is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 17, 21-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Terug uit Rome

Menigeen zal een zucht van verlichting hebben geslaakt, toen Chamberlain Zondagavond weer goed en wel van zijn Italiaanse reis in Engeland was teruggekeerd. Rome, dat was althans de eerste indruk, was geen nieuw München geworden. En dat betekende op het eerste gezicht al heel wat.

De bezorgdheid, waarmee in de westerse landen het Italiaanse uitstapje van de Britse ministers werd gadegeslagen, was stellig niet zonder reden. Chamberlain had halsstarrig geweigerd, zich door het Engelse parlement een program te laten voorschrijven. De Britse premier bleek aan het eind van het jaar nog altijd even overtuigd van zijn grote politieke prestaties als in de September-maand. Er was geen enkele waarborg aanwezig, dat in Rome niet dezelfde mentaliteit van „geven en nemen” zou heersen, als in München had bestaan. In die zin, zoals de Londense ~Economist” snedig opmerkte, dat de ene partij het „nemen”, de andere het „geven” voor zijn rekening neemt. Ook was Mussolini ijverig in de weer om met zijn campagne tegen Frankrijk de „geschikte” politieke atmosfeer te scheppen.

Misschien heeft echter juist die bombastische Italiaanse campagne voor Mussolini een volkomen averechtse uitwerking gehad. Want de overdreven Italiaanse eisen in de Middellandse Zee hebben niet alleen de Franse openbare mening gealarmeerd en elke tegemoetkoming van Franse zijde onmogelijk gemaakt; zij vormden ook een ernstige handicap voor Chamberlain. Aanspraken op Tunis vormen ook een bedreiging voor de veiligheid van de Britse belangen in de Middellandse Zee. Een dergelijke inbreuk op de bestaande toestand (status quo) in dit gebied, die de kern uitmaakte van de verschUlende Brits-Italiaanse accoorden, was evenmin een aanmoediging om tot het sluiten van nieuwe overeenkomsten over te gaan. Chamberlain moest voorzichtiger zijn dan ooit, want iedereen was afdoende gealarmeerd.

En zo is deze ministers-samenkomst zonder zichtbaar resultaat gebleven. Voor Chamberlain moet dat een teleurstelling zijn. Hij kon een diplomatiek succes voor de binnenlandse politiek best gebruiken. De Chamberlains hebben ongetwijfeld sterke sympathieën voor Italië, fascistisch of niet. Het is zelfs de vraag, of Sir NevUle zich niet toch nog op een of andere wijze door het opzichtige vriendschapsbetoon in de Italiaanse hoofdstad zou hebben laten inpalmen, als hij alleen was geweest, zoals op zijn Duitse reizen. Misschien heeft de aanwezigheid van den uiterst nuchteren Halifax, die ook in September niet overdreven pro-Duits moet zijn geweest, enigermate preventief gewerkt.

Wij spraken van verlichting. Toen Chamberlain en Halifax echter scheepgingen, was men zo pessimistisch aangaande deze onderneming, dat men er in alle geval kwaad van verwachtte: indien het bezoek zou „slagen”, vreesde men voor een tweede München; indien het mislukte, kon alleen een verscherping der verhoudingen er het gevolg van zijn. Nu: succes heeft de reis niet gehad. Maar dat Rome „sans lendemain”, zonder gevolgen zal zijn, gelooft niemand.

Catalonië

Het eerst richten wij daarbij onze blik naar het land, dat ook tijdens de Brits-Italiaanse besprekingen op de voorgrond heeft gestaan: Spanje. Mussolini heeft geweigerd, het voorbeeld van de republiek door Franco te laten navolgen en zijn „vrijwUligers” naar huis te laten zenden. Hij heeft andermaal openlijk verklaard, dat Franco winnen moet. De Italiaanse troepen zijn gering in aantal in vergelijking met de andere troepen van Franco, beweerden de Italianen, naar de „Times” meldde. Tegelijkertijd stonden de Ita-

liaanse bladen vol over de heldendaden der vier zwaar gemechaniseerde Italiaanse divisies in Zuid-Catalonië. Het zou technisch moeiiijk zijn, de Italiaanse troepen tijdens de strijd terug te, trekken, werd in Rome eveneens beweerd. En het zou politiek moeilijk zijn, zolang de „strijd tegen het bolsjewisme” niet gewonnen was. Maar Mussolini bleef bij zijn belofte, erop „toe te zullen zien”, dat alle Italiaanse strijders de Spaanse bodem zouden verlaten, zodra de strijd voorbij was. Aan deze laatste fraze moge men zich in sommige Britse kringen vastklampen, in Frankrijk heeft men terecht uit de vage bewoordingen afgeleid, dat Italië zich zelfs na een beëindiging van de burgeroorlog niet uit Spanje zou terugtrekken.

Inmiddels zijn illusies van Britse zijde over een bemiddeling in het Spaanse conflict, b.v. ten bate van een herstel der Spaanse monarchie, in rook vervlogen. Franco’s offensief in Catalonië was te traag om nog tijdens de besprekingen te Rome aldaar een vreugdefestijn te kunnen ontketenen. Maar elke nieuwe stad, die de rebellen in Catalonië veroveren, stijft Franco in zijn begeerte, het volle pond in de wacht te slepen. En daarbij toont hij zich, zoals inzake de weigeringen van vliegvergunningen voor de Britse luchtvaart en het optreden tegen Britse consulaire ambtenaren blijkt, hoe langer hoe minder toeschietelijk tegenover de westerse staten.

Ondanks de sombere berichten uit Catalonië is er, naar wij menen, geen reden tot wanhoop. Franco overspant op dit ogenblik kennelijk zijn krachten en zijn bondgenoten, die massa’s materiaal overzenden, maar dit niet kunnen blijven doen, niet minder. Verrassingen zijn in Spanje nooit uitgesloten, ook niet aan republikeinse zijde. Maar, naar de hoofdredacteur van de Londense „New Statesman” dezer dagen constateerde; de republiek is op dit ogenblik hecht georganiseerd en de republikeinen zijn vastbeslotener en hardnekkiger dan ooit. Het gebrek aan levensmiddelen is thans de grootste vijand, maar juist in dat opzicht is er enige hoop op verbetering. De Amerikaanse schepen met graan zullen nu wel zo langzamerhand onderweg zijn. En ook Frankrijk heeft graanleveranties toegezegd.

De diplomatieke situatie is voor de Spaanse republiek beter dan voorheen, werd ons kortgeleden bericht. Feit is, dat met name in Frankrijk dagelijks meer mensen de opn opengaan voor het gevaar van een Duits-Italiaanse heerschappij beneden de Pyreneeën. Invloedrijke katholieke groepen maken in Frankrijk propaganda voor de vrijheid, die de kerk thans in de Spaanse republiek geniet en die misschien daar veiliger is dan bij het fascistische falangen-dom van Franco.

Met het naderen van de Italiaanse troepen aan de Franse grens, in Catalonië, komt het internationale aspect van het Spaanse conflict ook weer scherper naar voren. Mussolini heeft reeds brutaalweg de Fransen voor „verdere inmenging” gewaarschuwd; vermoedelijk moet deze, volkomen de feiten op hun kop zettende, insinuatie vooral voorbehoedend werken.

Indien er echter ooit dit jaar sprake zou kunnen zijn van een oorlogsatmosfeer, die niet kunstmatig is opgeroepen, maar uit de realiteit voorkomt, dan zou dat bij een verdergaande overwinning van Franco het geval zijn.

Dan zouden de fascistische staten hun chantage-spel, ondersteund door de Duits-Italiaanse troepen in Spanje, rondom Gibraltar en op de Balearen, nieuwe kracht kunnen bijzetten. En dan zou Chamberlain opnieuw kunnen ondervinden, wat het woord der dictatoren waard is.

Pas dan zou men van de huidige bijeenkomst te Rome als van een ~Berchtesgaden” kunnen spreken, dat een nieuw ~München” heeft voorbereid. Reden te over, om het zover niet te laten komen. Nog altijd hebben de westerse staten het recht en de mog e-lijkh e i d de onbillijke benadeling, de Spaanse republiek bij de gesaboteerde nietinmenging aangedaan, ongedaan te maken. Al zal het leed, in Spanje geleden, door dit rechtsherstel niet kunnen worden goedgemaakt, noch de oorlog daardoor onmiddellijk kunnen worden gestuit.

Onrust

De onrust en onzekerheid, na en door Rome teweeggebracht, beperkt zich niet tot de situatie rond Spanje. De hele Middellandse Zee is in opschudding. Al is het wellicht niet voor de naaste toekomst, Mussolini zal stellig aan zijn eisen betreffende Tunis, Djiboeti en het Suezkanaal vasthouden.

Men heeft in het feit, dat Chamberlain officieel helemaal niets over deze zaken heeft te berde gebracht, afgeleid, dat Mussolini geen genoegen zou willen nemen met de beperkte, zakelijke concessies, waarover men van Franse zijde eventueel wel zou willen praten. Vermoedelijk is het de fascistische diplomaten veel meer om de onrust te doen, die in en door Tunis kan worden opgeroepen, dan om een werkelijk rechtvaardige regeling voor de Italiaanse immigranten in dit gebied.

Italië wordt in zijn houding gestijfd door Duitsland, dat de aanspraken van Rome op de heerschappij in het Middellandse Zee-gebied met Duitse grondigheid theoretisch verdedigt. Deze Duitse belangstelling voor het streven van den as-genoot beschouwt men als een aanwijzing, dat Duitsland zich vooreerst toch nog op het westen zal concentreren, zolang de voorbereidingen voor nieuwe ondernemingen in Oost-Europa niet voltooid zijn.

Er zijn voor die Duitse belangstelling naar het westen ook andere aanwijzingen, zoals de plotselinge verhoging der duikbotentonnage, waarbij wederom acties in de Middellandse Zee, bij uitstek geschikt voor onderzeepiraterij, voorzien kunnen zijn. Over de Duitse uitbarstingen tegen ons land kan in dit verband nog gezwegen worden. Al moet men de betekenis van symptomen als de „kogelgaatjes-geschiedenis” toch niet geheel veronachtzamen. Wanneer de nazi’s ernst gaan maken met hun koloniale actie, kunnen druk en stokerij tegen Nederland, elementen in het chantage-spel worden, die voor ons niet al te aangenaam zijn.

Vermoedelijk heeft men de zin van alle agitatie in Europa van fascistische kant op dit ogenblik te zoeken in het streven, langzamerhand een atmosfeer te scheppen, die, wanneer de kans schoon is, zoals na een Franco-overwinning in Catalonië, de gemoederen rijp, of liever murw maakt voor onderhandeiingen è, la München. Zolang de Chamberlains in Londen en de Bonnets in Parijs zitten, zien wij niet in, hoe dan een nieuw experiment met de moderne pacificatiepolitiek-per-vliegtuig zou kunnen mtblijven. Neen, de opluchting na Rome is wel zeer betrekkelijk.

B. W. SCHAPER.

HISTORISCHE ROLPRENT UIT AMERIKA.

(HerUock in het „Lynchburg News”).