gevolg zijn van het goddelik gebod, dat tot hen kwam. En 2e. ontgeestelikt hij zodoende de zuiver politieke strijd, en dit is gevaarlik zowel voor de eigenlike politici als voor zijn kerkgangers als indirekt voor de kristelike kerk en het kristendom.

Wij menen en ziedaar ons hoofdbezwaar tegen deze pessimistiese, onwereldse stroming dat het kristendom ook de politieke strijd wil doen uitgaan van een toetsing aan geestelike motieven. Daarom menen wij ook dat Barth geen recht heeft Ragaz en de Zwitserse religieus-socialisten zijdelings te verwijten, dat zij bij voorkeur kerkelike en politieke vragen op één lijn stellen. Het is onze plicht in alle politieke aktie, hetzij van enkeling of groep te vragen naar de overtuiging, die deze draagt. Al vragen wij liever niet: is zij uit theologies leven gesproten? maar: wordt zij door godsdienstig geloof gedragen? Daarbij komen wij tot een scheiding, waarbij misschien veel kerkstrijd wordt bestreden, veel „politiek” aanvaard. Naar deze onderscheiding streeft Ragaz. Zij is moeiliker dan die tussen „kerk” en „politiek”, waarin Barth prakties blijft steken.

F. KALMA—KGOPS.