is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 32, 1934, no 48, 15-09-1934

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een merkwaardige brief

Een onzer werkloze makkers schreef mij een brief, waaruit het onderstaande een deel is. Hij had het nieuwe Bentveldprogramma ontvangen, en zich gestoten aan het ene zinnetje in de oproep: dat wij ons wel eens afvragen of Bentveld niet een soort luxe is.

Ziehier wat hij schrijft:

Het is enige maanden geleden dat de kogels rondom ons vlogen uit de karabijnen der militaire politie, bestemd voor de wanhopige opstandige werkloze arbeiders, die in hun bittere strijd meenden dat zij door bombardering met straatstenen tegen grote en kleine winkels, de tirannieke houding der Regering konden breken. Er waren die meenden het Socialisme te dienen, op die wijze uiting te geven aan hun klassestrijd. Maar in het algemeen was het een uiting en een demonstratie van de bittere ellende en de grenzenloze wanhoop welke heerste en leefde onder de arbeiders. Ze waren gegrepen door de haat tegenover diegenen welke alle menselijkheid hadden verloren. Een ogenblik werd ook ik gegrepen door dezelfde geest, vooral bij het zien van het barbaarse optreden van de militairen. Een ogenblik twijfelde ik aan de democratische weg; toen won de rede het en ik deed niet mee aan de wanhoopsuiting. Nu zag ik practisch dat geweld nooit de mens geestelijk en moreel zal verheffen; integendeel, een geest van haat en verwildering veroorzaakt, die de mens terugvoert naar zijn oerdriften.

Arbeiders met vertrokken gezichten, de hand krampachtig om een steen gekneld, bereid een medemens te doden. Militairen, karabijnen gericht op daken en vensters, bereid elk levend wezen dat zich buiten waagde of voor het raam verscheen als een dolle stier neer te schieten.

Waren dit mensen, die tegenover elkander stonden? Ik hoor nog mijn werkloze collega vertellen, hoe zij met enkele anderen, boven op een dak zaten en een halve trottoir naar beneden wierpen midden In een zijspan der motorbrlgade en een der mannen In elkander zakte. Het gezicht van den verteller straalde van vreugde en genot en velen om hem heen tekenden dezelfde trekken. Collega’s, die Ik heb leren kennen toen we nog werkten, als mensen, die voor dergelljke daden terugschrokken, thans met wellust zich hier aan overgaven. Ik voelde het: „Het zijn gevaarlijke ogenblikken voor ons geestelijk ongeschoolde arbeiders”. Eén moment flitste het door mijn brein: „Het Is je plicht -om naast je makkers te staan, zij vechten ook voor jouw belang”. Maar tegelijkertijd sprak een andere geest In mij: „dit Is niet de weg, die je als mens behoort In te slaan, hij leidt niet naar broederlijkheid, de zedelijke steunpilaar van het Democratlsch-Soclallsme”. Die geest was de kracht van Bentveld, voorheen stond Ik anders daartegenover. Toen zou Ik meegedaan hebben; thans verheugt het mij dat Ik de kracht had tegen de wanhoopsstemmlng weerstand te hebben geboden.

Ik schrijf dit, omdat dit het ogenblik was dat ik constateerde, dat Bentveld mij iets gegeven had. Een kracht, maar ook tegelijkertijd richting aan mijn levenshouding. Het is dus niet waar wat er in die regei staat tussen aanhalingstekens „toch weer in de ellende terugkeert en de wereld dezelfde blijft?” Ja, de wereld blijft hetzelfde en de ellende ook, letterlijk, maar geestelijk kom je in een nieuwe wereld. De ellende drukt minder zwaar, omdat je geen tijd hebt om alleen aan je eigen ellende te denken, er wordt zovel ellende om je heen

geleden, die schreeuwt om verlossing. Er |||| is arbeid voor je gekomen. De wereld, de maatschappij is anders voor je geworden. Voorheen zag je de maatschappij als een oord van duistere vernielende krachten die jou als nietig mens bezig waren te verpletteren. Thans zie je jezelf als een knecht van den Groten Bouwmeester, dien je helpen mag stenen aan te dragen voor de opbouw van de nieuwe Maatschappij. Je bent een arbeider aan de nieuwe staat, maar ook aan een nieuw leven. De duistere machten welke heten Fascisme, Kapitalisme en bekrompen Communisme, je werpt je met vreugde in de strijd tegen die machten en strijdende weet je, dat de overwinning ons behoort. Dat is wat Bentveld mij gebracht heeft, een andere kijk op het leven, een andere kijk op de maatschappij. Natuurlijk, wij arbeiders voelen de dingen met ons eigen hart en me tonze eigen ogen zie we ze. Wetenschappelijk zijn we niet in staat de betekenis van elk woord of begrip „uit te pluizen”, zooals Pluizer in de Kleine Johannes; alleen wij voelen wat Johannes voelde bij het sterfbed van zijn vader: „Het leven eist iets van ons, de mensheid roept om ons, wij hebben een plicht te vervullen. Daarom wilde ik U dit schrijven omdat ik er behoefte aan had, om uit te roepen: „Bentveld heeft voor ons arbeiders een grote betekenis en zonder Bentveld zou voor menigen arbeider het leven er anders uitzien”. Daarom klopte mijn hart sneller, toen ik het nieuwe programma vond.

Boekbespreking IIIIIIIIIIIIIIIIUIII

Het gevaar uit de lucht, door A. A. J. J. Thomson, Ie luit. der infanterie en dr. H. Peeters, res. dir. off. V. gez. 3e klasse. D. B. Oenten’s U.M. 59 Blz., prijs ƒ1.35.

Doel van dit boekje is te suggereren, dat bescherming tegen luchtbombardementen en giftige gassen mogelijk is. Daartoe wordt er dan allereerst op gewezen hoe het aantal sterfgevallen ten gevolge van gifgas, dat bij het eerste gebruik in de wereldoorlog zoo ontstellend groot was, naderhand sterk gedaald zou zijn, dank zij de gasbescherming en de ervaring der soldaten. De schrijvers baseeren deze uitspraak op de z.g. verlies-statistieken uit de wereldoorlog, maar zij vergeten er bij te vermelden, dat die statistieken alleen betrekking hebben op de verpleegde gaszieken. In die cijfers zijn n.l. niet opgenomen, zij die direct door gas op het gevechtsveld stierven.

„De mogelijkheid dat steden en dorpen zullen worden blootgesteld aan een bombardement uit de lucht, kan niet worden ontkend” (blz. 4) dus luchtaanvallen op de burgerbevolking. Hoe deze millioenen, die in oorlogstijd vooral uit vrouwen en kinderen zullen bestaan, even gemakkelijk in het gebruik van gasmaskers geoefend en gedrild zouden kunnen worden als het veel kleiner aantal gedisciplineerde frontsoldaten in de wereldoorlog, is ons niet duidelijk. Dat kinderen en grijsaards door gasmaskers geen adem kunnen halen wordt niet vermeld. „Het mosterdgasprobleem was aan het einde van de wereldoorlog en is ook thans nog niet opgelost”, zeggen de schrijvers op blz. 21 en zij negéren verder dit belangrijkste oorlogsgif. Of de vijand het daarom niet zal gebruiken? Op blz. 9 lezen we: „De grootste ontwikkeling (der vliegtuigen, A. V.) heeft echter plaats gevonden na 1918”, desalniettemin nemen de schrijvers de stellingoorlog van 1914—’IB (die zij uit de literatuur kennen) als grondslag voor hun raadgevingen. Volgens deze heeren moet men zich niet afvragen of bescherming mogelijk is, of het kan; neen; „het moet” (blz. 21). En dan volgen de beschermingsmaatregelen. Een nuchter lezer zal zich bij de opsomming van al die maatregelen af vragen; hoe komen we aan die millioenen goede gasmaskers; hoe leert men de —‘ Hollandse burgerbevolking king de nodige discipline, zo dat zij haar kalmte bewaart en de maximum draagtijd van het gasmasker, die bij ongeschoolden 10 minuten bedraagt, op kan voeren tot de noodzakelijke tijd van enige uren; hoe komen we aan die honderdduizenden gasdichte kelders met gereedschappen; wie zal dat betalen! Al deze vragen worden door de schrijvers niet gesteld, laat staan beantwoord. A. V.

Propaganda-maand

Op de Kernbijeenkomst van rel. soc. werkers hebben wij elkaar beloofd:

le. in één week uit elke belangrijke stad een 100 of meer adressen voor proefnummers aan de administratie (van mensen uit het kader der soc. beweging, van godsdienstige arbeiders, van onderwijzers, leraren, dokters, advocaten, predikanten) ;

2e. direct huisbezoekkommissies uit onze afdelingen en groepen, die reeds de volgende week aan het werk kunnen;

3e. elk afdelings- of groepsbestuur wijst één man of vrouw aan, die geregeld voor ons blad blijft werken;

4e. stelselmatige kolportage op vergaderingen ;

se. stelselmatige straat- en buurt-kolportage (zie de aktiviteit van het Leger des Heils hebben wij soms géén heilsboodschap te brengen?) Alle man en vrouw fors, één maand lang, voor ons blad op stap!

Verenigingsiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii Ipvpn iiiiiiiiiiiiiiiiiiiil leven

Leergang, Religieuze Opbouw op Heidehof te Barchem van 20-28 Augustus

Om 8 uur ’s avonds, als allen aanwezig zijn, opent de leider dr. De Vos van Sneek. Hij heet allen welkom. Voor de nieuwelingen zet hij in ’t kort de betekenis van de „Woodbrokers” en van de „A.G.” in ’t bizonder, uiteen. Hij spreekt de wens uit, dat we na afloop van deze studieweek naar huis gaan met het gevoel, dat we door hetgeen we geleerd hebben en ook door het onderling samenzijn innerlijk rijker zijn geworden en onze plaats in de arbeidersbeweging beter zullen kunnen vervullen. Want dat is het eigenlijke doel van deze studieweek: Beter te kunnen dienen.

Wanneer wij op deze week terugzien, kunnen wij niet anders zeggen: Wij hebben het doel misschien niet helemaal bereikt, toch in ieder geval dicht benaderd.

Onze eerste gang was ’s morgens naar het lezingzaaltje op de berg, waar we onze wijdingssamenkomst hielden en waar we temidden van de vrede en de schoonheid van de natuur zulke plechtige ogenblikken hadden.

Vooral de bijeenkomst op Zondagmorgen, die was uitgebreid tot een korte kerkdienst en waar onze leider zulke ernstige woorden tot ons sprak en ons cpriep tot trouw aan onze taak, zal door geen van ons ooit vergeten worden. „Het komt op geen verbruikte harten aan”.

Onze avondwandelingen in de maanoverschenen toverwereld, vooral die waarop mevrouw Walhout voor ons zong en waar haar stem zo zuiver en klaar, zo vol eenvoud en overgave tot ons kwam, waren van een ontroerende schoonheid.

De morgen was van 10—12 gewijd aan de bestudering van enkele hoofdstukken van Banning’s boek. Voor elk hoofdstuk werd iemand aangewezen, die er ’s middags in ’t kort de inhoud van moest weergeven. Tevens kon ieder dan vragen stellen. Gemakkelijk was de stof voor de meesten onzer niet. De lezingen, die ’s avonds gehouden werden, hielpen ons gelukkig bij het bestuderen. De eerste avond hield Banning een lezing voor ons over de Griekse tragedie „Prometheus”.

Prometheus, die de mensen zo lief heeft, dat hij voor hen het vuur uit de hemel steelt en zich daardoor de toorn der Goden op de hals haalt.

Na deze lezing konden wij het 4e en 5e hoofdstuk uit het boek over zedelijk idealisme en het religieuze standpunt beter begrijpen. Woensdagavond sprak ds. Ruitenberg over de profeet Amos.

Amos, een rustig eenvoudig landbouwer, die door God geroepen wordt, om Israëls volk te waarschu-