is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 21, 18-02-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BUITENLANDSE KRONIEK

Nationalisme in onze tijd

De enige vorm van religie, zo schreef niet zo lang geleden een Engelsman, die is opgekomen en zich over de na-oorlogse wereld heeft uitgestort, is het nationalisme. Er is tegen die stelling nogal wat aan te voeren. In de eerste plaats zou hier enkel van een pseudo-religie sprake mogen zijn. Maar bovendien, het nationalisme is waarlijk niet aUeen van deze eeuw.

Wel kan men zeggen, dat het nationale zelfstandigheidsstreven, de gezonde kern van elk nationalisme, in de Twintigste Eeuw een vervorming heeft ondergaan, die het onderscheidt van die grote nationale gedachte, die het politieke en geestelijke leven van de Negentiende Eeuw heeft beheerst. Reeds aan het eind van die eeuw trad in alle landen een nauwe verbinding van de nationale gedachte met de staatsgedachte op, de verbinding van nationale eenheid met staatsmacht, die tot een verenging van de nationale idee voerde, zoals de grote idealisten der vorige eeuw, de Mazzini’s en de Duitse denkers, die gevormd hadden en waarin de natie als een organisch onderdeel der mensheid werd gedacht. Een verenging, waarbij vooral het vrijheidsgehalte verloren dreigde te gaan.

Naast deze verbastering, die het nationalisme vaak tot imperialisme en onderdrukking van andere naties, dus tot zijn eigen ontkenning deed verworden, treedt vooral na de oorlog een strekking op, die men het best met de term „romantisering” kan aanduiden. De nationale gedachte krijgt vaak iets onwezenlijks, zodra het de band met de grote tijdsontwikkeling gaat verliezen. Die tijdsontwikkeling wees en wijst naar groter verbanden. Het Duitse en Italiaanse nationale eenheidsstreven was daarmee in overeenstemming; het jongere, Slavische en andere nationalisme vaak in strijd. Het richtte zich tegen bestaande ruimere verbanden en dreigde bij een absolute verwerkelijking de levenssfeer voor de betrokken volken in te krimpen, in plaats van te verwijden. Veel na-oorlogs nationalisme is een uitgegroeide vorm van locaal-patriottisme en provincialisme, die voor de toekomst generlei beloften inhoudt.

Dit in tweeërlei opzicht verbasterde nationalisme werkt nu des te verderfelijker in een tijd, waarin het politieke leven wordt scheef getrokken door allerlei strekkingen, die grotendeels kunnen worden verklaard als verschijnselen van politieke onrijpheid. Zoals een aankomende jongeman de neiging vertoont, zich met hart en ziel aan één zaak of persoon te verbinden, heel het leven in verband met die zaak of persoon, hetzij een beweging, een partij, hetzij een geliefde, te zien; zo wordt het politieke leven thans beheerst door eenzijdige fanatismen, die weigeren, naast en boven hun eigen eenzijdige visie een algemener alles en allen omvattend gezichtspunt te erkennen. Het bedroevende daarbij is, dat een jongeman, die op hol slaat, meestal wel een of andere rem wordt aangelegd, die hem voor ongelukken behoedt. Die rem, die intomende, normaliserende invloed ontbreekt in de politieke botsing volkomen en de hevigheid der politieke techniek, m psychologisch zo goed als in materieel opzicht, verleent die botsingen een catastrofaal karakter.

Het zijn deze overwegingen, die ons huiverig kunnen maken, wanneer wij inderdaad zien, dat een pseudo-religie van het nationalisme zich met vernieuwd élan over de wereld uitstort. Hieruit spruit voort het onvruchtbare karakter, dat veel na-oorlogs nationalisme kenmerkt. Hierin ligt de verklaring voor de gemakkelijke verbinding, die dit nationalisme met de „reactie” aangaat.

Wij zouden als voorbeelden naar het Slowaakse, contra Praag gerichte, -nationalisme van de erfgenamen van pater Hlinka kunnen verwijzen. Ook bij de beoordeling van het Oekrainse nationalisme zijn deze elementen niet te verwaarlozen. In deze dagen vraagt echter in het bijzonder onze aandacht de werking van het nationalisme in Palestina, in lerland en in België.

Palestina

Vorige week is in Londen een conferentie geopend, die een oplossing moet bevorderen voor de Palestijnse kwestie, welke tot een gezwel is ontaard, dat de hele wereld van het Nabije Oosten vergiftigt.

Arabieren en Joden hebben bij de aanvang der conferentie hun verlangens kenbaar gemaakt. Op het eerste gezicht zijn beider aanspraken volkomen onverenigbaar. De Arabieren eisen prijsgave van de gehele gedachte van een Joods Nationaal Tehuis en willen de Joden hoogstens de waarborging van zekere rechten toestaan als een minderheid, d.w.z. in een positie, die de Joden over de gehele wereld als de diepste oorzaak hunner ellende beschouwen. Daartegenover heeft het Jodendom bij monde van dr. Weizmann uitdrukkelijke handhaving van het Nationale Tehuis, voortgezette immigratie en voorkoming van een minderheidspositie gevraagd. Het is de onverenigbaarheid van twee nationale aanspraken op éénzelfde grondgebied, waarbij het ene volk zijn recht op een 1300-jarige feitelijke bezetting, het andere op een herkomst van 2000 jaar geleden baseert.

De Joodse verklaring biedt echter ongetwijfeld meer perspectief dan de Arabische, waarmee het Zionisme wederom zijn universeler, vruchtbaarder geestelijke inhoud toont, boven het ongelouterde natuurlijke begeren naar eigengerechtigdheid der Arabieren. Weizmann spreekt, ondanks alles wat in Palestina is voorgevallen, de hoop uit op een overeenkomst. Daarbij beroept hij zich op een Britse verklaring, dat Engeland’s beloften, tijdens de wereldoorlog zowel aan Joden als aan Arabieren gedaan, althans voor West-Palestina niet met elkander in strijd behoeven te zijn. Mogen we hierin een poging zien, door beperking der Joodse verlangens tot het westelijke deel van het Beloofde Land een oplossing te vergemakkelijken, die ook de Arabische drang tot zelfstandigheid niet al te zeer in het gedrang zou doen komen, noch de vrees tot verder doordringen der Joodse vestiging zou versterken? In dat geval zou de Britse regering kunnen teruggrijpen tot een, gewijzigd, verdelingsontwerp, zoals indertijd door de commissie-Peel aanbevolen.

De mandaat-mogendheid, die uit strategische en algemeen politieke overwegingen, met name ten aanzien van de rust in andere delen van het grote Britse Rijk, met zijn Mohammedaanse massa’s, naar een spoedige beëindiging van de Palestijnse chaos moet streven, schijnt een plan achter de hand te hebben, dat Arabisch Palestina in een federatief verband verenigt met Syrië en Transjordanië, waarbij een Joods zelfbestuursgebied zou kunnen worden ondergebracht.

De vraag is slechts, of het Arabische nationalisme, dat door zijn terreur, vaak tegen de eigen volksgenoten in, zijn redeloosheid heeft bewezen, voor zulk een compromis vatbaar is. In elk geval zou de matigende macht van het Britse Rijk, dat ongetwijfeld voor veel wanverhoudingen aansprakelijk is, maar in deze gebieden anderzijds stellig het beginsel van een ordelijke samenleving vertegenwoordigt, niet gemist kunnen worden, wil het Joodse element In dit federatief verband niet volkomen in de verdrukking komen.

Men mocht het Zionisme echter een minder gecompromitteerd patronaat toewensen dan dat van het Britse imperialisme. Helaas is ’t juist ook deze laatste ontaarde vorm van natio-

nalisme mede aansprakelijk voor het mislukken van de stichting ener waarlijke volkengemeenschap, die alle volken een vreedzaam naast elkander leven zou kunnen garanderen.

lerland

Het lerse terrorisme, dat zich uit in de talloze bomaanslagen, die Engeland verontrusten, is een typisch symptoom voor een onvolgroeid nationalisme. Het lerse volk, dat in zijn eeuwenlange worsteling naar vrijheid merkwaardige vormen van strijd heeft gevonden, die ook voor de toekomst nog hun waarde kunnen hebben de boycott is in naam en daad een lers product heeft zijn nationale zelfstandigheid vroeg genoeg verworven om het lot van de bevolkingen van Wales en Schotland te ontgaan. Maar de lerse nationale zelfstandigheid kwam eigenlijk te laat, vormde tegenover het omringende moderne gemenebest van Britse volken te zeer een anachronisme om het lerse volk tot een volwaardig, zelfbewust optreden in de kring der volken te kunnen inspireren.

Zes jaar heeft het geduurd en er was het uiterste aan soepelheid der Britse diplomatieke taktlek voor nodig om het nationalisme van een De Valera, die elke samenwerking met Londen na 1932, toen hij aan de macht kwam in de tien jaar oude republiek, saboteerde, te verzoenen. Maar nog houdt Eire, zoals de leren hun staat thans noemen, op dezelfde onredelijke wijze vast aan de eis tot annexatie van Noord-lerland, zonder enige waarborg te verschaffen voor de Protestantse en Engelsgeoriënteerde volksdelen van het land.

In zekere zin kan De Valera de aansprakelijkheid voor de lerse bommenwerpers niet van zich afschudden. Men kent de boom aan zijn vruchten.

België

Is het niet al te hachelijk, de Belgische kabinetscrisis als een soort post-scriptum te willen behandelen? Deze crisis is echter eveneens duidelijk een symptoom van onrijpheid in politiek denken. Behalve enkele extremistische elementen aan beide zijden, wenst de meerderheid van Walen noch Vlamingen een ontbinding van het Belgische staatsverband. Maar men maakt door wederzijds blindstaren op eigen, eenzijdige nationale aspiraties het functionneren van dit verband onmogelijk. De jeugdige, voortvarende premier Spaak, wien men alle grieven ten spijt een gezond begrip van de eisen, aan een nationaliteiten-staat gesteld, niet kan ontzeggen, is over de laatste ,„sinaasappelschil” gestruikeld.

In zekere zin kon men de benoeming van den oud-activist dr. Mariens, die zich tot de Belgische staat had bekeerd, als een triomf van de saambindende kracht der Belgische staatsidee beschouwen. Die triomf is door het bekrompen chauvinisme der Brusselse liberalen, die zich bij uitstek de vertegenwoordigers der Belgische gedachte wanen, maar tot de parasieten daarvan zijn ontaard, verijdeld. Er is in het Waalse particularisme en in het Vlaamse streven a la Grammens veel provinciaals en achterlijks. Maar toch blijkt prof. Geyl in zijn knappe rede over het Nationalisme als factor in de moderne Europese Geschiedenis terecht het Belgische „nationalisme” als grootste bedreiging voor een nationaliteitenoverhuivend Belgisch staatsverband te hebben beschouwd.

Het nationale streven, éénmaal een van de grote constructieve elementen in het wereldgeheel, dreigt hoe 1 anger hoe meer zuiver destructief te werken. Het zal tenslotte slechts tot een algemene ontwrichting kunnen leiden, tenzij het de weg terugvindt tot een verbinding met dat mensheidsverband, waarvan een Mazzini in de vorige eeuw wist. Deze Italiaanse nationalist zag de „mensheid” als een „organisatie van vrije en gelijke volken, die zullen voortschrijden... elkaar steunende en van elkaar profiterende, tot de progressieve ontwikkeling van een gedachtenlijn van God.” Alleen in zulk een universeel verband kunnen alle nationaliteiten een verzoening bereiken.

B. W. SCHAPER,