is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 27, 01-04-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

Geen vluchtelingen op de Veluwe

Wie schrijft, loopt gevaar misverstaan te worden en verbaast zich soms, niet beter begrepen te worden. In onze beschouwing; ~Wees welkom, vreemdeling!” bespraken wij de bezwaren van de V.V.V. en de A.N.W.B. tegen het oprichten van een vluchtelingenkamp op de Veluwe. De Veluwe zou daardoor minder aantrekkelijk worden voor toeristen en natuurvrienden. Reeds hadden eigenaars gedreigd, hun landgoederen voor het publiek te sluiten, wanneer aan de vluchtelingen de Veluwe als verblijfplaats werd aangewezen. In verband hiermee bespraken we de vreemdelingenindustrie, die de V.V.V. bevordert; natuurschoon en allerlei merkwaardigheden en curiositeiten worden daarbij als attractie gebruikt. Het is daarbij om toeristen met een goedgevulde beurs te doen; het vreemdelingenverkeer dient het belang van allerlei neringdoenden. Wij bedoelden allerminst, dat ook de A.N.W.B. toeristen om hun beurs trekt. Wij hebben alle waardering voor deze bond en het vele werk, dat hij verricht, om de weg naar natuurschoon voor ieder makkelijk te maken en zelfs in sommige gevallen daardoor de weg te openen. De A.N.W.B. maakt het natuurschoon niet tot een zaak, waarvoor om de winst reclame gemaakt moet worden. Dat doet de V.V.V. echter wel. Wij zouden het hierbij kunnen laten, vooral nu de regering besloten heeft, het kamp niet op de Veluwe maar in Drente te Westerbork te vestigen. Daar schijnt ’t verblijf der vluchtelingen minder ergernis te zullen verwekken en minder afbreuk te doen aan het bezoek van toeristen naar deze streek, die ook rijk is aan natuurschoon en nog bekoorlijker dan) de Veluwe door de grote verscheidenheid van natuurschoon. We willen echter wijzen op de kentering in houding en oordeel van velen ten opzichte van de vreemdelingen, die eerst om hun nood met meelijden ontvangen en als gasten gul begroet werden. Er stak zelfs een stormpje op van alle kanten tegen onze regering, die allerlei officiële staketsels opwierp tegen de binnenkomst der vluchtelingen. Men was tot schreiens toe bewogen om hun ellende en verontwaardigd over de strengheid en hardheid zelfs van den minister. Zo is het thans niet meer.

De gevoelens jegens de vluchtelingen zijn bekoeld en de critiek op den minister is in dit opzicht vrij wat milder geworden. Het hemd is nu eenmaal nader dan de rok; er moeten immers al zovele landgenoten gesteund worden. En dan wanneer gaan al die vreemden weer weg, als ze eenmaal toegelaten zijn? En men moet voorzichtig zijn met Hitler en niet al te vriendelijk zijn tegen zijn vijanden. Deze overwegingen hebben een kentering veroorzaakt in de eerste hartelijke gevoelens, in de open huizen en beurzen voor de vreemdelingen. Ellenbreed zijn de bezwaren tegen het kamp te Elspeet uitgemeten. Om misverstand te voorkomen, noemen we gerechtvaardigd de bezwaren van het Doopsgezinde „Broederschapshuis”, waarnaast het kamp gevestigd zou worden. Dat huis toch heeft voor zijn werk de stilte en eenzaamheid nodig. De vereniging, die het ~Broederschapshuis” exploiteert, heeft bovendien getoond, wel hart voor de vluchtelingen te hebben en drie van haar andere huizen voor hen beschikbaar gesteld.

Het bezwaar van de A.N.W.B. en de V.V.V., dat vele toeristen de Veluwe om de vluchtelingen zouden mijden, achten we echter waardeloos. De gemeenteraad van Ermelo, een toeristencentrum, dacht er anders over en stelde grond voor het kamp beschikbaar. Bovendien is de Veluwe zo uitgestrekt en heeft zovele wegen en streken voor natuurvrienden, dat men er van een paar duizend vluchtelingen weinig of niets zou merken. Ook zijn zij toch geen melaatsen, die men liefst op een afstand houdt! Prof. Jager Gerlings heeft nog andere bezwaren. De vreemdelingen zouden het „volkseigen” in een van de meest karakteristieke streken van ons

land vernietigen; de bevolking heeft daar toch door alle eeuwen zijn zeden en gewoonten weten te bewaren. Moeten zij dan echter niet beschermd worden tegen de vele hotel- en pensiongasten en dagjesmensen en trekkers, die zich onder hen veel vrijer bewegen, dan met de vluchtelingen het geval zou zijn geweest? De Wageningse hoogleraar geeft de arme vluchtelingen nog een trap na. Onder hen schuilt toch volgens hem ~een groot aantal verkeerde elementen.” Deze hoogleraar schijnt niet alleen een of andere landbouwwetenschap maar ook de Duitse rassenleer te beoefenen. Volkseigen is zijn oordeel over de vluchtelingen hier gelukkig nog niet. Het is vreemd, dat de red. der N. R. Crt., waarin hij zijn oordeel uitte, hem niet aan de voet van zijn ingezonden stuk een nootje te kraken gaf.

Het mooie in de gelijkenis van den Samaritaan is niet, dat de man barmhartig was, maar dat hij het bleef en zijn goed werk geheel volbracht. Hem werd de ongelukkige niet tot een lastpost.

Wij leven vrij!

Amsterdam ligt niet in Duitsland en Mussert is in Nederland nog niet de schoolmeester, die zijn kinderen het zwijgen kan opleggen. Toch heeft de politie onzer hoofdstad verboden, dat Prof. Barth in een besloten vergadering enige vragen beantwoordde, omdat deze naar haar oordeel de binnenlandse politiek betroffen, waarover een vreemdeling hier dient te zwijgen. De vragen betroffen de verhouding tussen Christendom en politiek en die tussen kerk en staat. Het zijn algemene politieke vraagstukken en de voorzitter der vergadering Prof. Grosheide van de Vrije Universiteit had de politie verzekerd, dat de spreker zich niet begeven zou op het terrein der speciale Nederlandse politiek. Prof. Barth heeft geweigerd, ook de andere vragen te behandelen, daar hij niet gemuilkorfd wilde spreken.

Barth is een van de Duitse christenen, die de knie voor den Baal van de albeheersende staat niet gebogen hebben. Hij werd daarom uit zijn ambt ontslagen; maar het buitenland ontving dezen man van grote gaven en karakter gaarne en zo werd hij hoogleraar in Zwitserland. Zijn christelijk gedachtensysteem is moeilijk, te moeilijk voor hen, die geen wijsgerige scholing en aanleg bezitten. Niettemin heeft hij grote invloed ook in ons land en de eerbied van zeer velen als strijder voor de vrijheid, die ook op het terrein van kerk en godsdienst nodig is als frisse lucht en zonneschijn voor de plantenwereld.

De vrijheid is het erfgoed onze vaderen, die er goed en bloed voor hebben geofferd. Tegenover het buitenland zijn wij er trots op, dat we hier leven in een sfeer van vrijheid, wijd en frisch als de lucht boven onze weiden. Men komt onwillekeurig in een dichterlijke speechstemming, als men het woord vrijheid gebruikt en men gaat neuriën: Wij leven vrij, wij leven blij op Neerlands dierbre grond. Maar door een open raam telkens een centimeter neer te halen, sluit men ten slotte de kamer potdicht en gaat er een bedompte en benauwde atmosfeer hangen. Daarheen gaat het in Nederland de laatste jaren. Roomse ministers van justitie hebben de laatste jaren telkens een klein stukje van onze vrijheid afgebrokkeld; want Rome is principieel evenzeer tegenstander van geestelijke vrijheid als het nat. socialisme. Zij beschouwt die vrijheid als een dwaling, die zij geheel uitroeit, als ze daartoe de macht heeft.

Volksliederen worden vaak gedragen en bezield door het verleden. Moeten we misschien gaan zingen: „Wij leefden vrij, wij leefden blij”?

Landbouw en industrie tweelingen

Ons bedrijfsleven is als een boom met meerdere takken. Er zijn ook tweelingen onider de takken, die gaffelvormig zijn samengegroeid. Zulke tweelingen zijn landbouw en

industrie. Wij kunnen geen van beide missen en zij werken innig samen.

Eens nam de landbouw verreweg de voornaamste plaats in, maar in de laatste eeuw is de industrie buitengewoon sterk gegroeid. Er is in ons land een zekere tegenstelling tussen beide; soms merkt men zelfs een zekere vijandschap. Daarmee hangt samen de tegenstelling tussen stad en land. De landbouw voelt zich verongelijkt, doordat de industrie veel meer lonend is voor werknemers en werkgevers beide dan de landbouw. We staan hier voor een zeer moeilijk en ingewikkeld probleem. Bij die tegenstelling mag echter het onderling verband niet vergeten worden. De landbouw geeft aan de werkers in de industrie allereerst het voedsel en tevens allerlei grondstoffen, die zij verwerkt. De industrie geeft aan de landbouw zijn werktuigen, machines, kunstmeststoffen, de gebouwen en de installatie van stal en schuur en honderden gebruiksvoorwerpen, die vroeger in het gezin van den landbouwer zelf gemaakt werden. Vooral de bodem beslist, of een volk zich op de landbouw of op de industrie zal toeleggen. In ons land vindt men de industriestreken op zandgrond en niet op de vruchtbare klei. Uit de wereld der industrie hoort men wel eens gemopper over de zware lasten der landbouwcrisismaatregelen. Maar de regering heeft terecht ingezien, dat het een nationale ramp zou zijn, als weiden en akkers niet meer verzorgd en bewerkt werden, omdat dit werk geen droog brood meer opleverde.

Ook hoort men wel de klacht, dat de regering zich meer om de werkloze landarbeiders dan om de industriearbeiders bekommert. De werkverschaffing betreft voornamelijk verbetering of winning van grond. Ook het rapport-Westhoff houdt zich alleen bezig met cultuurtechnische werken, dat is ontginning en herontginning, ontwatering, bebossing en dergelijk werk, waardoor de grond waarde gaat opleveren.

Bij een bespreking van het rapport in een vergadering van het Kon. Inst. van Ingenieurs werd er sterk op gewezen, dat de landbouw hier het troetelkindje is en de industrie vergeten wordt. Dr. Beumer noemde als werkobjecten voor werklozen ook arbeiderswoningbouw, monumentenzorg, herstel van oude vestingwerken, bouw van oorlogsschepen en het maken van verdedigingswerken. Zijn deze laatste werken echter noodzakelijk, dan moeten zij in z.g.n. vrije arbeid uitgevoerd worden.

Dr. Bierema wilde niet zo sterk de nadruk leggen op de verkrijging van nieuwe en verbeterde gronden als in het rapport geschiedt, maar hij acht het mogelijk tot aanzienlijke productievermeerdering te komen, als er meer rationeel bemest en beweid wordt. Bepaald afwijzend was het oordeel van Dr. Zaalberg, die vermeerdering van verliesgevende grond vreesde, waardoor het gehele bedrijfsleven verzwakt zou worden.

Bij al deze critiek wordt vergeten, dat nieuwe of verbeterde grond niet alleen aan de landbouw maar ook aan de industrie werk geeft. Het een hangt met het ander samen. Steenfabrieken, landbouwmachinefabrieken, de houtindustrie, de textielfabrieken, de chemische industrie, e.a. hebben ook werk gekregen door het ontstaan van de Wieringermeerpolder. Het is wel mogelijk, dat de nieuwe gronden voorlopig verlies zullen opleveren. Maar eens zal toch het eind komen ook van de landbouwcrisis. Er is nog veel grond, die thans nmts oplevert en roept om het werk en de kennis van den mens en er zijn vele werklozen, die verlummelen en versuffen, verwilderen en verbitterd worden, omdat zij geen uitzicht hebben op werk. Het is daarom te hopen, dat het rapport niet weggewerkt wordt, om hetgeen erin staat, door critiek op onderdelen en becijferingen, op fouten of vermeende fouten, maar ook niet om hetgeen er niet in staat, dat zijn plannen voor industriële arbeid. Met al die critiek stelt men de grote werken uit, die nu eindelijk flink en vlug aangepakt moeten worden.

Wat geeft het den patiënt, als de heren al consulteren en druk debatteren over zijn geval en ieder de raad van den ander verwerpt en ondertussen den patiënt laat wachten op hulp. Critiek is goed, maar ze mag niet nodeloos remmen. J. A. BRUINS.