is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1938, no 13, 24-12-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

Het feest der hoop

Kerstmis is nooit als een overwinningsfeest gevierd: het lied der Engelen heeft altijd geklonken als de zang der leeuweriken in het vroege voorjaar boven kale weiden en akkers zonder de weelde en schoonheid van groei en bloei. In onze tijd is wel heel groot de tegenstelling tussen de boodschap van Kerstmis en de werkelijkheid; misschien luisteren wij er juist daardoor met inniger verlangen en groter aandacht naar dan gewoonlijk. Wij hebben er geen vrede mee, dat Kerstmis niets is dan een feest van gemoedelijkheid en genoegelijkheid, van een aardig Kerstboompje en vriendelijk kaarslicht, mooie oude liedjes en lekkernijen. Nog minder willen wij een Kerstmis, dat niets is dan opium voor onze verontruste en beangste harten, zodat wij' al de verschrikkelijkheden der werkelijkheid vergeten en ons verdiepen in een droomwereld van liefelijke klanken en beelden, zoals in een korte sluimering alle pijn en lijden van een zieke worden weggenomen. Het licht, waarvan het Kerstfeest getuigt, moet ons scherp de vreselijke duisternis, waarin wij leven, doen zien. Op de vraag, wat het Godsrijk eigenlijk is, antwoordde ik zo eenvoudig en duidelijk mogelijk om goed begrepen te worden; De wereld, zoals zij behoort te zijn! En toen kwam na enig nadenken de opmerking; Dan is het er niet en komt het ook niet!

Het ware beter, dat wij niet van vrede hoorden en ervoor ijverden, indien wij toch gedoemd zijn om in een wereld te blijven leven, die oorlog voert of zich daarop voorbereidt. Indien dan toch geweld, heerszucht, onrecht, hardheid, leugen op aarde blijven heersen en het lot der volkeren bepalen, ware het beter om niet te spreken van het licht, dat in woord en geest en leven van Christus verschenen is en van een wereld, waarin dit licht alle duisternis eens zal verdringen; dan zou Kerstmis toch geen zin en betekenis hebben. Geleerden verdiepen zich wel in de vraag naar de toekomst der aarde. Dr. Burger zei onlangs, dat het gevaar voor een botsing met andere hemellichamen gering is. Het lot der aarde hangt van de zon af. Als deze haar warmte verliest, is het met de aarde gedaan. Dr. Burger sprak zelfs het oordeel uit, dat het heelal op weg is naar zijn ondergang. Toch noemde hij het ondenkbaar, dat de gehele wereld geschapen zou zijn om weer te verdwijnen. Hij heeft aan zijn wetenschappelijke conclusie niet genoeg, maar blijft vertrouwen, dat het heelal en de aarde er niet zijn zonder doel en zin. Volgens den Engelsen geleerde, dr. Spencer Jones, zal te eniger tijd, zoals thans reeds het geval is op Mars, de aardse atmosfeer van zuurstof beroofd zijn en dan is het met het leven op aarde afgelopen; misschien zijn er micro-organismen (leven in zijn kleinste verschijning en laagste vormen), die het in een atmosfeer zonder zuurstof kunnen uithouden.

Wij ontkennen deze mogelijkheid niet, maar wel, dat alles geschapen wordt met de bestemming om ten onder te gaan en dat dus het streven en denken, het strijden en lijden der edelsten op aarde niets zou zijn dan de kleurige schittering van een zeepbel. Wij geloven, dat de geschiedenis meer is dan het doelloze warrelen en wemelen van wateren, door de kracht van toeval of noodlot bewogen, maar dat in haar een voorwaartsstrevende stroom werkt. De Hitler-gelovigen zien in het Derde een eeuwig rijk; maar Chamberlain merkte in zijn rede terecht op, dat het de macht is van een aantal mannen, die straks weliicht weer uiteenvalt. Een rijk, dat op geweld en onderdrukking gebouwd is, kan geen stand houden. Zelfs dictatoren, die in het zwaard hun kracht zoeken en op het zwaard hun hoop stellen, huldigen de vrede en noemen zich zijn dienaren, zoals ze het ook beweren te zijn van de vrijheid en de democratie. En de volksmassa in Duitsland bleef onlangs kalm en stil, toen een oorlog nabij was, en liet zich niet opzwepen tot oorlogswil en oorlogs-

woede, in vele harten was niet alleen de vrees voor de oorlogsgruwel, maar ook de vreedzame gezindheid, zoals er thans in Duitsland ook zeker velen zijn met deernis jegens de Joden en die zich schamen Duitsers te zijn. Men ziet het goede zaad gewoonlijk niet, omdat het onkruid er boven uitgroeit! De Amerikaanse financier Young zei onlangs, dat hij zijn vertrouwen stelt in de ingeschapen zwakte van het kwade. En zo blijft ook in deze tijd met zijn heerschappij van boze krachten het hart hopen, zoals de bloem juist in de donkerste plaatsen zich het sterkst naar het licht uitrekt. Kerstmis brengt de blijde boodschap, dat God de wereld niet verloren zal laten gaan, niet duurzaam laten dwalen in de duisternis. Die hoop moet dit feest in ons verlevendigen en ons sterken in onze roeping en levenstaak. Zij steunt op de goddelijke oppermacht en liefde en doet niet alleen vertrouwen en afwachten, maar ook strijden en volharden.

Particulier initiatief en overheidsbemoeiing

Rijkseenheid” schreef onlangs in overeenstemming met de vrees van Colijn voor één natie op krukken; „Wij zijn een lamlendig volk geworden. Wij kunnen niets meer doen zonder de staat, zonder de openbare kassen, zonder den belastingbetaler. Alle zelfwerkzaamheid, alle medeleven met zijn medemensen, te veel christelijke gevoelens worden de nek omgedraaid.”

Deze woedende uitval van een liberalisme, dat ver reikt buiten de partij grens, werd neergeschreven naar aanleiding van de uitbreiding van het London Hospital door particuliere giften. In Engeland zijn de ziekenhuizen meest particuliere instellingen op philantropische grondslag; zij steunen dus op contributies, donaties en collecten. Meermalen moet er wegens finantiële nood duchtig alarm gemaakt worden. Om aan het geld voor de verbouwing van het London Hospital te komen, werd in een der rijkste en deftigste zalen een liefdadigheidsconcert gegeven, waarbij een beroemde kunstenares en een groot orkest gratis medewerkten. De koningin, die presidente is van dit ziekenhuis, en andere vorstelijke personen waren onder de tienduizend bezoekers; men moest diep in de beurs tasten voor entree en program. Voor het ziekenhuis was bijna 3 millioen extra nodig. Bijna 2 millioen is ieder jaar nodig voor de exploitatie dezer inrichting en slechts op een som van een i millioen kan men vast rekenen.

Telkens zijn de particuliere ziekenhuizen in Engeland in finantiële nood; men gebruikt als attractie de klinkende namen van personen uit de hoogste adel en positie, men bedenkt allerlei festiviteiten, waaraan hun tegenwoordigheid glans moet bij zetten: ook door bazars en verlotingen probeert men, en lang niet altijd met het nodige succes, aan het benodigde geld te komen.

In ons land zijn vele ziekenhuizen gesticht door verenigingen met steun van de overheid of ze zijn inrichtingen van gemeente of rijk. Wat inrichting en verpleging betreft, zijn ze in het buitenland als bijzonder goed bekend en overtreffen zij zeker de Engelse ziekenhuizen. Sommige hebben ook donateurs en er hangen busjes voor giften van bezoekers; er is dus gelegenheid, om barmhartig te zijn ook bij overheidsbemoeiing, terwijl het gevaar van een minder goede inrichting of van opheffing zelfs 1 door geldgebrek hier niet bestaat of veel kleiner is. Maar „Rijkseenheid” schrijft niettemin; „Wat een enthousiasme voor het hoge ; doel, voor de presidente en de grote kunste[ nares. Wat een doodsheid op dit gebied bij ons. L De staat vernielt alles. Wij zijn zo diep wegi gezakt, dat wij alleen nog maar kunnen roepen; De staat de staat nieuwe be-5 lasting en weer nieuwe belasting!” t Men behoeft toch waarlijk niet ongerust te zijn, dat de barmhartige Samaritaan door al

die overheidsbemoeiing werkloos zal worden. Er zijn nog legers van ongelukkigen, voor wie men zelfs met allerlei kunst- en vliegwerk niet voldoende hulp kan krijgen. Men moet met bloemetjes en speldjes, en postzegels werken, om een klein deei van nood van ailerlei aard weg te nemen. De kerkelijke armenzorg zou zonder het maatschappelijk hulpbetoon der overheid totaal onvoldoende zijn. Wie helpen wil, behoeft niet te klagen, dat de overheid hem het werk uit handen neemt; er blijft meer dan genoeg over. Is dan particulier hulpbetoon zoveel beter dan de overheidszorg? Wij laten de vraag nu maar rusten, of ziekenzorg niet een groot sociaal belang en daarom gemeenschapstaak is. Maar zeker is ze beter en kan ook beter zijn, wanneer ze gesteund wordt door de overheid, waarbij deze toezicht uitoefent, of als ze geheel van haar uitgaat.

Menigeen stelt het werk van particulier initiatief boven dat der overheid niet alleen in zake maaschappelijk hulpbetoon maar ook in het bedrijfsleven. Het eerste werk staat echter niet, het laatste wel onder controle der gemeenschap. Wie aan de weg timmert, heeft veel bekijks! Er kan geen trein vijf minuten te laat komen, geen brief een dag te laat bezorgd worden, of er wordt een boos ingezonden stuk geschreven. Bij minder goede finantiële uitkomsten van een overheidsbedrijf wordt in de critiek bijna altijd vergeten, dat het de plicht heeft, het algemeen belang te dienen, ook waar dit geen winst maar verlies oplevert. Zo blijft menige tram- en spoorlijn in stand, hoewel het voordeliger zou zijn, ze op te heffen. Persoonlijke verdienste, energie en talent vinden ook in het overheidsbedrijf gelegenheid, zich te doen gelden, zeker niet minder dan in het particulier bedrijf of bij ondernemingen, die een vennootschap vormen. De overheid heeft in de loop der eeuwen ook veel werk van particulieren moeten overnemen, omdat zij het niet goed of niet meer voldoende konden verrichten.

J. A. BRUINS.

Boekbespreking

A. Viruly, Sneeuw. Uitg. A. Blitz, A’dam 1938 ƒ 3.25—ƒ 4.50.

Was dit boek een uitgave van de Zwitserse Verkeerscentrale, dan zouden wij het *nu ja, niet in „Tijd en Taak” loven en prijzen: wat kan reclame toch op een aardige, sympathieke manier bedreven worden. Zie nu dit boek over wintersport in Zwitserland, royaal van opzet, verlucht met vele goede, hoogst aantrekkelijke foto’s vrolijk, beschaafd, boeiend, je leest het zuiver voor je plezier. Maar ik kan het niet helpen dat mijn gezichtspunt verandert, als ik weet, een dure roman van een heuse Nederlandse schrijver voor mij te hebben Om Viruly te leren kennen, kan men dan, voor één tiende van de prijs, beter terecht bij het boekje „Wij vlogen” in de A.8.C.-reeks. M. H. v. d. Z.

Heinrich Eduard Jacob. Johann Strauss und das Neunzehnte Jahrhundert. Die Geschichte einer musikalischen W eltherrschaft (1819—1917). Mit zahlreichen Abbildungen und Notenbeispielen, Querido-Verlag N.V., Amsterdam 1937.

Een prachtig, breed-opgezet, goed-gedocumenteerd boek over een belangrijke periode in de muziekgeschiedenis, zó meeslepend, werkelijk-literair, boven de feitelijkheid uit geschreven, dat ook een leek op dit terrein, dit boek met de grootste belangstelling en met aesthetisch genot leest.

Het 13 in twee boeken verdeeld; het eérste gaat over „Johann Strauss Senior en zijn geluk”; het tweede behandelt „Johann Strauss Junior en zijn werk”. Het begint met het eerste optreden van Johann Strauss Sr. in 1819 en eindigt met de , dood van Eduard Strauss, den jongsten zoon van Johann Jr in 1917. Het begint met het einde van de menuet het eindigt met de heerschappij van de Jazz. En daartussen in ligt de schone wereld van de wals. de typische uitingsvorm van de romantiek. Dit boek heeft niet slechts een biografisch karakter: het tekent op- en neergangen van het muzikale en maatschappelijke leven, in het bijzonder van de lichte muziek en het Weense leven. Het is met recht en ten volle een cultuur-historische studie van de eerste rang; een boek van betekenis voor allen, die de muziek liefhebben. Een uitvoerige bronnen-opgave, bevattende de titels van werken over de familie Strauss, over Wenen en het Weense muziekleven, over de geschiedenis van de mode en de dans en over de Amerikaanse muziek, besluit dit boek van 440 pagina’s. JOHAN TOOT.