is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 17, 21-01-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

De kogelgaatjes

Toelichting van dit opschrift is voor niemand nodig. Zelfs in andere landen en werelddelen weet men van die gaatjes af. In de Ver. St. ziet men er een argument in voor de noodzaak, zich sterker te bewapenen. Een Engelse journalist ziet door die gaatjes in de toekomst de volgende aanval van Hitler in de richting van Nederland. In Londen meldde men reeds samentrekking van Duitse troepen aan de Nederlandse grens. Dat gerucht had zelfs invloed op de beurs. De onredelijke perscampagne tegen ons land naar aanleiding van die gaatjes heeft menigeen hier doen huiveren door de vrees, dat Duitsland nu naar aanleidingen zoekt en ze misschien maakt, om ons met zijn sterke vuist aan te grijpen. De Duitse pers is de onderdanige en gehoorzame dienaar der regering en juist daardoor is het gevaar zo groot, als zij gaat beschuldigen met een nijdig gezicht. Zelfs aan de Koningin nam zij het kwalijk, dat deze door een gift de Joodse vluchtelingen steunde en aan Colijn, dat hij door een radiotoespraak de collecte voor deze ongelukkige vreemdelingen aanbeval. Is Nederland nu aan de beurt, om bij Duitsland ingelijfd te worden? Verzet ertegen zal hoogstwaarschijnlijk niet baten. Er zullen ontzettend zware offers, doch vergeefs, bij gebracht worden. Zullen wij dus leren zwijgen en spreken, naar het de Duitse regering belieft? Zal onze vrijheid, die we thans meer dan vroeger waarderen, verloren gaan? Zal ook ons volk en onze jeugd militair geordend en door een militaire geest beheerst, worden? Zo vragen velen zich angstig af bij de gedachte aan de kogelgaatjes.

Maar zijn het gaatjes, door kogels ontstaan en zijn die kogels afgeschoten uit wraakzucht tegen de Duitse regering, om haar vertegenwoordigers in ons land te treffen?

De regeringspersdienst deelt als resultaat van het voorlopig onderzoek der justitie mee, dat er niet door een ruit van het Duitse gezantschapsgebouw in Den Haag, maar van een belendend perceel, voor een deel bij het gezantschap in gebruik, geschoten is. De kogel is door het bovenste deel van het raam geschoten en had dus niemand kunnen raken, al was dit het doel. De kogel is afgestuit tegen een houten beschot en had zo weinig kracht, dat het daarop nauwelijks sporen heeft achtergelaten. Is er dus een aanslag geweest, dan was deze ongevaarlijk.

Er is ook niet op het Duitse consulaatsgebouw in Amsterdam geschoten, maar op de daarnaast gelegen woning van den kanselier. Het gaatje in de ruit daar is bijna zeker ontstaan door een kiezelsteentje, af geschoten door een jongenskatapult. Is er al een aanslag bedoeld, dan heeft deze niets te betekenen gehad en kan men beter van kwaadaardige baldadigheid spreken; misschien is er niets geweest dan een kwajongensstreek, die met haat tegen Duitsland niets te maken had. Alle bewijs, dat hier een aanslag op hoge Duitse ambtenaren gepleegd zou zijn door handlangers van het „wereldjodendom” ontbreekt. Moeten de Joden belasterd worden, om de vervolgingen tegen hen enigszins te rechtvaardigen?

Hoe waardig treden de Joden onder ons op in deze kogelgatgeschiedenis. Het comité voor Joodse belangen protesteert ertegen, dat de Duitse pers bij voorbaat de Joden als daders aanwijst, zelfs voordat het officiële onderzoek reeds is aangevangen. Het wijst verontwaardigd de beschuldiging af, dat het „wereldjodendom” schuldig zou zijn aan dergelijke laffe daden en het verklaart ten slotte nadrukkelijk, dat zulke handelingen, die in strijd zijn met elke Joodse traditie, door iedere Joodse instelling ten zeerste worden afgekeurd.

Wij zijn van mening, dat er geen reden is in boze plannen en bedoelingen van Duitsland tegenover ons naar aanleiding der kogelgaatjes te geloven. Hier is geen Duitse min-

derheid in druk; hier is ook geen belangrijke groep nat. socialisten, die de grens tussen Nederland en Duitsland graag geheel zou willen uitwissen. Duitsland moge al een paar al of niet gegronde grietjes tegen Nederland hebben, maar die zijn te onbelangrijk, om ons aan te vallen. Duitsland wordt licht geprikkeld door de pers van het buitenland, is gauw op zijn teentjes getrapt en maakt dan dadelijk schopbewegingen. Er is dus reden voor ons, den zwakken naast den sterken buurman, om niet nodeloos ergernissen te geven. Niet nodeloos! Wij moeten niet zwijgen uit vrees, als het geweten dwingt tot spreken. Voorzichtigheid mag geen lafheid worden. Er gebeurt veel in Duitsland, waarvoor wij ons oog en onze mond niet mogen sluiten. Onze pers heeft in de kogelgaatj esgeschiedenis waardig, krachtig en ferm haar oordeel uitgesproken. Nederland moet zichzelf niet armexeren, maar onze pers wil zich zelf ook niet breidelen.

Ook in de internationale verhoudingen past aan de kleinen en zwakken de fermheid, die naar een bekend versje van Dr. Heye doet spreken in ’t recht: Dit is goed en dat is slecht!

Collectieve veiligheid

Men verstaat daaronder het stelsel van wederzijdse en onderlinge beveiliging van een groep staten. leder lid, dat bedreigd of aangevallen wordt, kan daarbij rekenen op de steun der anderen. leder lid is daardoor veilig; want wie waagt het hem aan te vallen, als hij daardoor tegenover een overmacht van vijanden komt te staan! Dit is in theorie zeer schoon en schijnt wel het middel, om elke oorlog te voorkomen. Zal echter een aangevallen lid kunnen rekenen op de steun der anderen? Als die anderen of enkelen hunner er nu eens belang bij hebben, zich daarvan te onthouden en dat belang zwaarder laten wegen dan het recht en de plicht, in een tractaat vastgelegd? Dat zou gemeen zijn! Inderdaad, maar in de internationale politiek gebeurt zoveel, dat gemeen is, en als er tegenstelling bestaat tussen belang en recht, wint het eerste het in de regel. Bovendien is het moeilijk, in menig geval zelfs onmogelijk, uit te maken, wie de aanvaller en wie de aangevallene is. Zolang er niet een stevig gefundeerde internationale rechtsorde bestaat, komt er daarom van de collectieve veiligheid weinig of niets terecht. De Volkenbond heeft ook in zijn beste tijd niet kunnen gelden voor het orgaan van een dergelijke rechtsorde. Dat hebben China, Abessinië en Spanje ondervonden. Tsjecho-Slowakije is kapot gemaakt, hoewel Rusland, Frankrijk en Engeland collectief voor zijn veiligheid instonden. Tegen het gevaar van staten, die met het zwaard dreigen in hun begeerte, om te veroveren en die het zwaard gebruiken ook, om hun grondgebied uit te breiden, helpt de collectieve veiligheid dan ook evenmin als een bonestaak op een dak als bliksemafleider.

Wij lazen in „Het Volk” een overzicht en bespreking van een kleine brochure van Hendrik de Man: „Une offensive pour la paix”, een aanval voor de vrede. Hij wU echter niet als andere soc.-dem., ook in ons land, zich wapenen en desnoods een oorlog wagen tegen de staten, die met het zwaard regeren, bedreigen en aanvallen en die geen andere keuze in de toekomst zien dan tussen de vrijheid zonder de vrede of de onderwerping zonder de oorlog.

A 1 zo vaak, schrijft De Man, is uit zulke wedloop in bewapening de oorlog voortgekomen. Een oorlog lost niets op. Het resultaat van een oorlog is altijd veel erger dan het kwaad, dat men ermee hoopte te voorkomen. Die tegenover de politiek van een militair blok de politiek van een ander militair blok willen stellen, moeten erkennen, dat zulke politiek moet uitlopen op vernietiging van de vrede, die zij willen verdedigen en op de ondergang van de vrijheid, die zij willen redden.

Daartegenover stelt De Man dan zijn program: herziening der verdragen van ’l9, geleidelijke en gelijktijdige ontwapening, opzeggen van alle militaire bondgenootschappen, reorganisatie van de Volkenbond op deze grondslagen, afbreken der economische tolmuren, herziening van het koloniaal bezit, herverdeling der grondstoffen en open deur voor handel en landverhuizing, schrapping van alle internationale schulden, vrijheid voor handel van kapitalen en personen.

De soc.-dem. publicist L. J. Kleyn is daartegenover van mening, dat Berlijn, Rome en Tokio van dit plan niets zullen willen weten en daarom, breekt eens het conflict uit, dan moeten wij bereid zijn, ons met hand en tand te verdedigen.

Hij wijst erop, dat in het systeem van De Man de collectieve veiligheid geheel ontbreekt. Door het verbod van militaire bondgenootschappen breekt De Man deze collectieve veiligheid nog verder af. De vredelievende wereld zal zich dus collectief tegen de totalitaire staten moeten wapenen, totdat hun de lust vergaat, het risico van een gewapend conflict te lopen. Hierin ziet Kleyn een kans, de vrede in Europa te bewaren.

Oorlog is het ergste ook voor de vrijheid. Dat staat voor ons vast. Een oorlog tegen veroveringszucht en militarisme dient niet de democratie, de vrijheid, de wereldvrede, het recht der kleine staten en minderheden; de wereldoorlog heeft ons dit tegen een al te dure prijs geleerd; maar meerderen schijnen die les niet geleerd te hebben of reeds vergeten te zijn. Over de waarde der collectieve veiligheid, haar waardeloosheid onder de tegenwoordige verhoudingen, schreven we reeds hier boven. Een wedstrijd in bewapening alleen tot afschrik zal eerder leiden tot het doel, dat men niet wU. Er komt onder jongens zeker een lelijke vechtpartij, wanneer een zijn klomp neemt, om de anderen bang te maken. Men kan met vuur geen brand blussen en ook niet geweld met geweld bedwingen. Het systeem van Kleyn leidt zeker tot oorlog en niet alleen tot verlies van de vrede, maar ook van de vrijheid.

De massa wil geen oorlog, ook niet de massa in Duitsland, Italië en Japan; de wU en geest van de massa te verenigen, te doen gelden, practisch aan het werk te zetten, dat alleen kan de vrede en de vrijheid redden.

Het zwaard kan de wereld niet behouden en op de rechte weg brengen; het dreigende zwaard niet en nog minder het slaande zwaard. Het zwaard kan niet het leven maar alleen de dood dienen. Het kan niets goeds scheppen, maar alleen veel goeds vernietigen.

J. A. BRUINS.

Uit de Wereld van het Boek

Nicolai Berdjajew, Betekenis en oorsprong van het Russische Communisme, Ned. vert. van J. Schregardus, Amsterdam, De Spieghel 1939. 202 blz., ing. ƒ2.50 geb. ƒ3.50.

In de royale uitgave der Orbis-boeken hebben wij hier de Nederlandse vertaling voor ons van een boek dat in October ’37 in Duitse tekst verscheen als „Slnn und Schicksal des Russischen Kommunismus” (bij de herdenking van de Revolutie van 1917). Twee leidende gedachten komen naar voren: 1. het Russische connnmiisme is een verbinding van een extreem Marxisme met een Russisch Messianisme, dat diep in het verleden teruggaat; 2. zo moest het communisme wel als een religie worden beleden. De analyse die de schr. van het Marxisme geeft is origineel: hij erkent dat het de demonie van het kapitalisme scherp zag, maar het is op zijn beurt evenzeer demonisch door zijn stelling, dat het kwaad de weg naar het goede is demonisch is deze gedachte, omdat zij „het zedelijk element in het menselijk leven vernietigt” (195).

Aan de analyse van het communisme verbindt Berdjajew een pleidooi voor de verbinding van Christendom (een gelouterd en herboren!) met een personalistisch socialisme „met een systeem dus, dat het principe van de persoonlijkheid als van de hoogste waarde, verenigt met de broederlijke gemeenschap der mensen” (200).

Aan deze korte vermelding zal men zien, dat het boek juist voor ons religieus-socialisten van grote betekenis is. De vertaling laat zich goed lezen.

W. B.