is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1938, no 2, 08-10-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mt. 3 : I—6. In die dagen trad Johannes de Doper in de woestijn van Judea op met de prediking: Bekeert u; want het koninkrijk der hemelen is nabij. Want dit is hij, dien de profeet Jezaja bedoelde toen hij sprak: Bereidt den weg voor den Heer, effent zijne paden! Deze Johannes nu droeg een kleed van kemelshaar en een lederen gordel om de lenden; zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilden honig. Toen gingen tot hem Jeruzalem, geheel Judea en de Jordaanstreek en lieten zich door hem in de rivier den Jordaan dopen onder belijdenis van hun zonden.

~Wie zijt gij?” wordt er in het vierde evangelie aan Johannes gevraagd. „Ik ben de stem eens roependen in de woestijn”. Onze plaat zegt hetzelfde. Deze man schijnt geheel stem te zijn. Hij roept, hij spreekt. En als Mattheus zegt dat „heel Judea” naar hem luisterde, dan Is dit stellig vrome overdrijving. Deze ogen spreken niet van succes, zijn boodschap was ook niet van de soort die succes pleegt te hebben. Johannes woonde niet slechts in de woestijn, maar zijn woord is ook verklonken in de woestenij van deze wereld.

Zo staat hij in de lijn der oud-testamentische profeten. „Wien zal ik zenden?” spreekt de Heer, en Jezaja gaat: „Zend mij”. Allen gaan ze zo met hun boodschap, hun Godswoord, de wereld in, tot hun volk. En al hun daden, hun gehele leven, wil slechts de illustratie zijn van dat woord. Ook Johannes’ leefwijze, het schamele profetenkleed, het armelijke voedsel, bekrachtigt zijn spreken:

Zie, dit leven is niet belangrijk meer; het komt nu op andere dingen aan.

„Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij”. En het is niet een zoete zaligheid, waarop men zich rustig verheugen kan. Het is de vuurdoop, het oordeel. „Ik doop u met water”, zegt Johannes, „tot bekering” opdat het leven mèt het lichaam gereinigd zij. „Maar die na mij komt is machtiger dan ik, hij zal u dopen met den Heiligen Geest en met vuur”. Zo spreekt hij van den nieuwen Koning, den gezalfde, dien het Joodse volk als een verlosser verwacht. Maar de bevrijder is hier de ontzaglijke, bij wiens komst het onheilige verteerd wordt: „De wan is in zijn hand; hij zal zijn dorsvloer zuiveren, zijn graan in de schuur verzamelen, het kaf met onuitblusbaar vuur verbranden”.

Menen we soms, dat wij voor het heilige bestaan kunnen, dat Jezaja’s klacht over ~mensen met onreine lippen, die wonen temidden van een voik dat onrein van lippen is” in oude tijden thuis hoort? Zo dachten de vrome Farizeën en Sadduceën. Waren de nazaten van Abraham niet voor eeuwig geborgen in Gods verbond? En zijn wij niet vrijgepleit doordat aanleg en geschiedenis ons nu eenmaal ongevraagd gegeven zijn?

Maar de Doper weet beter: „Adderengebroed! Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij aan het aanstaand gericht zoudt ontkomen? Draagt dan vruchten die bij bekering passen en beeldt u niet in te mogen zeggen: Wij hebben Abraham tot vader!” In Johannes herleeft het oude verwijt tot alle vroomheid: „Ik haat, ik versmaad uw feesten, ik schep

geen behagen in uw hoogtijden. Want al brengt gij mij brandoffers, ik heb geen welgevallen aan uw gaven. Laat veeleer het recht golven als water, de gerechtigheid als een vlietende beek”. (Amos 5 : 22 v.)

Juist wie zich vroom en braaf acht, loopt in zijn eigenwaan het grootste gevaar. Ook Johannes ziet in zijn ontzetting over deze wereld de dag des Heren ~als duisternis en niet ais licht”. (Am. 5).

Hoe bekend is ons deze zonderling uit de woestijn! Waar wij, die zo juist September 1938 achter de rug hebben. lets vermoeden van het Rijk, dat altijd nabij is, van het andere, betere, daar openbaart zich dat ook aan ons allereerst als een oordeel. De wereld is zo, dat het moeilijk te dragen valt. Daarom letten wij er liefst niet te veel op. Maar Johannes blijft roepen, deze enige kreet tot redding; Bekeert u. Als men spreekt van vrede en ondertussen onrecht doet, als men spreekt van recht en ervoor zou moeten moorden; als alle goede en schone woorden naar het oude sprookje op onze onreine lippen in adders en padden veranderen, dan wordt het oordeel tot het enige heil, en het heil stellig tot een oordeel.

Is dan bekering, ommekeer nog mogelijk? „En de scharen vroegen; Wat moeten wij dan doen?” (Luk 3 ; 10). Het schijnt zo eenvoudig; Wie twee stuks onderkleren heeft, dele er van mede aan hem, die er geen heeft, en wie spijs heeft doe dergelijks. En de tollenaren mogen niet meer nemen, dan hun gelast is; de soldaten mogen niemand overlast aandoen.

Maar die eerste simpele eis betekent al een revolutie en het kiinkt niet vreemd wanneer Josephus (een geschiedschrijver uit die tijd) meedeelt, dat Johannes om politieke redenen ter dood is gebracht.

Tot den boetprediker Johannes komt Jezus en laat zich dopen. De evangelisten trachten nu het verbond zó te leggen, dat Johannes Jezus’ werk voorzien en begrepen zou hebben, en hem den Messias achtte. Maar de Johannesfiguur rechtvaardigt dit niet. Johannes weet dit ene; Wij mensen zijn God een gruwel. Als zijn heiligheid doorbreekt in deze wereid, vergaan wij. Eén ding is nodig; bekering. Er is nog tijd, maar de bijl ligt aan de wortel der bomen. Wij moeten onmiddellijk samen anders en opnieuw beginnen.

Ook ons is de blik op het heil vaak versperd door de verschrikkingen waarin wij leven. Als eerste noodzaak èn als een bedreiging voelen wij het uitbranden van leugen en zelfzucht. Kunnen wij achter het oordeel het Koninkrijk der hemelen zien?

Johannes wist er van. Want alleen de zekerheid van de nabije waarheid kon hem zo hardnekkig de leugen doen verfoeien. Ons misnoegen daarover is zo vaak minder diep, een zeker aesthetisch onbehagen, dat wij, wanneer de practische voordelen groot blijken, wel van ons af kunnen zetten. Maar Johannes had al zijn zekerheid nodig om stand te houden. Er taieef niets over voor de vreugde om het grote, dat toch nabij was. En leeft iets dergelijks niet in de besten van onze tijd, die weten van de vrede, en uit die overtuiging werken, maar die even stellig weten; Wij zullen u niet zien, lichtende vrede. Het vierde evangelie stelt, met een waarheid die meer is dan historische juistheid, de sombere oordeelsprofetie van Johannes naast Jezus’ blijde boodschap. Hij laat Johannes van Jezus zeggen; Hij moet wassen, ik minder worden.

AUGUSTE RODIN

JOHANNES DE DOPER

Zo de taak van onze tijd boeteprediklng en bekering is in een verbeten schuldbesef, dan moet dit toch de kiemen in zich dragen van groeiende vreugde om Gods trouw.

Wij zullen in het grauw gewaad onzer schaarse en zwakke daden schrijden wij zullen hun armzaligheid belijden

met fiere lip en ons hierin verblijden dat zij van heerlijkere zijn het zaad. Wij zullen u niet zien, lichtende Vrede, wij zullen niet proeven uw weligheid van onze lippen naar ons hart gegleden; wij zullen ’t hunkeren naar uw zachtheden meedragen, ongestild, in de eeuwigheid.

(H. ROLAND HOLST).

F. KALMA—KOOPS.