is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 19, 04-02-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

De morele en geestelijke herbewapening

Het is wel een ongelukkige, rare uitdrukking voor een innerlijke versterking door loutering en vernieuwing van het persoonlijke leven en de samenleving. Het woord herbewapening doet ons te veel denken aan allerlei lelijke en gevaarlijke dingen en zouden we daarom niet willen gebruiken als beeldspraak voor een edel streven, voor gehoorzaamheid aan een heilige aandrang. Behoort het morele niet bij het geestelijke leven? Dit laatste beperkt zich toch niet tot rede en wil. En wat wil de beweging, die met dit ongelukkige woord wordt aangeduid? Alierlei kringen, waarin deze eis tot herbewapening werd aanvaard, hebben er in plechtstatige zinnen antwoord op gegeven, maar men werd er niet veel wijzer door. De bedoelingen werden heel vaag en onbepaald uitgedrukt en ieder verstond er iets anders onder.

Deze beweging doet daarom denken aan een lege luxe-doos; van alles kan men er in doen: bonbons, sieraden, brieven en men kan haar ook leeg laten en alleen houden, omdat het zulk een sierlijke en schoon gekleurde doos is. Het is ook de vraag, hoe men aan zulke beweging kracht zal geven. Verklaringen in kanseistijl, in de pers gepubliceerd, brengen geen revolutie in de ziel teweeg, ook al staan er nog zulke klinkende namen onder.

De Koningin heeft in haar radiorede over onze taak in het heden enkele scherpe, duidelijke lijnen getrokken. Haar woord heeft gezag en niet alleen om de hoge waardigheid, die zij bekleedt. Zij is een vrouw, die eenvoudig, ernstig en vroom weet te spreken. De nieuwe instelling des geestes wil zij vooral practisch toepassen bij de bestrijding van de hooggestegen nood op geestelijk en stoffelijk gebied. Zij dacht bij de grote vraagstukken in, de eerste plaats aan het schrijnend leed der werkloosheid.

Zij kon wel een leerlinge zijn van de Vorstenschool en doet denken aan de Koningin, die daarin blijkt te weten en te voelen, wat armoede betekent.

„Voor onze geest rijst op het gebrek aan brandstoffen, kieding en dekking, dat in een zo groot aantal gezinnen is ontstaan, en dat, ondanks de mildheid van vele en onderscheidene groepen, nog steeds om leniging roept. Daaraan zai eerst ten volle kunnen worden voldaan, als de geest van saamhorigheid en helpen over ons gehele volk vaardig wordt.”

Daarna wees de Koningin op een wijd arbeidsveld voor naastenliefde in nationale zin, om de gevolgen te bestrijden van crisisleed, zowel voor hen, die midden in het leven staan als voor de jongeren, die geen kans krijgen, om aan de slag te komen.

In de kerk is het de slechte gewoonte, om vermaningen van de kansel door te geven en niet zelf te behouden en te gebruiken. Niet alleen in de kerk komt die lelijke hebbelijkheid voor. Wij weten precies te zeggen, dat er te weinig voor de werklozen wordt gedaan, maar doen wijzelf genoeg voor hen? Om te blijven bij onze aiiernaaste kring: Wat doen wij om het internaatswerk voor werklozen te steunen en om het onze A.G. mogelijk te maken, dit prachtige werk voort te zetten en uit te breiden? Redevoeringen van staatshoofden in deze tijd zijn uitdagingen tot de oorlog of waarschuwingen, om daartegen paraat en sterk te zijn; men hoort er steeds het gedaver van bommen in en het gekletter van het aanvallende of verdedigende zwaard. Altijd is het thema de herbewapening.

Onze Koningin sprak een rede, die geen punt van internationale politiek betrof. Zij wekte op, om met liefde en besef van saamhorigheid en verantwoordelijkheid de werkloosheid te bestrijden en haar slachtoffers bij te staan in hun stoffelijke en geestelijke noden en ze deed dat niet in statige hoftaal, maar in eenvoudige hartetaal.

Met alle bezwaren tegen het koningschap kan en moet men haar daarvoor erkentelijk zijn.

De brede en de smalle basis der regering

Het vorige kabinet-Colijn stond op de brede basis van een algemeen Christendom; er zaten roomsen, orthodoxe en vrijzinnige christenen in. Die godsdienstige verschillen hebben geen enkele moeilijkheid gegeven. Het tegenwoordige kabinet-Colijn staat op de smalle basis van een positief Christendom, aanhangers van de leer van Dordt en van Rome. Colijn wilde aanvankelijk weer de brede basis, maar roomsen en anti-revolutionnairen drongen hem naar de smalle basis. Ze dachten zeker, dat niet alleen de smalle weg maar ook de smalle basis ten leven leidt, in dit geval het leven van coaUtiemacht en succes. In de schriftelijke gedachtenwisseling over de rijksbegroting tussen regering en Eerste Kamer zijn enige leden ervan teruggekomen op de geschiedenis der kabinetsvorming in ’37. De regering antwoordde daarop, dat het dergelijke beschouwingen op dit tijdstip volkomen doelloos acht; uit beleefdheid zal ze er echter op ingaan. Het antwoord is eigenlijk niets dan de vraag, of er grond bestaat om aan te nemen, dat het tegenwoordige kabinet minder homogeen, eensgezind en regeerkrachtig zou zijn dan een kabinet, waarin b.v. een liberaal en een vrijz.-demokraat zouden zitting hebben.

Bij gebrek aan argument komt men bij den tegenstander wel vaker met een formele vraag aan. De regering bedoelt natuurlijk, dat de kwestie van brede of smalle basis voor de kracht der regering weinig of geen betekenis heeft. In het laatste geval zou ze echter op meer steun van meerdere partijen hebben kunnen rekenen en dus sterker hebben gestaan. Ook heeft Colijn zich in zijn eerste kabinet zeker meer thuis gevoeld dan in dit tweede, waarin het Roomse ordeningsstreven werkt tegen zijn liberale economische beginselen. En de tegenstelling tussen de coalitiegenoten van verschillend Christendom inzake de wet op de Zondagsrust openbaart zich nu op de smalle basis veel sterker dan vroeger op de brede. Een politiek voordeel is het voor Colijn, dat de Roomse Kamerfractie en R.K. Staatspartij vroeger tegenover hem stonden en hem zelfs eens het vertrouwen hebben opgezegd, terwijl hij thans met den vroegeren vijand op één basis staat en daar deze smal is, wel goede vrienden met hem moet trachten te blijven, want bij ruzie op een smalle basis rollen beiden er licht af. In kracht zullen de beide kabinetten wel niet veel verschillen. Beide steunen op een grote meerderheid; het laatste heeft een buitenkansje gehad, omdat Colijn vele stemmen kreeg van kiezers, die trouw aan de brede basis bij hem onderstelden. Naar beginselen en geest is het laatste kabinet nog minder één als het vorige. De noodzaak van samenwerking van zoveel mogelijk partijen in deze crisistijd pleitte voor een brede en niet voor een smalle basis. Door de christelijke politiek blijft er een dichte mist op het terrein der staatkunde hangen, waardoor men de ware tegenstellingen niet of slechts zwak en onduidelijk ziet. Gezonder politieke verhoudingen en krachtiger politiek leven, dat welvaart schept, zullen eerst komen, als de mist der christelijke politiek is weggetrokken.

Men onderscheide wel de christelijke politiek van een politiek naar de geest van Christus. De eerste eist dichte kramen en draaimolens des Zondags, zolang de kerken open zijn; de laatste, dat de slachtoffers der economische omstandigheden vlug en rechtvaardig geholpen worden, zodat men voor hen niet behoeft te bedelen om oude jassen en mantels, matrassen en dekens.

De poliep

Het is de naam van een zeedier, dat zich met zuignapjes aan anderen vastklemt en zich zo als een parasiet voedt. Men heeft ze in soorten. De zee-anemoon met haar onschuldige, schone naam behoort ertoe. Maar er zijn ook reusachtig grote, monsterachtige poliepen, die om zelf te leven op grote schaal leven vernietigen.

Enige tijd geleden is een nat. anti-iK)Uepactie begonnen, de N.A.P.A. Die actie richt zich tegen ondernemingen, die om hun monopolistisch karakter en met het algemeen belang strijdige organisatie en werkwijze een gevaar zijn voor de staat en de economische zelfstandigheid van maatschappelijke groepen en enkelingen. Een tijdschrift zal worden uitgegeven en verschillende groepen gevormd om deze poliepen te bestrijden.

„De Zuid-Limburger” is met deze actie begonnen door een felle aanval op de Unilever, een der grootste concerns, belangengemeenschappen of bedrijfsfamilies. Het grootbedrijf werkt in verschillende vormen van organisatie en bestrijdt en vernietigt zo mogelijk de kleinen, om zelf steeds groter te worden. De Unilever behoort tot de grootsten en is ook in meerdere landen gevestigd. Men denkt bij die naam allicht aan margarine en zeep. Maar deze onderneming produceert of verkoopt althans ook eetbare vetten, veekoeken, voedermeel, vleeswaren, kaas, gecondenseerde melk, papier, gedroogde vis, kunstzijde, wollen artikelen enz. enz.

Door haar organisatie en haar millioenen is de Unilever een geweldige macht, die zij laat voelen aan ieder, die haar in de weg staat. In een geschrift van een Roomsen priester wordt te velde getrokken tegen dezen harden dictator van kleinere ondernemers en winkeliers. Zij is de poliep, die uitgeroeid moet worden. Volgens de brochure van dezen priester schrijven de reizigers der Unilever aan de winkeliers de prijs en zelfs het af te nemen kwantum voor. Aanvaardt de winkelier de voorwaarden van Unilever niet, dan wordt hij afgemaakt. De nek van den onwilligen winkelier wordt gebroken. De reiziger van Unilever gaat naar zijn concurrent, biedt hem kosteloos een étalage-arrangement aan en er is maar een roep over de uitgebreide collectie van Unilever-artikelen bij het publiek. Klantenwinst hier en klantenverlies daar. Zo worden vele voorbeelden gegeven van de overheersing der machtige onderneming over de kleinen, dat zijn de middenstanders.

De N.A.P.A. doet denken aan de anti-trustwetgeving in de Ver. Staten, waardoor men gepoogd heeft, aan de poliep haar zuignappen te ontnemen, maar met niet veel succes. Alleen enkele van de barste uitwassen der trusts kan men er mee keren. Het kapitalisme past de leefwijze der poliep toe; hoe groter het dier, des te duidelijker ziet men dit. Maar elke concurrentie is een strijd ten koste van anderen en daarbij kan de macht wreed en bazig optreden, zonder dat de wet in staat is, dit te verhinderen. De grote ondernemingen hebben ook hun nut, doordat zij de productie beter en doelmatiger organiseren kunnen en een zekere ordening instellen, al is het niet om het algemeen belang maar dat der aandeelhouders te dienen. Maar het publiek is beter gediend door één machtige organisatie dan door duizend kleine ondernemers. De middenstanders vooral zullen aan de N.A.P.A. meedoen; menige middenstander zou minder zorgen en vrijer leven hebben in dienst van Unilever dan als z.g. zelfstandige.

De maatschappelijke ontwikkeling bevordert de grote ondernemingen en haar kan men niet keren; men kan alleen maatregelen nemen, waardoor haar macht een weinig gebreideld wordt. Wie de poliep wil bestrijden, moet zich tegen het kapitalisme keren, dat immers voortdurend zijn winst zuigt uit de klasse van arbeiders en van consumenten. In een brochure van de N.A.P.A. wordt uitgeroepen: Een overwinning zal het gloren van een nieuwe dag betekenen in ons nationaal bestaan.

ledere concurrent, ook de kleine is een poliep voor de andere en de aard der poliep is het om zich niet om het leven der anderen te bekommeren, als zij eigen leven moet voeden en in stand houden.

J. A. BRUINS.