is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1938, no 4, 22-10-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Arm Frankrijk

Het heeft in Frankrijk wat langer geduurd dan elders, dat men over het eerste opgewonden vredesgejubel heen was. Het is wellicht op zich zelf een aanwijzing, dat de Franse republiek iets verder van het centrale gebeuren is afgeraakt. Maar het kan ook zijn, dat hierin hetzelfde element van „bonne mine a mauvais jeu” (zich goedhouden) steekt, dat Daladier de Britse lofprijzing voor zijn goed humeur in München heeft bezorgd.

Men heeft zich in Frankrijk een korte poos blij gemaakt met Daladier’s uitspraak: „Wij zijn in München begonnen Europa en de wereld opnieuw op te bouwen”. Maar het wordt thans al te duidelijk, dat bij deze nieuwbouw met Frankrijk’s belangen, prestige en oordeel al bitter weinig rekening schijnt te worden gehouden. En dat zou in de grond van de zaak den gemiddelden Fransman, die nooit zo heel veel verder dan de Rijn gekeken heeft, ook nog vrij onverschillig laten, indien hij zich niet in zijn eigen directe veiligheid bedreigd begon te gevoelen. Dat is wellicht het onderscheid tussen de Britse en de Franse ongerustheid na München, dat in Londen, ondanks alle Engelse geveinsdheid, een eerlijk stuk deernis met het lot van de bevolking in Midden-Europa, met name in Tsjechoslowakije, aan de dag treedt, maar dat Frankrijk alleen daarom „nattigheid” begint te gevoelen, omdat het om het eigen lot bekommerd raakt. De Britse eilandbewoners zijn misschien op weg betere Europeanen te worden dan de continentale Fransen.

Ongetwijfeld zullen vele vooraanstaande Fransen smartelijk ervaren, hoe de Franse stralenkrans de laatste jaren is verbleekt en na de jongste gebeurtenissen Frankrijk’s crediet in grote delen van Europa totaal verloren is gegaan. Maar, zo verzekert men, vele Fransen zouden met een gerust geweten op voorbeeld van Flandin Europa de rug willen toekeren en een, naar Brits voorbeeld, op de koloniale taak georiënteerde „rijksmacht” willen vormen, indien zij maar enige zekerheid hadden, dat dit „Franse rijk” voor de bedreigingen der expansieve mogendheden veilig zou zijn.

Niet alleen is de vreugde over de Münchense vrede kortstondig geweest, ook de eenheid, die het Franse volk in de crisis toonde, toen een mUlioen mensen onder de wapenen kon worden geroepen, zonder dat zich daaronder enig verzet openbaarde, is verloren gegaan. Het Franse volk is op dit ogenblik in al zijn geledingen, zijn klassen, zijn partijen, in de gezinnen zelfs, verdeeld, of kever gezegd, uiteengespleten. Want het merkwaardige doet zich voor, dat de Münchense twistappel een scheur door al die groeperingen heen heeft teweeggebracht, waaruit de samenleving is opgebouwd. Maar zelfs de hoop, dat dit twistpunt indirect aanleiding zou kunnen worden, de Franse natie althans in twee fronten te groeperen, lijkt een illusie. Daarvoor zijn de oude tegenstellingen ook weer te diep mgevreten. De grootste vrees is thans, dat, zoals het wel vaker in de Franse geschiedenis is voorgekomen, men uit pure onwU om op redelijke weg tot een organische, gezonde eenheid te komen, men zich een kunstmatige, gewelddadige eenheid laat opdringen.

Het is geen wonder, dat de laatste weken de roep om een regering „van openbare veiligheid” onder militaire leiding is versterkt, maar het zou bijgeloof zijn, daarvan een gezonde ontwikkeling voor Frankrijk te verwachten.

C r is niet veel inzicht voor nodig om te be- seffen, dat Frankrijk in München de zwaarst verliezende partij is geweest. Met Tsjechoslowakije is het sluitstuk in het Frans Europese systeem weggevallen en, wat er nog

van overgebleven was, gaat thans reddeloos zijn ondergang tegemoet. Tsjechoslowakije was de sterkste en de trouwste schakel in het bondgenotensysteem in Midden-Europa, dat de Duitse expansie en machtsversterking op kosten van de zuiderburen moest remmen.

Reeds enkele jaren lang is dit bondgenotensysteem, de vrucht van Versailles, ondermijnd. Op een aantal clientèle-staten kon Frankrijk reeds enige tijd allerminst meer rekenen, zo min als deze staten zelf op de zekerheid der Franse bescherming aankonden. In dit opzicht had de versterking van het Rijnland door Hitler het Franse machtsoverwicht een zware slag toegebracht. Tegenover de Maginot-linie, die Frankrijk beschermde, verrees een Siegfried-linie, die elke directe hulpverlening door een uitval aan Frankrijk dreigde onmogelijk te maken. Voor dit verlies vond Frankrijk compensatie in het bondgenootschap met Rusland. Maar thans heeft de onderwerping van Tsjechoslowakije aan het Derde Rijk Rusland van zijn enige operatiebasis naar het westen beroofd.

Ondanks de doeltreffendheid van het mobilisatiesysteem, zoals die tijdens de crisis is gebleken, is men in Frankrijk zelf lang niet voorbereid. Weliswaar heeft de generale staf, ondanks alle andersluidende berichten in een verraderlijke Franse pers, voor Frankrijk’s aandeel in een militair verzet tegen de Duitse eisen, na Godesberg, ingestaan, maar of men thans, na de val van Tsjechoslowakije, nog een gewapend conflict, met Engeland en Rusland tezamen, aandurven zou, valt te betwijfelen. Van aUe kanten is men het er daarvoor te eenstemmig over eens, dat met name de Franse luchtmacht in de verste verte niet tegen de Duitse is opgewassen.

Tekenend is dan ook, dat van bepaalde zijde, en wel door den vroegeren communist Frossard, wordt gepleit voor een regering, die niets anders zou doen, dan Frankrijk 5000 nieuwe vliegtuigen te bezorgen. Het is een merkwaardige maatstaf voor de doeltreffendheid van een regering, in deze twintigste eeuw. Men moet zich echter voorstellen, hoe Frankrijk zich thans niet alleen van de kant van de Rijn, maar ook van twee andere kanten, van achter de Alpen en van achter de Pyreneeën, niet zonder recht bedreigd kan voelen om te begrijpen, waarom men in een dergelijke luchtmachtuitbreiding een panacée van Frankrijks zorgen gaat zien, al was het maar om de hevigste angstgevoelens weg te nemen.

Alles hangt er echter van af, of het Franse volk op normalere wijze tot dat herstel kan komen, dat het niet alleen voor zijn veiligheid naar buiten, maar ook voor zijn innerlijke groei en evenwichtigheid behoeft.

Voorlopig ziet men nog niet, van welke kant in Frankrijk de vernieuwing zou moeten komen. En daarzonder, daarover is ieder het eens, of men nu een nieuwen „Clémenceau” verlangt, zoals de rechtse journalist Pertinax, dan wel een verjongd Volksfront, gaat het niet langer.

Pertinax ziet op traditionele wijze in het platteland de eigenlijke regeneratie-basis. Maar totdusver is ons niets bekend, waaruit zou blijken, dat het platteland aan de algemene verdeeldheid zou zijn ontsnapt. En anderszij ds herinneren wij ons te goed, dat het Franse platteland lange tijd de draagster was van de Napoleontische legende.

De Franse bourgeoisie, waaronder dan in het bijzonder hier verstaan worden de befaamde 200 families, die met hun aanhang de leiding in het economische en financiële leven in handen hebben, schijnt door en door verrot. Hier overheerst de vrees voor het ~bolsjewiserende” Volksfront de bezorgdheid voor het buitenlandse fascisme. Wel wantrouwt men Hitler en zelfs de „man-van-het-keukenmes”, Charles Maurras, neemt het een Flandin kwalijk, dat hij Hitler openlijk wegens München heeft geluk gewenst. Flandin’s

partij loopt dan ook vrijwel geheel leeg, waarvoor overigens bij deze Franse burgerlijke groeperingen niet zoveel nodig is. Maar de F'ranse bourgeoisie is pro-Mussolini en grotendeels pro-Franco.

In beide opzichten voert de regering-Daladier, waarschijnlijk op aandrang van haar bozen geest Bonnet, dan ook een politiek, die volkomen burgerlijk is, en met het Volksfront niets meer te maken heeft. Het is onbegrijpelijk, dat de Franse socialisten niet krachtiger hebben geprotesteerd tegen de overhaaste erkenning van het Italiaanse keizerrijk, waartoe het tandem Daladier-Bonnet is overgegaan, zonder daarvoor iets anders dan hoon van Rome terug te krijgen. Deze socialistische „verdraagzaamheid” is alleen te verklaren, indien zij beoogt het contact niet te verbreken en de controle niet geheel te verliezen met het oog op de toekomst van Spanje. Indien de Franse socialisten echter niet goed op hun tellen passen, zullen zij het nog moeten aanzien, dat een Bonnet zonder blikken of blozen het republikeinse Spanje aan Mussolini versjachert.

Maar ook bij de arbeiders bestaat grote verdeeldheid. In de socialistische partij bestaat een sterke tegenstelling tussen de voorstanders van „vrede tot elke prijs”, waarbij men helaas niet aan de indruk kan ontkomen, dat ook daarbij de rhetoriek niet geheel ontbreekt, en voorstanders van een militante buitenlandse politiek. In de vakbeweging wordt deze tegenstelling eigenlijk beheerst door de wrange verhouding, tussen de communisten en de traditionele vakverenigingsmannen, de eigenlijke „syndicalisten”, ontstaan. Hier wreekt zich een voorbarige „hereniging”, aangegaan om de aanvalskracht te verhogen, in een verlammende onenigheid, welke optreedt, nu de nood aan den man is. Het Franse Volksfront heeft ongetwijfeld bij de massa’s sterk geleefd; het is bij de leiders nooit iets anders dan een „mariage de raison”, een verstandshuwelijk geweest, waarin de partners elkaar op de duur niet meer konden luchten.

Tenslotte de jeugd? Hiervan heeft in het laatste nummer van het ~Neue Tagebuch” de schrijver Julien Benda een tafreel opgehangen, dat met de veelzeggende troost eindigt: „Over het algemeen behoeft, naar het schijnt, het democratisch regime in Frankrijk de vijandige gezindheid van de jeugd niet erg te vrezen.” Maar ook deze schrijver weet niet de weg aan te wijzen, waarop de Franse democratie de vaak. gerechtvaardigde klachten van een in zijn bestaan bedreigde, maar ook zich zelf mateloos overschattende jeugd zou kunnen opheffen.

In de internationale crisis schijnen het in Frankrijk vooral degenen te zijn geweest, die de verschrikkingen van de oorlog aan den lijve hebben ondervonden, die de vermijding van de oorlog hebben bepleit en gerechtvaardigd. Het is maar een vrome wens, maar zou uit de kringen van deze oud-strijders, die men niet in de eerste plaats in de officiële „oud-strijdersorganisaties” moet zoeken, niet een concentratie van krachten zijn te vinden, die Frankrijk in dit benarde uur op weg hielp naar een betere toekomst?

Er is veel geloof in de onoverwinnelijkheid van de Franse geest voor nodig om in deze tijd op een herboren Frankrijk te durven hopen.

B. W. SCHAPER.

Het „geval Flandin"

Hitler: „Eindelijk alleen!’’ („Populaire”).