is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 21, 18-02-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bedreigd geborgen

Met deze twee woorden tekende Paul Tillich, de ook al naar Amerika uitges weken Duitse philosoof en theoloog en een der leiders der Duitse listen, de positie van den mens. Hij is enerzijds aan alle kanten bedreigd, aan de andere kant is hij in alle dreigingen, gevaren en noden geborgen bij een meer dan menselijke macht. God draagt hem heen, door „zonde, dood en waan”, in Zijn eeuwig Rijk, waar hij geborgen is.

Dat het menselijk bestaan voorts durend bedreigd wordt, weten wij maar al te goed. Het geluk, het naakte be= staan, de ziel van den mens staan voorts durend aan gevaren bloot. In deze précaire positie deelt al het menselijke, ook wat de mens voortbrengt en cultuur noemt. De grote levensmachten, die wij zonde, leed en dood noemen, bedreigen den mens en het menselijke niet alleen, maar zij bewerken ook de ondergang.

Hoe bedreigd ons leven is, dringt ge= woonlijk het diepst tot ons door naar aanleiding van bepaalde voorvallen. Een goede kennis, die wij pas nog gezond en sterk waanden, sterft plotseling, door een nietige oorzaak. Luther werd in grote doodsangst geworpen, doordat een vriend plotseling stierf en hij ziehzelf ernstig wondde. Of anders, door het kleine plaatsje loopt plotseling het ge= rucht, dat die en die, een zeer gezien en betrouwbaar geaeht man, fraude heeft gepleegd. Mensen, op wie wij zo ver= trouwden, blijken tegen te vallen. De prins Siddharta, die later de Boeddha zou worden, verloor alle vreugde in het leven, nadat hij een zieke, een grijsaard en een dode gezien had, en gehoord, dat ook hij eenmaal zo zou zijn. Het be= dreigde van het leven kan als een druk op de mensen liggen. Eir is meer levens= angst dan wij vaak denken.

Deze levensangst is groot in de tegem woordige tijd. Geen wonder, want de dreigende machten blijken wel zeer sterk te zijn. De economische crisis teis? tert millioenen. Millioenen ook komen ellendig om in China, Spanje en elders. De hoogste geestelijke goederen worden vernietigd. Landen, waar eens het woord vrijheid zijn diepe klank ontving.

richten concentratiekampen in en hans nen de geest. Het Christendom dreigt uitgeroeid te worden, de kerken sloten, voorzover zij niet reeds als smakeloos geworden zout weggeworpen zijn. Er is een gruwelijke dreiging, die wel in staat is, een waanzinnige angst te verwekken.

En toch, niet slechts van dreiging weten wij, maar ook van geborgen zijn. Geborgen in een meer dan menselijke macht. Mensen ervaren het ook wel en getuigen er van. Een eenvoudige vrouw, die veel heeft doorgemaakt, zegt simpels weg: Als ik geen kracht ontvangen had, dan had ik het niet kunnen doen. Ook onder de dictatuur handhaven mensen het recht van de Geest, hoewel zij weten, wat hen wacht, omdat zij niet anders kunnen. In een wereld door haat uiteengereten, ontdekken toch ook weer sommigen de zachte krachten, die zullen winnen in het eind. In een wereld, bes zeten door machtswaan, richten mensen hun blikken naar het kruis van Christus en zij weten: daar wordt een kracht openbaar, die ten slotte onoverwinnelijk is. Daar wordt God openbaar. Die de liefde is en Die zijn schepsel niet vers loren laat gaan, maar redt en behoudt. Die bouwt Zijn Rijk, dat komt en is.

In het boek der Koningen komt een zinrijk verhaal voor. Daar wordt verteld, hoe eens de profeet Eliza door vijanden omsingeld is. Zijn knecht wordt angstig, maar op het gebed van den profeet gaan de ogen van den knecht open en dan ziet hij, hoe zij besehermd worden door een hemels leger. Terecht zegt dan Eliza: „Vreest niet, want zij die met ons zijn, zijn talrijker dan die met hen zijn.” (2 Kon. 6 : 16.)

Tillich spreekt van de geborgenheid van het bedreigde bestaan des mensen. Höffding, een Deens wijsgeer, omschrijft godsdienst als geloof in het behoud van waarden. Paulus zegt: „Want ik ben verzekerd, dat dood noch leven, engelen noch aartsengelen, tegenwoordige noch toekomende dingen, noch machten, hetzij hoge hetzij lage, noch enig ander schepsel ons kan scheiden van de liefde Gods, in Christus Jezus, onzen Heer.” (Rm. 8 : 38 v.)

H. DE VOS.

Lit de Kerkelijke Wereld

Pius XI t Het Religieus-Socialisme is een plant van protestantse bodem. Maar, al zijn wij daarin geworteld, toch weten ook wij, op onze wijze, van de Una Sancta, van de ene heilige algemene Christelijke Kerk, In die kring van de Una Sancta staat ook de Rooms Katholieke Kerk,

Voor sommigen is dat moeilijk te aanvaarden. Zij vrezen verdoezeling van verschillen, verslapping van de strijd, zo men de Kerk van Rome anders beschouwt, dan als een wereldmacht, die het geloof tyranniseert, die de vrijheid verguist, die ~vervloekte afgoderij” bedrijft. Wij kunnen al die gevaren heel duidelijk zien, en toch vaststellen: De Rooms-Katholieke Kerk eerbiedigen wij als onze vriend, dé vijand.

Haar hoofd, Paus Pius XI, is gestorven. Op zulk een ogenblik wordt én de vriendschap, én de vijandschap aan ieder duidelijk, die, van buiten haar muren, de R.K. Kerk volstrekt in ernst neemt.

Die gevoelens hechten zich bij mij persoonlijk aan één herinnering: de toespraak van den Paus door de radio in de rumoerige Septemberdagen. Dat was de stem van een sterk bewogen, maar machteloos mens. Het waren de woorden van een, die een echo-loze waarheid sprak.

Als wij vriendschap voelen, dan is het omdat de Roomse Kerk schatten bewaard heeft m haar goedgetimmerd bouwsel, die elders minder veilig geborgen zijn. Het is de schat van de stille inkeer, van de warme barmhartigheid, van het hunkeren naar een waarachtig-christelijke samenleving. Deze schatten heeft ook de overleden Paus willen tonen.

Maar als wij toch duidelijk en met nadruk haar afwijzen, dan is het, wijl haar machteloosheid zo zonneklaar is. Machteloos door altijd weer het compromis, machteloos door het temperen van elk profetisme. Machteloos, omdat haar formuleringen altijd abstract zijn, steeds weer anders uitgelegd kunnen worden, .steeds alleen maar wijs en nooit, in de diepe zin van het woord, heldhaftig zijn. Men denkt vaak, dat de R.K. Kerk veel

macht heeft. Ja, tot op zekere hoogte binnen haar muren en naar het uiterlijk. Maar tegenover de wereld is zij veel machtelozer, dan velen menen. Omdat zij, uit zorg voor haar macht, de „wereld” aan de macht laat.

Dat beeld is ook het beeld van het leven van Plus XI. Het leven van een groot mens, die, levend uit diep geloof, op de vele terreinen des levens woorden van gezag gesproken heeft. Maar die, bevangen in het Roomse compromissysteem, onmachtig bleek waar het er op aan kwam geestelijke macht in de beslissende uren te tonen.

Wij zeggen dit echter met droefheid en bescheidenheid. Want onze eigen machteloosheid wordt er niet minder schuldig om!

Herdruk Leidse vertaling

Het hoofdbestuur van de Nederlandse Protestantenbond heeft aan een commissie opdracht gegeven advies uit te brengen over de vraag, of de Leidse Vertaling herdrukt moest worden. Deze vraag is tekenend voor de positie van het Modernisme in Nederland.

Het is welhaast dertig jaar geleden, dat de Leidse Vertaling van het Oude en het Nieuwe Testament verscheen. Tot nu toe had men algemeen sinds 1637 de Statenvertaling gebruikt, een meesterwerk in zijn soort, maar niet meer op de hoogte van wat de moderne tijd gebracht had. Zij, die aan de nieuwe vertaling werkten, meenden dat zij daarmee de rechtzinnigheid een slag zouden toebrengen. Immers, een nieuwe vertaling zou ander licht werpen op veel omstreden teksten en daardoor op allerlei leerstellingen. Zij zou de massa toegankelijk maken voor bijbelcritiek, zou de gelovigen van letterknechterij verlossen en voeren in het rijk der vrome vrijheid.

Maar de traditie is taai. Bij alle goede invloed, die deze vertaling had, heeft zij aan die hooggespannen verwachting niet beantwoord. Zij gaf de grondtekst inderdaad in begrijpelijker Nederlands, en was wetenschappelijk bij. Maar juist door dat begrijpelijker Nederlands bleek aan velen definitief, hoe onbegrijpelijk de Bijbel zélf was geworden voor de twintigste eeuwse mens.

Wij zien het nu duidelijker misschien nog aan toen: daar, in het vervreemden van de bijbelse gedachtenwereld, en niet in de eerste plaats in een verbeterde vertaling, ligt voor ons geslacht de mogelijkheid. Wie op dit ogenblik den bijbel-vreemden mens, die opnieuw begeert te luisteren naar die oude stem, alleen maar een bijbel, ja, de best-denkbaarvertaalde bijbel in handen geeft, en verder dezen mens geen woord daarbij zegt, heeft niet de afstand gepeild, die er ligt tussen de Bijbel en de moderne wereld.

Maar afgezien daarvan: een goede bijbelvertaling is in alle opzichten een eis. D.w.z. een vertaling, die met grote kennis van zaken naar de grondtekst geluisterd heeft, en scherp de moderne equivalente woorden geeft. Maar dat is n u niet meer het werk van de moderne theologie alleen. Er is nu, minder dan ooit, reden, om in dit opzicht zich af te zonderen van het brede front van hen, die in de Bijbel meer zien, dan een merkwaardig, maar verouderd document.

Het bijkans tragische van de Leidse Vertaling is geworden, dat de methode van tekstbehandeling, volgens welke zij werd verricht, overgenomen is in vele kampen, maar dat de gevolgen van die vertaling gans anders zijn, dan de pioniers zich hadden voorgesteld. Niet het Modernisme won veld, maar enerzijds de Orthodoxie, die zich de verworvenheden der traditie niet ontwringen liet, anderzijds nog veel meer de ongodsdienstigheid, die in zulk een nieuwe vertaling eerst recht zich van het wankele van alle geloof bewust werd.

De situatie van het Vrijzinnig-Christendom is op het ogenblik zo, dat het verheugd kan zijn over haar overwinningen, die zeker niet voor een gering deel liggen op het gebied van de bijbelcritiek, maar dat zij, nu zijn methode ook elders wordt aanvaard, zich rustig in kan schakelen (zonder zich gelijk te schakelen) met allen, die op het ogenblik de roep naar een algemeen erkende, en door ieder als superieur erkende bijbelvertaling wiUen voldoen.

Als zulk een Bijbel in handen van nieuwe duizendtallen komt, dan begint de taak van allen, die zijn waarde kennen, eerst recht.

L. H. RUITENBERG